RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/661982-13 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 september 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1957] te [geboorteplaats] wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19 juni 2015 en 26 augustus 2016. De verdachte is niet verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten vertegenwoordigen door mr. D.C. Vlielander, uitdrukkelijk gemachtigd om namens verdachte het woord te voeren. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 samen met anderen op 22 oktober 2013 in Utrecht opzettelijk 29,2 cocaïne, 0.8 gram heroïne en 96,9 gram amfetamine in zijn bezit heeft gehad; feit 2 samen met anderen in de periode van 2 mei 2013 tot en met 22 oktober 2013 in Utrecht in harddrugs heeft gehandeld; feit 3 samen met anderen op 22 oktober 2013 in Utrecht middelen en voorwerpen in zijn bezit heeft gehad, die bedoeld waren om de handel in verdovende middelen voor te bereiden of te bevorderen. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft geleegd. Verdachte dient van dat feit vrijgesproken te worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit voor wat betreft het aanwezig hebben van cocaïne gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is van mening dat verdachte voor het overige van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Uit het dossier volgt niet dat er amfetamine in de woning werd aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheid heroïne betreft slechts een gebruikershoeveelheid waarvoor verdachte, indien alleen dit was aangetroffen, niet vervolgd zou worden. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder feit 2 ten laste gelegde nu op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in verdovende middelen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het tenlastegelegde geen voorbereidingshandelingen betreft zoals bedoeld in de Opiumwet, immers de aangetroffen voorwerpen zien op het bewerken, verwerken en bereiden van verdovende middelen. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het onder 3 ten laste gelegde feit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 vrijspraak feit 2 De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich, al dan niet samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen. De rechtbank zal verdachte daarom vrij spreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. 4.3.2 feit 1 en feit 3 De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 22 oktober 2013 vond er een doorzoeking plaats in de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . In de woning werden [verdachte] en [A] aangetroffen. In de woonkamer lagen op de tafel uitgeknipte rondjes van plastic. Op elk van de rondjes lag een kleine hoeveelheid wit poeder. Op de tafel lag tevens een weegschaaltje, een zogenaamde grammenweger. Op een koffiefilter op een radiator in de woonkamer lagen brokjes. In de woning werd op meerdere plaatsen wit poeder aangetroffen. Voorts werden er nog twee weegschaaltjes en een zakje poeder aangetroffen. In de keuken van de woning werden een pollepel en een mes aangetroffen, op beide voorwerpen was een witte materie aanwezig. De diverse, in de woning, aangetroffen hoeveelheden poeder en de brokjes, of monsters hiervan, zijn getest. De testen gaven positieve reacties op de aanwezigheid van cocaïne en heroïne. De poederresten aangetroffen op de drie weegschaaltjes en het mes testten positief op de aanwezigheid van cocaïne. In het NFI rapport van 20 december 2013 is bevestigd dat een hoeveelheid poeder, totaal 29,2 gram, cocaïne bevat en dat een hoeveelheid van 0,8 gram heroïne bevat. Een hoeveelheid poeder van in totaal 96,7 gram bevatte coffeïne en paracetamol. bewijsoverwegingen De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. heroïne De verdediging heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van het voorhanden hebben van 0,8 gram heroïne vrijgesproken dient te worden van alle rechtsvervolging, nu een dergelijke geringe hoeveelheid normaliter niet vervolgd/bestraft wordt. De rechtbank overweegt daarover het volgende. In paragraaf 1.3 van de Aanwijzing Opiumwet wordt ingegaan op het vervolgingsbeleid bij zogenoemde gebruikershoeveelheden. Gelet op de bewoordingen van de Aanwijzing Opiumwet gaat het er daarbij niet om wat en hoe er tenlastegelegd wordt, maar wat er bij verdachte wordt aangetroffen. Bij verdachte is op 22 oktober 2013 in totaal veel meer dan een gebruikershoeveelheid harddrugs aangetroffen. Reeds daarom slaagt het verweer niet. Zou het wel gaan om een gebruikershoeveelheid dan is dat nog geen vervolgingsbeletsel volgens de Aanwijzing Opiumwet. Ook bij het aantreffen van een gebruikershoeveelheid, is vervolging, bijvoorbeeld ter ondersteuning van de verdachte door middel van op te leggen hulpverlening mogelijk en dus opportuun. voorbereidingshandelingen De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 3 ten laste gelegde voorwerpen en stoffen, waaronder de versnijdingsmiddelen coffeïne en paracetamol, geschikt en bedoeld zijn voor het bewerken, verwerken en bereiden van verdovende middelen en derhalve beschouwd kunnen worden als voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank acht op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. partiële vrijspraak feit 1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen op 22 oktober 2013 amfetamine aanwezig heeft gehad. Uit het dossier volgt niet dat amfetamine in de woning van verdachte is aangetroffen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde feit. 5De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 22 oktober 2013 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 29,2 gram cocaïne en 0,8 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 3 op 22 oktober 2013 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen - versnijdingsmiddel(en) en - verpakkingsmateriaal en - versnijdingsapparatuur en - een weegschaal voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader(s) wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feiten op. feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 3 medeplegen van het misdrijf: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. 7De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 8De strafoplegging 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: - een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek, waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft bij zijn vordering rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en, gelet op de bepleite vrijspraken, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een voorwaardelijk strafdeel is niet aan de orde, nu verdachte sindsdien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.