RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/705322-16 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 december 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1939] in [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] in [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 en 30 november 2016 en 1 en 6 december
- Ter zitting van 8 december 2016 is het onderzoek gesloten. Eerder is de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2016, 2 juni 2016, 28 juni 2016 en 22 september
- De verdachte heeft zich laten verdedigen door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Utrecht, en is zelf niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 november 2015 te [woonplaats] opzettelijk en in vereniging met anderen 2 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. 4.2 Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is verweer gevoerd met betrekking tot de wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van drugs in haar huis. Bovendien heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de aanwezigheid hiervan. Ten slotte blijkt uit het dossier dat verdachte geen substantiële bijdrage heeft geleverd, waardoor enig handelen zou kunnen worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 10 november 2015 is de woning van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] doorzocht. In een kast in de slaapkamer op de eerste verdieping is een plastic tas met daarin twee gesealde pakketten aangetroffen, elk inhoudende een kilo cocaïne. In dezelfde kamer lagen ook een grote hoeveelheid sporttassen, een machine voor het vacuüm verpakken van materialen en één sporttas met daarin een aantal rollen tape. In de achtertuin werd in de vuilcontainer een aantal tassen met verpakkingsmateriaal gevonden. Verdachte is de enige bewoonster van deze woning. De aanwezigheid van de cocaïne kan haar in beginsel als gebruiker van de woning worden toegerekend. In dit geval oordeelt de rechtbank hier echter anders over nu de ontkennende verklaring van verdachte steun vindt in het dossier. Verdachte heeft aangegeven geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de cocaïne. Medeverdachte [medeverdachte] , de zoon van verdachte, heeft daarentegen verklaard betrokken te zijn geweest bij drugstransporten en de overtallige pakketten tijdelijk te hebben ondergebracht in de woning van zijn moeder zonder haar medeweten. [medeverdachte] kon gebruik maken van de woning nu hij beschikte over een sleutel en dat hij in de voorafgaande periode met enige regelmaat in de woning aanwezig is geweest blijkt ook uit de observaties van 6 en 13 oktober
- Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat er cocaïne in haar woning lag, laat staan dat zij daarvoor toestemming zou hebben gegeven. Hetzelfde geldt voor de andere aan drugs gerelateerde goederen aangetroffen in haar woning. De omstandigheid dat de stemming van verdachte omsloeg tijdens de doorzoeking is niet voldoende voor een positieve vaststelling van wetenschap nu niet duidelijk is wat zij op dat moment zag en wat bij haar de stemming deed omslaan; enkel de tas of ook al de pakketten. Concluderend acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, al dan niet als medepleger, opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad en zal haar hiervan vrijspreken. 5Het beslag De officier van justitie heeft ter zitting van 30 november 2016 een beslaglijst overgelegd en verbeurdverklaring gevorderd van de vacuümmachine. De rechtbank stelt echter vast dat [verdachte] heeft aangegeven dat deze machine niet aan haar toebehoort. Nu uit het dossier volgt dat de machine toebehoort aan [medeverdachte] is in de hem betreffende strafzaak hieromtrent een beslissing genomen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 6Beslissing De rechtbank: Vrijspraak Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mrs. K.J. Veenstra en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december
- BIJLAGE: de tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 10 november 2015 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2 kilogram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 3 Opiumwet