RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/661039-15 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 september 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1992] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats] , [adres] raadsman mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 september 2016, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verdachte is in persoon verschenen. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 22 april 2014 tot en met 23 april 2014 in [woonplaats] met [aangeefster] , die toen de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet de leeftijd van 16 jaren had bereikt, ontucht heeft gepleegd, (mede) bestaand hebbend uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezig bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [aangeefster] op of aan het, al dan niet ontblote, lichaam heeft gekust en dat zij aan de penis van verdachte getrokken of gelikt heeft. Verdachte dient hiervan vrijgesproken te worden. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de tenlastegelegde handelingen niet als ontuchtig dienen te worden beschouwd. Er was, aldus de verdediging, sprake van vrijwillig seksueel contact en het leeftijdsverschil tussen verdachte en [aangeefster] is maatschappelijk gezien niet onacceptabel. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen [aangeefster] , geboren op [1998], heeft op 27 april 2014 een informatief gesprek gehad met de recherche van de afdeling Zeden en op 19 mei 2014 aangifte gedaan tegen [verdachte] . Op 22 april 2014 was zij met [A] en [B] in de woning van [verdachte] . In de woning had zij wijn en sterke drank gedronken. [verdachte] probeerde haar de hele tijd te zoenen en deed dat ook. Daarna had zij nog meer sterke drank gedronken en ge-at (de rechtbank begrijpt dat aangeefster hier bedoelt: het in één keer leeg drinken van een glas alcoholhoudende drank). Hoe het verder liep weet zij niet, zij kwam in een donkere ruimte terecht en voelde zijn lul in haar mond. [C] , de moeder van [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 23 april 2014 omstreeks 00.46 uur werd gebeld door [D] . Vlak daarna werd [aangeefster] thuisgebracht. Uit het rapport van het NFI volgt dat in het aan de linkerzijde van de hals van [aangeefster] veiliggestelde sporenmateriaal het DNA van verdachte is aangetroffen. De kans dat het DNA van een ander dan verdachte afkomstig is, is één op één miljard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 22 april 2014 ’s avonds met [aangeefster] , [A] en [B] in zijn woning in [woonplaats] was. In de woning had hij met [aangeefster] gezoend. Daarna waren zij naar zijn slaapkamer gegaan en daar had [aangeefster] hem gepijpt. Bewijsoverwegingen Bij het begrip ontuchtige handelingen als genoemd in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht gaat het om handelingen van seksuele aard die in strijd met de sociaal-ethische norm zijn. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van verdachte en [aangeefster] volgt dat er in de woning van verdachte, voorafgaand aan het tenlastegelegde, door de aanwezigen grote hoeveelheden alcohol zijn gebruikt. Verdachte was destijds 21 jaar en [aangeefster] was 15 jaar. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat er – gelet op de jonge leeftijd van [aangeefster] - sprake is van een niet te verwaarlozen leeftijdsverschil tussen verdachte en [aangeefster] . Verdachte kende [aangeefster] niet en had geen affectieve relatie met [aangeefster] . Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een normaal vrijwillig seksueel contact dat algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Dat er geen sprake was van (enige) dwang, doet daar niet aan af. Het verweer dat er geen sprake is geweest van ontuchtig handelen wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in zijn woning in [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan ontuchtig handelen met de destijds 15-jarige [aangeefster] , bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zich door [aangeefster] te laten pijpen en haar ook te zoenen. 5De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 22 april 2014 tot en met 23 april 2014 te [woonplaats] met [aangeefster] , geboren op [1998] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande uit het (telkens) ontuchtig: - door hem, verdachte, kussen op het lichaam van die [aangeefster] , en - door die [aangeefster] zich heeft laten pijpen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 7De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 8De strafoplegging 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: - een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de schending van de redelijke termijn, het gegeven dat verdachte geen kennis had van de leeftijd van [aangeefster] en de rol van [aangeefster] in het geheel en derhalve toepassing aan artikel 9a Sv te geven. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezen verklaarde feit. Verdachte heeft daarbij de keuze gemaakt om zijn eigen lustgevoelens voorop te stellen. De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een meisje van 15 jaar, terwijl hij zelf 21 jaar was. Verdachte heeft zich door het slachtoffer laten pijpen. De wetgever heeft minderjarigen tegen dit soort seksuele contacten willen beschermen omdat hun beoordelingsvermogen over de gevolgen van dergelijke handelingen niet of onvoldoende is ontwikkeld, maar ook omdat de meerderjarige veelal een overwicht heeft op de minderjarige. Hoewel verdachte zelf ook nog relatief jong was, had hij zich hiervan bewust moeten zijn. Verdachte had dan ook van de seksuele handelingen moeten afzien. Door deze wijze van handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarigen bij hen tot psychische schade kan leiden. Het behoeft geen nader betoog dat kan worden aangenomen dat het slachtoffer een nadelige invloed van de gebeurtenis heeft ondervonden en eventueel nog zal ervaren. De rechtbank overweegt dat het gebleven is bij het zich eenmalig laten pijpen door het slachtoffer en dat er geen verdergaande seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Voorts was [aangeefster] al seksueel actief voorafgaand aan het delict. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van een inbreuk op de lichamelijke integriteit, maar niet van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [aangeefster] . Daarmee is het taakstrafverbod, als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing op het onderhavige feit. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij één keer eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, een verkeersdelict, in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.