vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Vonnis van 1 februari 2017 in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5238534 / MC EXPL 16-8002 van 1 [eiser sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiser sub 1] ,2. [eiser sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiser sub 2] ,eisers in conventie,verweerders in reconventie, hierna te zamen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,gemachtigde mr. C. Waanders, tegen [gedaagde] ,(mede) h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1] ,wonende te [woonplaats] ,gedaagde in conventie,eiser in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,gemachtigde mr. R.E.J.W. van den Berg. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie het tussenvonnis van 12 oktober 2016 het proces-verbaal van comparitie van 29 december 2016 de brief van 4 januari 2017 aan de zijde van [eiser sub 1] c.s.. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Tussen partijen is naar aanleiding van een door [gedaagde] opgestelde offerte van 24 oktober 2015 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten inhoudende waarbij [gedaagde] zich heeft verplicht tot het leggen van straatwerk, het aanbrengen van ardenne split en het plaatsen van een schuur in de tuin van [eiser sub 1] c.s. voor een prijs van € 6.183,32, later bijgesteld naar € 5.200,00 inclusief BTW. 2.2. Door [gedaagde] zijn aan [eiser sub 1] c.s. de volgende facturen gezonden: - aanbetalingsfactuur van 11 november 2015 € 5.000,00 inclusief BTW - factuur van 28 december 2015 € 2.135,00 inclusief BTW - factuur van 11 januari 2016 € 1.700,00 inclusief BTW - factuur van 31 januari 2016 € 947,75 inclusief BTW - factuur van 29 februari 2016 € 440,00 2.3. Bij brief van 8 april 2016 heeft [eiser sub 1] c.s. [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd de overeengekomen werkzaamheden binnen 14 dagen na dagtekening alsnog uit te voeren bij gebreke waarvan [gedaagde] in verzuim is gesteld. 2.4. Bij brief van 18 mei 2016 van de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. is de buitengerechtelijke (partiele) ontbinding ingeroepen: “(..) Inmiddels is de gestelde fatale termijn verstreken en bent u —ondanks aandringen van cliënt en telefonische toezeggingen aan cliënt- de overeengekomen afspraken nog steeds niet nagekomen. Cliënt heeft geenszins een telefonische of schriftelijke reactie ontvangen naar aanleiding van de ingebrekestelling met de reden waarom u de overeenkomst niet nakomt. Daar geen sprake is van overmacht —dat is althans niet gesteld- is dit onaanvaardbaar. Hieruit volgt dat de overeenkomst tussen u en cliënt middels dit schrijven –hetzij gedeeltelijk- is ontbonden. Het gedeelte dat hierbij is ontbonden, bestaat uit hetgeen conform de offerte ( […] ) is overeengekomen en waarvan de werkzaamheden en/of leveringen d.d. 09-05-2016 aan cliënt nog niet zijn geschied. Het omvat globaal het leveren en leggen van de bestrating en het leveren en leggen van het split zoals beschreven in de offerte. Client maakt aanspraak op terugbetaling van hetgeen reeds door hem is voldaan ter zake voornoemde werkzaamheden. Het betreft een bedrag van € 3.744,36.(..)” 2.5. Bij e-mail van 21 september 2016 deelt [bedrijfsnaam 2] vof, de tegelleverancier het volgende aan [eiser sub 1] c.s. mede: “(..) Wij hebben geen order staan waarbij dit uitgeleverd moet gaan worden en er is ook geen betaling van de heer [gedaagde] aan ons hiervoor gedaan. Het is wel zo dat in het verleden Heer [gedaagde] een prijsopgaaf heeft gedaan voor dit product mondeling of telefonisch dat weet ik niet meer, maar verder hebben wij geen opdracht hiervoor gehad en wij kunnen ook niet bevestigen dat het voor U als prijsopgaaf is geweest.(..)” 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert samengevat – te verklaren voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze alsnog te ontbinden; veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.727,68, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [eiser sub 1] c.s. stelt daartoe dat [gedaagde] jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de tussen partijen geldende overeenkomst van aanneming van werk. [gedaagde] heeft verzuimd, na sommatie en ingebrekestelling, over te gaan tot het leveren en leggen van de bestrating en het leveren en leggen van het split in de tuin van [eiser sub 1] c.s. zoals beschreven in de offerte. [eiser sub 1] c.s. heeft de buitengerechtelijke (partiele) ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. [eiser sub 1] c.s. heeft aan [gedaagde] een totaalbedrag voldaan van € 9.482,75 (inclusief meerwerk voor een bedrag van € 1.317,90). [eiser sub 1] heeft een bedrag van € 3.744,36 teveel betaald (niet geleverd werk) en maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag. Daarnaast maakt [eiser sub 1] c.s. aanspraak op betaling van de bedongen korting op de oorspronkelijke offerte voor een bedrag van € 983,32. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met [eiser sub 1] c.s. gesloten overeenkomst. De overeenkomst is eenzijdig en onterecht gedeeltelijk ontbonden. [eiser sub 1] c.s. was zelf in verzuim door een tweetal facturen, te weten die van 11 januari 2016 voor een bedrag van € 1.700,00 en die van 29 februari 2016 voor een bedrag van € 440,00, onbetaald te laten. De daaraan ten grondslag gelegen werkzaamheden zijn door [gedaagde] uitgevoerd, zodat sprake is van schuldeisersverzuim. [gedaagde] erkent dat het straatwerk en het split nog geleverd en aangebracht moest worden, maar de vertraging kan hem niet worden toegerekend omdat hij in maart 2016 is geopereerd en daarvan ook mededeling heeft gedaan aan [eiser sub 1] c.s., terwijl de levering van de tegels is uitgebleven, omdat deze partij wegens haarscheurtjes was afgekeurd. [gedaagde] was bereid om het werk alsnog af te maken. Het werk dat nog niet is uitgevoerd, inclusief materiaal, vertegenwoordigt een bedrag van 2.109,50 inclusief BTW. Voor zover al op [gedaagde] enige terugbetalingsverplichting rust dient dat te worden verrekend met de nog openstaande facturen van in totaal € 2.140,00. