RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 5582250 UE VERZ 16-730 GLK/1126 Beschikking van 12 april 2017 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [verzoeker] , verzoekende partij, gemachtigde: mr. R.J. Sturkenboom, tegen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [gedaagde sub 1] , 2. de vennootschap naar buitenlands recht Zurich Insurance Public Limited Company, gevestigd te Den Haag, verder ook te noemen Zurich, verwerende partijen, gemachtigde: mr. J. Streefkerk. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingekomen op 30 november 2016; het verweerschrift; de akte productie van [verzoeker] van 22 februari 2017; de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 23 februari 2017;- de pleitnota van [verzoeker] . 1.2. Hierna is uitspraak bepaald. 2De feiten 2.1. [verzoeker] was als servicemonteur in dienst bij [gedaagde sub 1] . Hij verrichtte zijn werkzaamheden in een nevenvestiging van [gedaagde sub 1] in [vestigingsplaats] . 2.2. Op 31 oktober 2012 heeft [verzoeker] bij de uitoefening van zijn werkzaamheden ernstige brandwonden opgelopen aan zijn linkerhand en -onderarm. Hij was op dat moment bezig met het demonteren en reinigen van een zogenoemde wormkast van een hydraulische kraan. Na gedeeltelijke demontage had hij de wormkast handmatig gereinigd in een ontvetbak en daarbij de reinigingsvloeistof Ecosol 60A (hierna ook: Ecosol) gebruikt. Nadat hij de wormkast had droog geblazen wilde hij de wormkast verder demonteren. Omdat dit niet op de gebruikelijke wijze lukte, heeft [verzoeker] , na overleg met de werkplaatschef, de wormkast vastgezet om te proberen met een handslijpmachine de naaf van de wormkast los te krijgen. Tijdens het slijpen is brand ontstaan en heeft [verzoeker] brandwonden opgelopen. 2.3. De Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onderzoek gedaan naar de omstandigheden waaronder het ongeval van 31 oktober 2012 heeft plaatsgevonden. In het boeterapport van de Inspectie SZW van 26 februari 2013 is onder meer het volgende opgenomen: De precieze omstandigheden rondom het ongeval zijn echter niet meer te achterhalen. Wel is met zekerheid te stellen dat ten tijde van het ongeval de drie factoren die een rol spelen bij het ontstaan van brand, in de juiste verhouding, aanwezig moeten zijn geweest, anders had de linkermouw van het slachtoffer dan wel de damp rondom de mouw niet vlamgevat. Deze drie factoren zijn een brandbare stof / brandstof, zuurstof en hitte / voldoende hoge ontbrandingstemperatuur / ontstekingsenergie. De brandbare stof / brandstof is zeer waarschijnlijk de reinigingsvloeistof Ecosol 60A geweest, waarmee het slachtoffer reinigingswerkzaamheden had uitgevoerd. Deze vloeistof zat waarschijnlijk in of op de linkermouw, dan wel hing als vloeistofdamp rondom die mouw. Ecosol 60A heeft een hoog vlampunt van > 60˚C. Op bladzijde 2 van het productinformatieblad van Ecosol 60A staat bij ‘Opmerkingen’ genoemd “ verwijderd houden van ontstekingsbronnen en vervuiling vormt een kritisch punt en dient onder voortdurende controle te staan ”. In het productinformatieblad staat verder niet genoemd en uitgewerkt wat er onder vervuiling wordt verstaan, wat er moet worden gecontroleerd en op welke termijn en wijze controle plaats moet vinden. Het slachtoffer had zelf ongeveer 4 maanden voor zijn ongeval de 200 liter reinigingsvloeistof Ecosol 60A vervangen voor nieuwe vloeistof. Het bedrijf vervangt jaarlijks de reinigingsvloeistof. Gezien het feit dat de resten stof van de door het slachtoffer gedragen overall en trui, relatief onbeschadigd zijn en in ieder geval niet door het vuur verteerd zijn, is de optie van het vlam vatten van de damp rondom de mouw van het slachtoffer, het meest aannemelijk. (…) De 2e factor, zuurstof, is aanwezig in de lucht die wij inademen. Met betrekking tot de 3e factor, hitte, voldoende hoge ontbrandingstemperatuur en/of ontstekingsenergie, kan het volgende worden gesteld. Door uitsluiting van andere ontstekingsbronnen, t.w. een brandende sigaret, aansteker in de overall van de heer [verzoeker] en de door hem gebruikte handslijpmachine, blijven statische elektriciteit en/of hete metaaldeeltjes die vrij kwamen tijdens de slijpwerkzaamheden van het slachtoffer en/of de vonkenregen die ontstaat tijdens die werkzaamheden, over als de meest waarschijnlijke ontstekingsbronnen. 