RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Lelystad Parketnummer: 16/660380-16 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 8 maart 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Iran), wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . 1HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 22 februari 2017, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht. 2DE TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: Primair hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (de broer van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet - meermalen, althans eenmaal met een hamer, in elk geval met een hard en/of stevig en/of puntig voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of - meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (de broer van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - meermalen, althans eenmaal met een hamer, in elk geval met een hard en/of stevig en/of puntig voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of - meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid. 3DE VOORVRAGEN De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Uit het procesdossier kan immers niet worden opgemaakt met welke kracht verdachte heeft geslagen en op welke wijze hij heeft geslagen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat het waargenomen letsel bij het slachtoffer van levensbedreigende aard was. Het subsidiaire feit kan wel bewezen worden verklaard. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het primair ten laste gelegde Slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 13 november 2016 naar zijn broer, verdachte, te Almere is gegaan. Hij heeft verklaard dat verdachte zo boos op hem werd dat verdachte hem met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen, dit heeft verdachte meerdere keren gedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een hamer heeft gepakt en het slachtoffer daarmee 2 à 3 keer heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat het hem rood voor de ogen werd’. Verbalisanten hebben een snee van circa 10 centimeter waargenomen op het hoofd van het slachtoffer. De hoofwond is gehecht met vijf hechtingen. Uit onderzoek blijkt dat de hamer een gewicht van 798 gram had. Bewijsoverweging Vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer meermalen met een (klauw)hamer op het hoofd heeft geslagen. Het gaat daarbij om een klauwhamer met een gewicht van 798 gram. Naar het oordeel van de rechtbank dient het meermalen slaan met een klauwhamer van dit gewicht op het hoofd te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Door iemand meermalen met een hamer met een gewicht van 798 gram op een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd te slaan wordt de aanmerkelijke kans in het leven geroepen en aanvaard dat een zodanige verwonding optreedt dat de dood het gevolg is. Het opzet van verdachte was derhalve in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer gericht. De omstandigheid dat niet exact is komen vast te staan met welke kracht verdachte heeft geslagen, doet daar niet aan af. Ditzelfde geldt voor wat betreft het feit dat het geconstateerde letsel bij het slachtoffer niet van levensbedreigende aard was. Het is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag immers niet vereist dat er bij het slachtoffer sprake was van levensbedreigend letsel. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte meermalen met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het schoppen of trappen tegen het hoofd, dan wel het lichaam van [slachtoffer] , wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer een knietje tegen het hoofd heeft gegeven, hetgeen niet hetzelfde is als schoppen of trappen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat: hij in de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (de broer van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een hamer, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen. Van het onder primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. 6KWALIFICATIE Het bewezene levert op: Poging tot doodslag. 7STRAFBAARHEID Standpunt verdediging De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uit psychische overmacht en dat daarom ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Kort gezegd komt zijn standpunt erop neer dat bij verdachte sprake was hevige stress, radeloosheid en slaaptekort als gevolg van de problematiek van en met zijn broer. Dit samen met zijn eigen psychiatrische problematiek maakte dat de druk zich gedurende langere tijd heeft opgebouwd totdat deze teveel werd en verdachte het tenlastegelegde feit pleegde. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van psychische overmacht geen sprake is. Verdachte had anders moeten en kunnen reageren. De persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn toegelicht in de psychologische rapportage op grond waarvan verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat van psychische overmacht sprake is in geval van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij spelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol, zij het minder streng dan bij de overmacht als noodtoestand. In het dossier en de persoon van de verdachte vindt de rechtbank aanwijzingen dat bij verdachte sprake was van psychische overmacht. Uit het psychologisch onderzoek volgt dat verdachte sinds 2005 is gediagnosticeerd met schizofrenie en kwetsbaar wordt geacht. Hij kan slecht omgaan met stress en heeft veel tijd nodig om informatie te verwerken. In de aanloop naar het tenlastegelegde feit had verdachte steeds minder energie en depressieve klachten waren duidelijk aanwezig. De cognitieve vermogens die door zijn ziekte al verminderd waren, namen door de toename van depressieve klachten en het slaaptekort verder af als gevolg waarvan de vermogens om zijn agressieve emoties te reguleren eveneens afnamen. Het tenlastegelegde imponeert volgens de psycholoog als een wanhoopsdaad en geadviseerd wordt verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag schat de rapporteur in het algemeen als laag in. Na de diagnose schizofrenie in 2005 is verdachte tot 2014 in behandeling geweest bij [naam instelling 1] in [vestigingsplaats] . Nadien is hij steeds meer zelfstandig gaan wonen. Vanaf 2015 woonde hij volledig op zichzelf. In 2015 zijn de ouders en broer van verdachte naar Iran teruggekeerd. In 2016 kwam de broer van verdachte weer terug naar Nederland. Verdachte bood hem tijdelijk woonruimte aan en hielp hem met het contact met de diverse instanties. Al snel pakte de broer zijn XTC verslaving weer op en begonnen de problemen zich op te stapelen. Aan het dossier is een proces-verbaal van bevindingen toegevoegd van de meldingen bij de politie die verdachte en zijn broer betreffen. Het betreft in totaal negen meldingen verspreid over de maanden september en oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.