beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Beschikking van 26 april 2017 ex artikel 96 Rv in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 5787496 / MC FORM 17-2862 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidNOORDERBREEDTE B.V.,gevestigd te Leeuwarden,verzoekster, hierna ook te noemen: Noorderbreedte,gemachtigde mr. A.J.H. Geense en [belanghebbende] ,wonende te [woonplaats] ,belanghebbende, hierna ook te noemen: [belanghebbende] ,gemachtigde mr. R.J. Voorink. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van Noorderbreedte, ter griffie ingekomen op 23 maart 2017; - het verweerschrift van [belanghebbende] van 12 april 2017; 1.2. Partijen hebben op grond van artikel 96 Rv zich gewend tot de kantonrechter van hun keuze met het verzoek uitspraak te doen. Partijen hebben vervolgens uitdrukkelijk afgezien van een mondelinge behandeling. 1.3. Hierna is uitspraak bepaald. 2De feiten 2.1. [belanghebbende] is op 1 september 2012 bij Noorderbreedte in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van […] . Zij genoot in die functie een salaris van € 9.474,21 bruto per maand, te vermeerderen met onder andere 8% vakantietoeslag, 2,33% eindejaarsuitkering en een aantal andere emolumenten. In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 11 Schorsing/non- activiteit “(..) 4. Noordeerbreedte kan anders dan in de voorgaande leden aangegeven mevrouw [belanghebbende] op non-activiteit stellen indien door deze non activiteitsstelling aan een onhoudbare situatie binnen Noorderbreedte een einde wordt gemaakt en de oorzaak van deze onhoudbare situatie gelegen is in de persoon van mevrouw [belanghebbende] . De Raad van Bestuur van Zorgpartners Friesland zal alle mogelijkheden onderzoeken om de non-activiteit op te heffen, echter indien in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de betrekkingen binnen Noorderbreedte door terugkeer van mevrouw [belanghebbende] kunnen worden hersteld zal Noorderbreedte een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst initiëren. 5. Gedurende de periode van schorsing en non-activiteit zoals bedoeld in dit artikel blijven de voor mevrouw [belanghebbende] geldende arbeidsvoorwaarden onverkort gehandhaafd.” Artikel 13 Schadevergoeding 1. Ingeval Noorderbreedte de arbeidsovereenkomst wil beëindigen, zal overleg plaats vinden over een beëindigingsovereenkomst waarin een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid wordt opgenomen. Dit geldt niet bij ontslag wegens een dringende reden zoals bedoeld in de artikelen 7:677 en 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.” De opzegtermijn voor Noorderbreedte bedraagt zes maanden. 2.2. Eind september 2015 ontstond binnen Noorderbreedte grote onrust als gevolg van een rapport van het onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] . Uit dat onderzoek zou zijn gebleken dat bij de werknemers van Noorderbreedte grote onvrede heerste over de wijze waarop aan de onderneming leiding werd gegeven. Dit leidde tot opzegging van het vertrouwen in de directie door vakbonden en OR. Begin december 2015 is [belanghebbende] door de interim bestuurder [A] uit haar functie ontheven en de facto op non-actief gezet. 2.3. Tussen partijen is vervolgens overleg gevoerd over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst kon worden beëindigd. Partijen hebben op 25 januari 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst eindigt met ingang van 1 september 2016.Aan [belanghebbende] komt een beëindigingsvergoeding toe van € 33.059,05 bruto. [belanghebbende] werd verder vrijgesteld van werk en het gebruikelijke loon werd door Noorderbreedte tot einde dienstverband betaald. 2.4. Noorderbreedte B.V. behoort tot een groep rechtspersonen met als zustervennoot- schappen Medisch Centrum Leeuwarden B.V. en Ziekenhuis Tjongerschans B.V. te Heerenveen. De aandelen van de drie vennootschappen worden gehouden door stichting Zorgpartners Friesland. Ten tijde dat partijen in onderhandeling traden over een beëindigingsregeling, resulterend in een vaststellingsovereenkomst d.d. 25 januari 2016 was het (de bestuurder van) Noorderbreedte niet bekend dat op het niveau van stichting Zorgpartners Friesland meegewerkt werd aan een onderzoek door het agentschap CIBG over de vraag of een aantal hoogst ondergeschikten in dienst bij MCL, Noorderbreedte en Tjongerschans onder het bereik van de WNT viel. In haar (concept)rapport van 19 juli 2016 concludeert het CBIG het volgende: “Met betrekking tot Noorderbreedte concludeer ik dat, naast de voorzitter de andere twee directeuren aangemerkt dienen te worden als topfunctionaris. Deze functionarissen zijn, tezamen met de voorzitter (cq directeur /bestuurder), als team verantwoordelijk voor het integraal resultaat van de instelling en hebben ieder een mandaat voor het nemen van beslissingen.” 2.5. Zorgpartners Friesland heeft bij brief van 15 augustus 2016 aan CIBG bericht dat over het verslagjaar 2016 de jaarrekening zou worden ingericht volgens de aanwijzingen van het CIBG. Daarmee aanvaardde/erkende Zorgpartners Friesland (ook namens Noorderbreedte) de conceptrapportage van CIBG als juist en dus ook dat [belanghebbende] als topfunctionaris in de zin van de WNT heeft te gelden. 