← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2016:6837

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/705327-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 december 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Roemenië), wonende te [adres] , [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 december

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdacht en haar raadsman mr. O.E. de Jong, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: in de periode van 1 april 2014 tot en met 3 juni 2014 in Houten, al dan niet samen met anderen, een grote hoeveelheid hennepplanten in een woning en in een kas heeft geteeld . Feit 2: in de periode van 26 september 2014 tot en met 4 oktober 2014 in Culemborg, al dan niet samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat deze bedoeld waren om strafbare feiten mee te plegen, namelijk het opzetten van een hennepkwekerij. 3VOORVRAGEN 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft, ten aanzien van feit 2 op de tenlastelegging, aangevoerd dat dit feit ten tijde van het begaan daarvan nog niet strafbaar was. Onder verwijzing naar artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, heeft de raadsman verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging ten aanzien van feit
  2. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd op het moment van het plegen daarvan niet strafbaar was. Het feit an sich kan wel wettig en overtuigend bewezen worden. Omdat het feit ten tijde van het plegen daarvan niet strafbaar was, dient dit tot gevolg te hebben dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de officier van justitie. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd, zijn grondslag vindt in artikel 11a van de Opiumwet. In dit artikel is -kort gezegd- het verrichten van bepaalde handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar gesteld. Deze wet is op 1 maart 2015 in werking getreden. De pleegperiode van het aan verdachte ten laste gelegde feit loopt van 26 september 2014 tot en met 4 oktober
  3. Op dat moment was artikel 11a van de Opiumwet nog niet van kracht. Op het vermeende moment van begaan van het feit, was dit feit dus nog niet strafbaar. Zodoende bestaat er geen wettelijke grondslag om verdachte te vervolgen voor het aan haar onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ten aanzien van dit feit. Verder stelt de rechtbank vast dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het onder feit 1 ten laste gelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd: Geen van de verdachten die in de hennepkwekerijen aan de [adres] in [woonplaats] zijn aangetroffen hebben iets verklaard dat wijst op enige betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerijen. De eigenaar van [adres] (medeverdachte [medeverdachte 1] ) geeft tijdens zijn nadere verhoor bij de politie aan dat de persoon die de kas aan de [adres] huurde op de camping stond bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Vervolgens schuift medeverdachte [medeverdachte 1] de hele kwekerij in de schoenen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Het feit dat de huurder van de kas op de camping stond bij verdachte, is geen bewijs dat zij het aan haar ten laste gelegde feit heeft geleegd. Verdachte ontkent enige betrokkenheid. Over het geld dat op haar bankrekening staat heeft verdachte een verklaring afgelegd. Zij verdient haar geld uit de fruithandel en het kweken van paradijsvogelplanten. Op dit punt heeft de politie opgemerkt dat de bankrekeningen van verdachte geen grote tegoeden vertonen. Dit kan dus geen bewijs opleveren dat verdachte zich bezig zou houden met de handel in hennep. Ook heeft verdachte een verklaring afgelegd over haar aanwezigheid op de [adres] begin
  4. Zij hielp bij het opknappen van de woning die verhuurd zou worden aan medeverdachte [medeverdachte 3] . Dat verklaart ook waarom het zwarte busje van medeverdachte [medeverdachte 2] , waar verdachte ook wel eens in reed, op het adres is gezien. In dit verband is tevens relevant dat getuige [getuige] in de pleegperiode werkzaamheden verrichtte op het perceel aan de [adres] . Getuige [getuige] rijdt ook in een zwart bus. Concluderend komt de raadsman tot het oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is en verdachte vrij dient te worden gesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, niet vast is komen te staan dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen hennepplantages op het adres [adres] in [woonplaats] . Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van het aan haar ten laste gelegde vrijspreken. 5Het beslag 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht alle spullen die in beslag zijn genomen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te onttrekken aan het verkeer. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 5.3 Het oordeel van de rechtbank In de woning aan de [adres] te [woonplaats] zijn diverse goederen in beslag genomen. Het voorhanden hebben van deze goederen levert thans een strafbaar feit op. Gelet hierop zal de rechtbank, op grond van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht, de goederen onttrekken aan het verkeer. 6BESLISSING De rechtbank: Voorvragen - Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van feit
  5. Vrijspraak - Spreekt verdachte vrij van het aan haar onder feit 1 ten laste gelegde. Beslag - Onttrekt aan het verkeer de goederen, vermeld op pagina 5 van het proces-verbaal met nummer PL0600-
  6. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.P.M. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december
  7. Mr. J.P.M. Schwillens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE : De tenlastelegging
  8. zij in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met 03 juni 2014 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een kas behorende bij een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 15.456 hennepplanten en/of (in een woning aan de [adres] ), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 108 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 11 lid 2 Opiumwet
  9. zij in of omstreeks de periode van 26 september 2014 tot en met 04 oktober 2014 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (in/bij een pand aan de [adres] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens,te weten: - 31, althans één of meer, armaturen en/of - 36, althans één of meer, assimilatielampen en/of - 1 schakelbord en/of - 1 tijdschakelaar en/of - 26, althans één of meer, transformatoren en/of - 10, althans één of meer, afzuigslangen en/of koppelstukken en/of - 1 koolstoffilter en/of - 1 slakkenhuis en/of - 1 opticilmates en/of - 1 water-, beluchting- en dompelpomp en/of - ( een) verbroken verzegeling(en) van de meterkast en/of - met folie afgeplakte ramen van het pand, bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten: - het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a, - het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden gehad, terwijl zij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die stof(fen) en/of voorwerp(en) en/of gegeven(s) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); art 11a lid 1 Opiumwet art 10 lid 4 Opiumwet art 2 ahf/ond B Opiumwet

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.