vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/431338 / KG ZA 17-41 Vonnis in kort geding van 24 februari 2017 in de zaak van 1. de vereniging [eiseres sub 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. C.I.M. Molenaar te Volendam, tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND, gevestigd en kantoorhoudende te Zeist, gedaagde, advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam. Eisers zullen respectievelijk [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd. Zij zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres sub 1] c.s. Gedaagde zal de KNVB worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de producties van de zijde van [eiseres sub 1] c.s.; de mondelinge behandeling van 9 februari 2017; de pleitnota van [eiseres sub 1] c.s.; de pleitnota van de KNVB. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 25 september 2016 is de competitiewedstrijd [eiseres sub 1] 1 tegen [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld. Gedurende de wedstrijd hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. De wedstrijd eindigde omstreeks 15:45 uur. 2.2. Na afloop van de wedstrijd hebben de spelers en de supporters van beide verenigingen nog wat gedronken in de kantine van [eiseres sub 1] . Enkele minuten na 18:00 uur zijn de laatste zes [naam voetbalvereniging] -spelers/begeleiders (hierna: de [naam voetbalvereniging] -leden) uit de kantine vertrokken. Dit waren de spelers [A] , [B] , [C] en [D] , en de elftalbegeleiders [E] en [F] . Zij liepen buiten de kantine een supporter van [eiseres sub 1] tegen het lijf, die kritiek had op de wijze waarop de [naam voetbalvereniging] -grensrechter [E] had gevlagd. Naderhand opgestelde getuigenverklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden en de [eiseres sub 1] -leden geven verschillende lezingen over de reactie van de [naam voetbalvereniging] -grensrechter. Volgens de [naam voetbalvereniging] -leden legde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter zijn hand op de schouder/ in de nek van de betreffende [eiseres sub 1] -supporter. Volgens getuigen van de kant van [eiseres sub 1] deelde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter aan de supporter een tik uit. De situatie is hierna geëscaleerd en er heeft op het pad voor de uitgang van de kantine een gevecht plaatsgevonden tussen de [naam voetbalvereniging] -leden en een aantal toegesnelde [eiseres sub 1] -leden. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn vervolgens naar de parkeerplaats op ongeveer 250 meter afstand van de kantine gerend. Daar heeft opnieuw een gevecht plaatsgevonden met [eiseres sub 1] -leden die hen hadden achtervolgd. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn uiteindelijk snel in een auto gestapt en weggereden. Twee van de [naam voetbalvereniging] -leden, [A] en [B] , hebben zich later onder doktersbehandeling moeten stellen. Bij [A] is een hersenschudding en een gekneusde kaak geconstateerd. 2.3. Op 27 september 2016 heeft het bestuur van [naam voetbalvereniging] bij de tuchtcommissie van de KNVB een melding gedaan van zinloos en buitensporig geweld dat op 25 september 2016 na de wedstrijd heeft plaatsgevonden. [naam voetbalvereniging] heeft op 28 september 2016 een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en een afschrift van de aangifte van [A] bij de politie aan de KNVB verstrekt. [naam voetbalvereniging] heeft ook verklaringen van [D] , [C] en [B] bijgevoegd, alsmede foto’s van de verwondingen en medische verklaringen van [A] en [B] . [naam voetbalvereniging] heeft nadien nog aangiftes bij de politie van openlijke geweldpleging en mishandeling door [E] en [D] overgelegd en heeft kenbaar gemaakt dat ook [F] aangifte heeft gedaan. 2.4. De tuchtcommissie heeft op basis van de melding van [naam voetbalvereniging] een tuchtzaak aanhangig gemaakt tegen een groot aantal betrokkenen, waaronder [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres sub 1] c.s. een aantal verklaringen van de betrokkenen en van getuigen aan de tuchtcommissie doen toekomen. 2.5. Op 11 oktober 2016 heeft een mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie plaatsgevonden, waar betrokkenen en getuigen van de kant van [naam voetbalvereniging] en [eiseres sub 1] zijn gehoord. 2.6. Op 12 oktober 2016 heeft de tuchtcommissie in de zaken tegen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] uitspraak gedaan, welke uitspraken op 17 oktober 2016 nader zijn gemotiveerd. De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiseres sub 1] bewezen verklaard dat meerdere leden van [eiseres sub 1] zich ter gelegenheid van de wedstrijd [eiseres sub 1] 1- [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld op 25 september 2016 na de wedstrijd onbehoorlijk heeft/hebben gedragen door: - deel te nemen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje en - het slaan van/naar meerdere spelers en een functionaris van [naam voetbalvereniging] en - het trappen van/naar meerdere spelers van [naam voetbalvereniging] . De tuchtcommissie heeft [eiseres sub 1] een straf opgelegd van drie winstpunten in mindering, een boete van € 200,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd tot het einde van het huidige seizoen. 