3Relevante wet- en regelgeving 3.1. Artikel 1.6 WNT luidt: “1. Voor zover partijen een hogere bezoldiging overeenkomen dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, bedraagt de bezoldiging van rechtswege het bedrag dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald. 2. Voor zover partijen een hogere uitkering wegens beëindiging van het dienstverband overeenkomen dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, bedraagt de uitkering van rechtswege het bedrag dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald, tenzij de betaling voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak. 3. Voor zover partijen een winstdeling, bonus of andere vorm van variabele beloning overeenkomen, is deze overeenkomst nietig, tenzij die overeenkomst betrekking heeft op uitzonderingen krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.11 of artikel 3.8. De betaling van een winstdeling, bonus of andere vorm van variabele beloning is nietig, tenzij die betaling betrekking heeft op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde uitzonderingen. 4. Ieder beding tussen partijen houdende kwijtschelding van een onverschuldigde betaling of een schenking die met de onverschuldigde betaling wordt verrekend, is nietig.” 3.2. Artikel 2.10 WNT luidt: “1. Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75.000,=. In geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75.000,=, vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband. 2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister kan het bedrag, genoemd in het eerste lid, worden gewijzigd, indien de loonontwikkeling hiertoe aanleiding geeft. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband beëindigt.” 3.3. Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2015, nr. 2015-0000734306, houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met ingang van 1 januari 2016 (Beleidsregels WNT 2016) paragraaf 4 luidt: “§ 4. Non-activiteit Artikel 9. Non-activiteit vóór inwerkingtreding Reparatiewet WNT Hoewel de Reparatiewet WNT geen terugwerkende kracht heeft, mag artikel 2.10, derde lid, WNT worden toegepast op een periode van non-activiteit vóór 28 november 2014 als ware de Reparatiewet WNT in die periode al in werking getreden. Voor zover in de periode vóór 28 november 2014 vooruitlopend op het einde van het dienstverband (deels) niet is gewerkt, is derhalve geen sprake van verboden non-activiteit. Wel telt de bezoldiging die betrekking heeft op een periode van non-activiteit vooruitlopend op het einde van het dienstverband, mee als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband.” 3.4. Wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT) 34 017 Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING “6. Non-activiteit Op grond van de WNT zijn de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband gemaximeerd. Om te voorkomen dat partijen dit maximum ontduiken door topfunctionarissen met behoud van salaris langer in dienst te houden, zonder dat daarvoor werkzaamheden verricht behoeven te worden, is in de huidige artikelen 2.10, derde lid, en 3.7, derde lid, WNT verboden dat partijen afspreken het dienstverband op een later tijdstip te eindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris zijn arbeidsprestatie beëindigt. Op grond van het huidige artikel 1.6, derde lid, WNT is een beding dat in strijd is met dit verbod nietig. Bovendien is in dit artikellid bepaald dat de bezoldigingen die zijn betaald over een periode dat de topfunctionaris de hem opgedragen taken niet meer vervult, onverschuldigd zijn betaald, en derhalve terugbetaald dienen te worden aan de werkgever. In de praktijk is gebleken dat deze laatste bepaling te absoluut is voor de situatie dat in geval van non-activiteit weliswaar bezoldiging wordt betaald, maar dat deze tezamen met de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband het van toepassing zijnde maximumbedrag voor uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband (twaalf keer het laatste maandsalaris, met een maximum van € 75.000,=) niet te boven gaat. In dat geval is immers geen sprake van een ontduiking van het maximum voor de ontslaguitkering. Om tegemoet te komen aan de hiervoor weergegeven praktijk, doch tevens ontduiking van het maximum voor de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband te voorkomen, is er in dit wetsvoorstel voor gekozen de bezoldiging tijdens de bedoelde periode van non-activiteit voor de toepassing van deze wet aan te merken als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Hierdoor kan de tijdens een periode van non-activiteit betaalde «bezoldiging», tezamen met de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband, het maximum voor de ontslaguitkering niet te boven gaan.” 3.5. Sub i van artikel 1.1 van de WNT bevat de definitie van ‘uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband’ en luidt: “Uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband: de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband, met uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift” 3.6. De op artikel 1.9 WNT