2.4. Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft de Inspectie SZW aan [gedaagde sub 1] een boete opgelegd van € 9.000,00 vanwege overtreding van artikel 4.6 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit). In dit artikel is bepaald dat een werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan, onder meer indien zij in alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen zodanige maatregelen heeft getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen of met betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. 2.5. [gedaagde sub 1] heeft bezwaar aangetekend tegen het besluit van 20 augustus 2013. Bij besluit van 17 december 2013 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 20 augustus 2013 ingetrokken. In deze beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen: Ik constateer dat de toedracht niet zodanig duidelijk is, dat vastgesteld kan worden dat er sprake is van een overtreding van artikel 4.6, eerste lid Arbobesluit. Het opleggen van een boete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast met betrekking tot het vaststellen van de overtreding bij het bestuursorgaan ligt. Niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde sub 1] onvoldoende maatregelen heeft getroffen en dat het gevaar niet zoveel mogelijk is vermeden. Hierbij speelt een rol dat voor veel door de inspectie betrokken instanties onbekend was dat een dergelijk voorval zou kunnen plaatsvinden, mede gelet op het feit dat de stof een zeer hoog vlampunt heeft. Ik constateer dat onvoldoende vast is komen te staan dat sprake is van een toerekenbare overtreding. De boete wordt derhalve herroepen. 2.6. Zurich is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] . 3Het deelgeschil 3.1. [verzoeker] verzoekt om:I. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval van 31 oktober 2012; II. [gedaagde sub 1] en Zurich hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na de datum van de beschikking via de bankrekening van zijn gemachtigde een bedrag aan hem te betalen van € 7.500,00 als voorschot op de aan hem toekomende immateriële schadevergoeding; III. [gedaagde sub 1] en Zurich hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na de datum van de beschikking via de bankrekening van zijn gemachtigde een bedrag aan hem te betalen van € 5.918,58 inzake de buitengerechtelijke kosten; IV. de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 6.107,22 inclusief € 79,00 griffierecht en btw en [gedaagde sub 1] en Zurich hoofdelijk te veroordelen om dit bedrag binnen twee weken na de datum van de beschikking via de bankrekening van zijn gemachtigde aan hem te betalen. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [gedaagde sub 1] op grond van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de schade die hij door het bedrijfsongeval van 31 oktober 2012 lijdt. [verzoeker] stelt dat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht als bedoeld in lid 1 van dat artikel niet is nagekomen. 3.3. [gedaagde sub 1] en Zurich concluderen tot afwijzing van het verzoek. Primair betogen zij dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij ten onrechte het gehele geschil tussen partijen heeft voorgelegd aan de kantonrechter. Subsidiair betwisten zij dat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW niet is nagekomen. [gedaagde sub 1] heeft de maatregelen getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer tijdens zijn werk schade lijdt. Indien [gedaagde sub 1] haar zorgplicht wel zou hebben geschonden dan is zij alsnog niet aansprakelijk, omdat ook bij naleving van de zorgplicht het ongeval niet zou zijn voorkomen. [gedaagde sub 1] en Zurich wijzen in dit verband op de beslissing op bezwaar van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2013. Uit dit besluit blijkt dat de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan en dat de aan de orde zijnde risico’s onbekend waren, zodat het voor [gedaagde sub 1] niet mogelijk was om maatregelen te treffen. Verder betogen zij dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 6:89 BW. [verzoeker] heeft [gedaagde sub 1] namelijk pas op 30 april 2015 – ruim 2,5 jaar na het ongeval – aansprakelijk gesteld voor de