2.7. De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiser sub 2] bewezen verklaard dat hij zich ter gelegenheid van de wedstrijd, na de wedstrijd onbehoorlijk heeft gedragen door: - het slaan van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] ) - het trappen van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] ). De tuchtcommissie heeft niet bewezen geacht dat [eiser sub 2] na de wedstrijd deel heeft genomen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje, hetgeen hem eveneens tenlaste was gelegd. [eiser sub 2] is door de tuchtcommissie een schorsing opgelegd voor de duur van 24 maanden, met als ingangsdatum 12 oktober 2016. Ook aan andere betrokkenen aan de zijde van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] zijn straffen opgelegd. 2.8. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben tegen de uitspraken van de tuchtcommissie beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB). Zij hebben de CvB daarbij verzocht de zaak mondeling te behandelen. De CvB heeft dit verzoek echter afgewezen. 2.9. De CvB heeft op 23 november 2016 uitspraak gedaan. De CvB is ten aanzien van [eiseres sub 1] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie en heeft een hogere straf opgelegd, te weten 5 winstpunten in mindering, een boete van € 300,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd die loopt tot het einde van het huidige seizoen. 2.10. De CvB is ook ten aanzien van [eiser sub 2] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie. Zij heeft de opgelegde schorsing verkort tot 18 maanden met als ingangsdatum 12 oktober 2016. 3Het geschil 3.1. [eiseres sub 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraken van de tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 inzake [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] te schorsen en de KNVB te bevelen om [eiser sub 2] als speler toe te laten en toegelaten te houden tot de voetbalcompetitie 2016/2017 en te bepalen dat de schorsing zal gelden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vernietiging van de beide uitspraken, met de bepaling dat de dagvaarding in die bodemprocedure binnen een termijn van zes weken na dit vonnis dient te worden uitgebracht, met veroordeling van de KNVB in de kosten van deze procedure en de nakosten. 3.2. KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden. 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de KNVB haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de tuchtcommissie en de CvB. De uitspraken van die commissie betreffen daarmee besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, zodat de nietigheid en/of vernietigbaarheid van deze uitspraken getoetst dienen te worden aan de in de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 BW opgenomen criteria. 4.3. [eiseres sub 1] c.s. stelt zich ter onderbouwing van haar vordering op het standpunt dat de uitspraken van de tuchtcommissie en de CvB vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, en op grond van artikel 2:15 lid 1 onder c BW wegens strijd met reglementaire bepalingen van de KNVB. Toepasselijkheid KNVB-tuchtrecht 4.4. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of het tuchtrecht van de KNVB van toepassing is op het incident van 25 september 2016 (hierna: het incident) en in het bijzonder over de vraag of het incident nog wel voldoende samenhang heeft met de gespeelde voetbalwedstrijd. 4.5. [eiseres sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat het incident meer dan 2 uur en een kwartier plaatsvond na afloop van de wedstrijd en de scheidsrechter al naar huis was. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zijn het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal en de Handleiding Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal alleen bedoeld voor overtredingen die plaatsvinden in en rond een wedstrijd en door een onafhankelijke KNVB-official kunnen worden waargenomen. Daarvan was in dit geval geen sprake. 4.6. De KNVB acht wel voldoende samenhang tussen het incident en de voetbalwedstrijd aanwezig. Zij wijst er daarbij op dat het incident voortvloeide uit handelingen van de assistent-scheidsrechter tijdens de betreffende wedstrijd en dat het incident bovendien op het sportpark van [eiseres sub 1] heeft plaatsgevonden. 4.7. In artikel 2 lid 2 sub b van het Algemeen Reglement is - kort samengevat - bepaald dat ieder lid verplicht is zich ter gelegenheid van een voetbalwedstrijd hetzij voor, hetzij gedurende, hetzij na de wedstrijd behoorlijk te gedragen en zonodig mee te helpen bij het handhaven van de orde. 4.8. In artikel 17 van het Regelement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (hierna: RTA) is bepaald dat de Tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van overtredingen, die voor, tijdens, na of in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitie- beker- of reeks wedstrijden zijn begaan. 4.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het incident en de gespeelde wedstrijd en dat sprake is van een overtreding die na en in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitiewedstrijd is begaan, zoals bedoeld in artikel 17 RTA. