RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/660612-16 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 april 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1984] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: heeft geprobeerd iemand geld en sigaretten af te persen door bedreiging met geweld; Feit 2a: heeft geprobeerd twee personen geld af te persen door bedreiging met geweld; Feit 2b: sigaretten heeft gestolen voorafgegaan van bedreiging met geweld. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren en baseert zich op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich wat de feiten betreft aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Aangezien verdachte de ten laste gelegde feiten, voor zover de rechtbank deze bewezen acht, heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting; Proces-verbaal van het 2e verhoor verdachte ; Proces-verbaal van aangifte ; Proces-verbaal van verhoor benadeelde ; Proces-verbaal van aangifte ; Proces-verbaal van verhoor benadeelde ; Proces-verbaal van sporenonderzoek; Proces-verbaal van bevindingen . De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Feit 1: op 24 december 2016 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , (- nadat hij had getracht sigaretten te betalen met een gescheurd biljet van tien euro, dat niet werd geaccepteerd) - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan die [slachtoffer 4] en - tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd "nu is het serieus, dit is een overval, jullie willen mijn tientje niet aannemen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en - heeft gevraagd hoe hij nu aan sigaretten moest komen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; Feit 2a: op 24 december 2016 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan die [slachtoffer 2] en daarbij gezegd "ik kom je overvallen, ik wil het geld uit de la" en "als er een man bij komt, dan ga ik geweld gebruiken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en - ( vervolgens, toen [slachtoffer 1] erbij werd gehaald) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "dit is een overval en ik wil geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij hij zijn hand in zijn jaszak stak en te kennen gaf dat daar een wapen in zat, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; en Feit 2b: op 24 december 2016 te Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte, nadat die pakjes sigaretten door [slachtoffer 2] op de balie waren gelegd, in de veronderstelling dat verdachte hiervoor zou betalen, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de balie heeft gelegd en heeft getoond aan die [slachtoffer 2] , waarna hij de pakjes sigaretten heeft meegenomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als Feit 1: poging afpersing Feit 2a: poging afpersing, meermalen gepleegd Feit 2b: diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en onder het stellen van bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies, met dien verstande dat het locatieverbod wordt begrensd tot het werkterrein van [bedrijfsnaam 2] respectievelijk een straal van 100 meter rondom de [bedrijfsnaam 1] aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] . 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit om in strafverminderende zin rekening te houden met de atypische werkwijze van verdachte bij de gepleegde (pogingen tot) overvallen, en met de omstandigheid dat deze pogingen in meerdere opzichten in elkaars verlengde liggen en daarom eigenlijk als een feit kunnen worden beschouwd. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee afpersingspogingen en aan diefstal, alle onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend veerdrukpistool. Door zijn handelen heeft de verdachte ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de integriteit van een ander en slechts eigen behoeftebevrediging na te jagen. Verdachte heeft de slachtoffers leed toegebracht, zo blijkt ook uit de ingediende vorderingen tot schadevergoeding. De rechtbank acht dit handelen zeer kwalijk en neemt bij de bepaling van de strafmaat de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking. Deze oriëntatiepunten vermelden als uitgangspunt voor de overval van een winkel/benzinestation onder bedreiging van geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar. Wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met een over hem uitgebracht reclasseringsadvies van maart 2017 en een psychologisch onderzoek van 7 maart 2017. Uit deze rapporten blijkt dat bij verdachte sprake is van zowel verslaving aan alcohol en cocaïne als een gediagnosticeerde antisociale persoonlijkheidsstoornis. De GZ-psycholoog verbindt hieraan de conclusie dat verdachte niet in staat lijkt te zijn emoties op een andere manier te reguleren dan door agressie. Geadviseerd wordt om verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank komt echter tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, vanwege de -voor het soort misdrijf- atypische handelwijze van verdachte en zijn daarmee samenhangende persoonlijkheid en problematiek. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De behandeling van de vorderingen van respectievelijk [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en van [bedrijfsnaam 1] B.V., levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor bewezen geachte feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De rechtbank merkt daarbij op dat, zoals ook niet is betwist, uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de eerste poging afpersing is gepleegd jegens zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 3] . Zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 3] hebben ten aanzien van de geleden immateriële schade een bedrag gevorderd ter hoogte van € 1.050,-. De rechtbank heeft dit bedrag gematigd tot €750,- Daarbij is aansluiting gezocht bij wat doorgaans in dit soort zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. In totaal waardeert de rechtbank de schade voor [slachtoffer 3] op € 786,- (zevenhonderd en zesentachtig euro), te weten € 750,- aan immateriële schade en € 36,- aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank waardeert de schade voor [slachtoffer 4] op € 758,20 (zevenhonderd en achtenvijftig euro en twintig eurocent), te weten € 750,- aan immateriële schade en € 8,20 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Aan de bij de tweede poging afpersing betrokken werknemer is professionele nazorg verleend, voor de vergoeding waarvan de [bedrijfsnaam 1] , als werkgever, is aangesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is hierin een voldoende rechtstreeks verband gelegen met het betreffende feit, zodat de [bedrijfsnaam 1] gerechtigd was tot de indiening van een vordering ter zake. De rechtbank waardeert deze voor [bedrijfsnaam 1] B.V. op € 503,50 (vijfhonderd en drie euro en vijftig eurocent) aan materiële schade, exclusief de voor de belastingaangifte aftrekbare btw. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. In het belang van voornoemde benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd, alles eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Behandeling van het restant van de respectieve vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zijn de benadeelde partijen in dat deel van hun vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partijen kunnen de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 312, 317, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Feit 1: poging afpersing Feit 2a: poging afpersing, meermalen gepleegd Feit 2b: diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, te weten 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.