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiser sub 1] c.s. tot betaling van € 2.166,19, vermeerderd met rente en kosten. 3.6. Ter onderbouwing van die vordering stelt [gedaagde] dat [eiser sub 1] c.s. jegens [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst, door de factuur d.d. 11 januari 2016 en 29 februari 2016 voor een bedrag van € 2.140,00, ondanks sommaties, onbetaald te laten. Daarnaast maakt [gedaagde] aanspraak op de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen. 3.7. [eiser sub 1] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.8. [eiser sub 1] c.s. baseert zijn verweer - kort weergegeven - op het volgende. De factuur van 11 januari 2016 is contant betaald met dien verstande dat is afgesproken dat door de contante betaling een korting is verstrekt van € 300,00, zodat € 1.400,00 is voldaan. De factuur van € 440,00 is niet voldaan, omdat de juistheid daarvan wordt betwist. De gefactureerde werkzaamheden zijn reeds opgenomen in de offerte en kunnen niet nog eens afzonderlijk in rekening worden gebracht. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De kantonrechter oordeelt als volgt. 4.2. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de offerte van 24 oktober 2015, mondeling aangepast tot een bedrag van € 5.200,00, ten behoeve van [eiser sub 1] c.s. werkzaamheden verricht. Op die offerte is een eerste aanbetaling verricht door [eiser sub 1] c.s. van € 5.000,00. Naast werkzaamheden benoemd in de offerte heeft [gedaagde] meerwerk uitgevoerd en daarvoor afzonderlijke facturen gezonden. [eiser sub 1] c.s. stelt dat hij in totaal een bedrag van € 9.482,75 heeft betaald. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 1] c.s. een bedrag van € 8.082,75 heeft ontvangen. Vaststaat dat de factuur van 29 februari 2016 voor een bedrag van 440,00 onbetaald is gebleven. [gedaagde] stelt verder dat ook de factuur van 11 januari 2016 voor een bedrag van € 1.700,00 onbetaald is gebleven, terwijl [eiser sub 1] c.s. stelt die factuur in overleg met [gedaagde] op 21 januari 2016 met een korting van € 300,00, dus voor een bedrag van € 1.400,00, contant te hebben voldaan. [eiser sub 1] c.s. wijst daarvoor naar bankafschriften gedateerd 21 januari 2016, waaruit blijkt dat [eiser sub 1] c.s. een bedrag van € 1.400,00 van zijn bankrekening heeft opgenomen. 4.3. Vast staat verder dat de werkzaamheden door [gedaagde] niet zijn afgerond. De vraag die voorligt is of [gedaagde] in verzuim is geraakt. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Weliswaar is in de offerte van 25 oktober 2015 geen opleverdatum overeengekomen, maar uit de door partijen geproduceerde stukken blijkt genoegzaam dat [eiser sub 1] c.s. steeds heeft aangedrongen op afronding van de werkzaamheden. Gelet op het feit dat de werkzaamheden een aanvang hebben genomen in december 2015 en de laatste factuur is gedateerd op 29 februari 2016 moet in redelijkheid worden aangenomen dat de werkzaamheden kort nadien volledig zouden worden uitgevoerd. Onweersproken is dat daarover nadien nog veelvuldig telefonisch contact is geweest. Uiteindelijk heeft [eiser sub 1] c.s. bij brief van 8 april 2016 [gedaagde] in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld om de werkzaamheden (het leggen van de bestrating en het split) binnen 14 dagen na dagtekening af te ronden. Onweersproken is voorts dat [gedaagde] in het telefoongesprek van 25 april 2016 heeft toegezegd de werkzaamheden die week op 28 april 2016 te gaan uit voeren. Vervolgens heeft [eiser sub 1] c.s., nadat geen aanvang is genomen met de verdere werkzaamheden, bij brief van 18 mei 2016 de overeenkomst (partieel) ontbonden. Het standpunt van [gedaagde] dat hij niet kon leveren, omdat de partij bestelde tegels haarscheurtjes vertoonde en derhalve was afgekeurd, is niet geloofwaardig en zelfs leugenachtig. Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter [gedaagde] opgedragen bewijsstukken te overleggen van de bestelde tegels bij [bedrijfsnaam 2] , alsmede gegevens waaruit de afkeuring van de tegels blijkt. [gedaagde] heeft geen stukken ter zake overgelegd. Daarentegen heeft [eiser sub 1] c.s. een schriftelijke verklaring in het geding gebracht van [bedrijfsnaam 2] waaruit moet worden afgeleid dat [gedaagde] in het geheel geen tegels heeft besteld. Bovendien heeft [gedaagde] zijn verweer dat hij niet in verzuim was ter comparitie laten varen. Zijn gemachtigde heeft immers verklaard dat [gedaagde] niet in staat was de kwestie op een goede manier af te ronden en dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. Het verweer van [gedaagde] dat sprake is van schuldeisersverzuim, door het onbetaald laten van facturen, vindt bovendien ook zijn weerlegging in hetgeen hieronder terzake wordt overwogen. Dit betekent dat [eiser sub 1] c.s. terecht de (partiele)ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen bij brief van 18 mei 2016. 4.4. [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] hanteren voor het geval van ontbinding beiden een afrekening die erop neerkomt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.