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vaststaat dat de spelers van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] na de wedstrijd in de kantine van [eiseres sub 1] hebben geborreld (in voetbalkringen ook wel bekend als de zogenaamde ‘derde helft’) en dat het incident direct aansluitend aan het borrelen heeft plaatsgevonden op het terrein van [eiseres sub 1] . De voorzieningenrechter acht het verder op grond van de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden, voldoende aannemelijk dat de aanleiding voor het incident was gelegen in een (door de supporters van de betrokken teams verschillen geïnterpreteerde) interactie tussen de grensrechter van [naam voetbalvereniging] en een supporter van [eiseres sub 1] en dat deze interactie verband hield met de gespeelde wedstrijd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het KNVB-tuchtrecht op het incident van toepassing is. Het aanhangig maken van de tuchtzaak 4.10. [eiseres sub 1] c.s. stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overtreding niet op de juiste wijze op grond van artikel 43 lid 1 RTA bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is geweest van een aantekening op het wedstrijdformulier door de scheidsrechter, zodat de situatie als bedoeld in artikel 43 lid 1 sub a tot en met c zich niet voordoet. Er is ook geen sprake geweest van een schriftelijke aangifte door de scheidsrechter of door een orgaan, commissie of lid van de KNVB, zoals bedoeld in artikel 43 lid 1 sub d en e RTA. Ten aanzien van artikel 43 lid 1 sub f RTA stelt [eiseres sub 1] c.s. zich op het standpunt dat met dit artikelonderdeel is beoogd om de tuchtcommissies van de KNVB in staat te stellen om in een reeds bij haar aanhangige zaak een nieuwe zaak (tenlastelegging) aanhangig te kunnen maken indien zij daartoe in de stukken of verklaringen voldoende aanleiding ziet. Dat valt volgens [eiseres sub 1] c.s. ook af te leiden uit artikel 46 lid 2 TRA. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat ook deze situatie zich niet voordoet. 4.11. De KNVB stelt dat de overtreding op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA en artikel 46 RTA op de juiste wijze bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Volgens de KNVB geven deze artikelen de tuchtcommissie een autonome bevoegdheid om een tuchtzaak aanhangig te maken op basis van informatie die haar ter kennis is gekomen, hetzij via een aangifte, hetzij op andere wijze. 4.12. Op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA wordt een overtreding aanhangig gemaakt bij de tuchtcommissie door een beslissing van de tuchtcommissie, wanneer het een overtreding van een wedstrijdbepaling waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden, een overtreding van de Statuten, de reglementen en of gepubliceerde bestuursbesluiten betreft. 4.13. In artikel 46 RTA - Aanhangig maken door een beslissing van de tuchtcommissie - is verder het volgende bepaald. 1. De tuchtcommissie kan een overtreding aanhangig maken door een daartoe strekkende beslissing wanneer bij haar een redelijk vermoeden ontstaat, dat een overtreding heeft plaatsgevonden, van: a. de wedstrijdbepalingen waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden; of b. Statuten, reglementen en besluiten van organen anders dan de wedstrijdbepalingen. 2. Als tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat betrokkene strafbaar kan worden geacht aan een andere dan de aanhangig gemaakte overtreding, kan dit aan betrokkene mondeling worden aangezegd. 4.14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de formulering van artikel 43 lid 1 sub f RTA niet worden afgeleid dat de toepassing van dit artikelonderdeel is beperkt tot de situatie waarin al een andere zaak bij de tuchtcommissie aanhangig is. Dit volgt ook niet uit het bepaalde in artikel 46 lid 1 RTA. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 46 geeft geen reden voor een ander oordeel. Dit artikellid geeft, voorshands oordelend, slechts een aanvullende regeling voor de bijzondere situatie dat tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat de betrokkene strafbaar kan worden geacht aan nog een andere overtreding. In dat geval kan de beslissing van de tuchtcommissie om ook deze overtreding aanhangig te maken, mondeling aan de betrokkene worden aangezegd. Dat dit een bijzondere regeling is, die geen afbreuk doet aan de algemene regeling als verwoord in het eerste lid van artikel 46, volgt ook uit het bepaalde in artikel 49, eerste lid aanhef en onder b. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kon de tuchtcommissie de overtreding in dit geval dan ook zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA aanhangig maken. 4.15. [eiseres sub 1] c.s. klaagt er daarnaast over dat [H] (hierna: [H] ), als Medewerkster Excessen werkzaam bij de arbeidsorganisatie van de KNVB, in haar e-mail van 29 september 2016 om 15:23 uur aan [eiseres sub 1] ten onrechte namens de tuchtcommissie heeft geschreven dat de tuchtcommissie op basis van de schriftelijke verklaringen van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat na deze wedstrijd één of meer excessieve overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.