schade. Op dat moment was de bedrijfslocatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden al verkocht aan een derde. Door dit tijdsverloop is [gedaagde sub 1] in haar bewijspositie aangetast, waardoor zij in haar belangen is geschaad. Het eventuele vorderingsrecht van [verzoeker] is dan ook komen te vervallen, aldus [gedaagde sub 1] en Zurich. Voor het geval [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] , betogen zij dat de immateriële schade op dit moment nog niet is te begroten, omdat er nog geen medische eindtoestand is bereikt. Op basis van de beschikbare informatie over het letsel van [verzoeker] en relevante informatie uit de Smartengeldgids achten zij een immateriële schadevergoeding van € 4.000,00 redelijk. 4De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1. De kantonrechter volgt [gedaagde sub 1] en Zurich niet in hun betoog dat [verzoeker] het gehele geschil tussen partijen heeft voorgelegd en daarom niet-ontvankelijk is in dit deelgeschil. Immers, [verzoeker] heeft, naast de verklaring over de aansprakelijkheid, verzocht om betaling van een voorschot op zijn immateriële schade. Hij heeft niet verzocht om definitieve vaststelling van de immateriële schade en evenmin heeft hij verzocht om vaststelling van de materiële schade. [verzoeker] heeft, in overeenstemming met artikel 1019w lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), een deel van het geschil voorgelegd, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Klachtplicht 4.2. Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze klachtplicht ook van toepassing is op situaties waarin personenschade is ontstaan tijdens werkzaamheden waarop een arbeidsovereenkomst van toepassing is. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4600) immers overwogen dat dit artikel van toepassing is op “alle verbintenissen”. Het betoog van [verzoeker] dat dit artikel slechts van toepassing is op verbintenissen tot het geven van zaken of tot het verrichten van diensten gaat gelet hierop niet op. 4.3. In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad verder overwogen dat bij beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij is ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie. 4.4. De kantonrechter constateert dat [verzoeker] lang heeft gewacht met het aansprakelijk stellen van [gedaagde sub 1] voor zijn schade door het bedrijfsongeval. Het bedrijfsongeval dateert van 31 oktober 2012 en eerst bij brief van 30 april 2015 – 2,5 jaar later – heeft hij [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld voor de daaruit voort vloeiende schade. [gedaagde sub 1] en Zurich hebben gesteld dat zij nadeel hebben ondervonden door dit tijdsverloop, omdat hun bewijspositie hierdoor is aangetast. De kantonrechter is van oordeel dat zij echter onvoldoende hebben onderbouwd waaruit deze aantasting van hun bewijspositie bestaat. De enkele stelling dat de betreffende bedrijfslocatie ten tijde van de aansprakelijkheidsstelling was verkocht aan een derde is hiervoor onvoldoende. Immers, uit de stukken blijkt dat de Inspectie SZW op 7 november 2012 op de betreffende bedrijfslocatie van [gedaagde sub 1] onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden waaronder het bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden. In de periode november 2012 – januari 2013 heeft de Inspectie SZW dit onderzoek voortgezet. Vervolgens heeft de Inspectie SZW aan de hand van dit onderzoek op 26 februari 2013 een boeterapport opgesteld. In dit boeterapport zijn de feiten en omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden uiteengezet. Niet is gebleken dat er daarnaast andere relevante feiten of omstandigheden zijn en dat deze na de aansprakelijkheidsstelling door [verzoeker] door het tijdsverloop niet meer achterhaald kunnen worden. Na afweging van de belangen van [verzoeker] en [gedaagde sub 1] is de kantonrechter dan ook van oordeel dat [verzoeker] tijdig heeft geklaagd. Artikel 6:89 BW staat dus niet in de weg aan de aansprakelijkheidsstelling van [gedaagde sub 1] door [verzoeker] . Aansprakelijkheid 4.5. De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 7:658 lid 2 BW ten aanzien van de stelplicht en de bewijslastverdeling het volgende geldt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.