gebaseerde Uitvoeringsregeling WNT geeft nadere regels omtrent hetgeen onder de WNT tot de bezoldiging wordt gerekend. Artikel 2 lid 1 aanhef en sub w en y Uitvoeringsregeling WNT luidt: “Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend: w. overige vaste en variabele belastbare vergoedingen ter dekking van zakelijke kosten; y. doorbetaling van de in dit genoemde componenten tijdens ziekte, tijdens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, tijdens een sabbatical, tijdens schorsing van de functionaris hangende een onderzoek en tijdens vakantie;” 3.7. En lid 2 aanhef en onder e: “Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt in ieder geval niet tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend: e. vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in zijn aangewezen, waaronder begrepen de gerichte vrijstellingen als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, van die wet en op nihil gestelde verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.7, 3.9 en 3.10 van de uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (werkkostenregeling).” 3.8. Artikel 4 lid 1 van de Uitvoeringsregeling WNT luidt (voor zover van belang): “Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van de wet wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval gerekend: a. de tussen partijen of de tussen de werkgever en de topfunctionaris overeengekomen vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband; b. de uitkering van een bedrag ineens of in termijnen uit hoofde van een afvloeiingsregeling; c. de door de rechter vastgestelde uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, met dien verstande dat de betaling van een door de rechter vastgestelde uitkering die het maximum, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, en 3.7, eerste lid, van de wet overschrijdt, niet onverschuldigd is. en artikel 4 lid 2: 2. Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband wordt niet gerekend de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband die voortvloeit uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift, doch slechts voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit voortvloeit”. 3.9. In artikel 7.3 lid 6 is een overgangsbepaling opgenomen en luidt: “Een beding in afwijking van artikel 2.10, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.7, eerste lid, is, indien het beding is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, dan wel voorafgaand aan de aanvraag van de subsidiebeschikking waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet dan wel de wijziging van de bijlage dan wel de bekendmaking van de subsidiebeschikking.” 4Het verzoek 4.1. Noorderbreedte verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [belanghebbende] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 32.662,64 als onverschuldigd betaald. 4.2. Aan haar verzoek legt Noorderbreedte het navolgende ten grondslag. Het CIBG heeft vastgesteld dat de functie van [belanghebbende] is aan te merken als een functie die valt onder de werking van de WNT. Krachtens artikel 2.10 lid 3 WNT (en artikel 3.7 lid 3WNT) geldt dat bezoldiging die tijdens een periode van non-activiteit wordt betaald voor de WNT wordt gekwalificeerd als een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Omdat het salaris, dat betaald wordt tijdens een periode van non-activiteit, voor de toepassing van de WNT wordt behandeld als een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, mag een toegekende ontslagvergoeding tezamen met de bezoldiging over de periode van non-activiteit het maximum van € 75.000,- bruto (bij een fulltime dienstverband) niet overschrijden. Van het bedrag van € 75.000- mag alleen worden afgeweken als er een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht van artikel 7.3 lid 6 WNT. Het overgangsrecht ziet uitsluitend op een beding in afwijking van artikel 2.10 eerste lid. Artikel 7.3 lid 6 WNT ziet niet op bedingen die een regeling geven voor doorbetaling tijdens non-activiteit, zoals opgenomen in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst. Bovendien geldt dit ook voor de toegekende ontslagvergoeding zelf en de advocaatkosten, omdat in de arbeidsovereenkomst geen concrete beëindigingsvergoeding is opgenomen noch een beding ter zake kosten rechtsbijstand. 4.3. Aan [belanghebbende] is, gerekend vanaf de datum van de vaststellingsovereenkomst van 25 januari 2016, over de periode van 1 februari 2016 tot 1 september 2016 aan salaris betaald € 66.319,47 bruto en aan vaste vergoeding € 3.294,12. Daarnaast is een beëindigingsvergoeding betaald van € 33.059,05 bruto en kosten rechtsbijstand voor een bedrag van € 5.000,00. Het totaalbedrag van € 107.662,64 is ruim boven het maximum van € 75.000,00. Het verschil van € 32.662,64 is dan ook onverschuldigd betaald. 5Het verweer 5.1. [belanghebbende] voert verweer. [belanghebbende] heeft onder meer aangevoerd, kort samengevat, dat zij niet is aan te merken als topfunctionaris in de zin van de WNT. Daarnaast zijn er vijf redenen waarom geen sprake is van een door Noorderbreedte onverschuldigd gedane betaling: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.