vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/423908 / HA ZA 16-726 Vonnis van 28 juni 2017 in de zaak van 1. naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Amsterdam, eiseressen, advocaat mr. S. Tamraoui te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1] wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. L.M. van Rooij-Houweling te Zeist. Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagden c.s.] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 december 2016 het proces-verbaal van comparitie van 11 mei 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. In 2006 heeft Rabobank aan [gedaagden c.s.] een geldlening voor de financiering van de onroerende zaak aan [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het pand) verstrekt alsmede een rekening courant krediet. Tot zekerheid van terugbetaling van deze geldleningen heeft [gedaagden c.s.] aan Rabobank een recht van hypotheek op de woning verstrekt. 2.2. [gedaagden c.s.] is na 1 juli 2012 in verzuim geraakt met betrekking tot de terugbetalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten. 2.3. Op 26 mei 2014 is Rabobank overgegaan tot executie van het recht van hypotheek. Na de executoriale verkoop van het pand heeft Rabobank nog een restvordering op [gedaagden c.s.] van € 127.462,95. 3Het geschil 3.1. Rabobank vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.] tot betaling van het bedrag van € 139.111,05, te weten: de restvordering ad € 127.462,95, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 3,1% per jaar vanaf 3 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, de overeengekomen rente tot en met 2 september 2016 € 9.168,05, buitengerechtelijke incassokosten € 2.480,05 (inclusief BTW), met veroordeling van [gedaagden c.s.] in de proceskosten. 3.2. Rabobank legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden c.s.] ondanks herhaalde aanmaningen is tekortgeschoten in de op hem rustende verbintenis om het onder 2.3 bedoelde resterende deel van de geldlening terug te betalen. 3.3. [gedaagden c.s.] voert verweer tegen de vorderingen van Rabobank. [gedaagden c.s.] stelt zich - samengevat - op het standpunt dat Rabobank misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om te executeren en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, de schadebeperkingsplicht en de op haar rustende bancaire zorgplicht (art. 15 Gedragscode Hypothecaire Financieringen) heeft geschonden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het gaat in deze kwestie om de vraag of [gedaagden c.s.] de schuld die resteert na de executoriale verkoop van het pand aan Rabobank dient te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat Rabobank als hypotheekhouder de bevoegdheid had om het pand executoriaal te verkopen. De vraag is echter of Rabobank haar bevoegdheid in de gegeven omstandigheden heeft mogen uitoefenen. 4.2. [gedaagden c.s.] voert aan dat de executoriale verkoop en de restschuld die daaruit is voortgevloeid, voorkomen hadden kunnen worden als Rabobank had meegewerkt aan een minder bezwarend alternatief. Eind februari 2013 hadden de buren van [gedaagden c.s.] te kennen gegeven dat zij een gedeelte van de bij het pand behorende tuin wilden kopen. [gedaagden c.s.] stelt dat hij met de opbrengst uit die verkoop de betalingsachterstand had kunnen inlossen, waarna executoriale verkoop niet meer nodig was geweest. Volgens [gedaagden c.s.] heeft Rabobank zonder goede grond toestemming voor deze verkoop geweigerd. 4.3. Als een schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt (zoals in dit geval: de betalingsverplichtingen van [gedaagden c.s.] jegens Rabobank), is de hypotheekhouder bevoegd het verhypothekeerde goed (in dit geval: het pand) executoriaal te (doen) verkopen (art. 3:268 lid 1 BW). Omdat [gedaagden c.s.] in verzuim was met de nakoming van zijn betalingsverplichtingen jegens Rabobank, was Rabobank in principe bevoegd het pand executoriaal te verkopen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan sprake zijn van misbruik van de bevoegdheid van de hypotheekhouder om tot parate executie over te gaan. Daarvan kan onder meer sprake zijn als de hypotheekhouder geen redelijk te respecteren belang heeft bij de parate executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de schuldenaar een noodsituatie zou ontstaan. 4.4. De door [gedaagden c.s.] aangevoerde omstandigheden zijn in het licht van hetgeen Rabobank daar tegenover heeft gesteld, ontoereikend om te kunnen oordelen dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid van Rabobank om tot executie over te gaan. Daarvoor acht de rechtbank in het bijzonder de volgende omstandigheden van belang: - Vast staat dat [gedaagden c.s.] (in elk geval) vanaf 2009 een achterstand had in betalingen aan Rabobank; - Hoewel [gedaagden c.s.] nadien nog wel betalingen heeft gedaan aan Rabobank is de hiervoor bedoelde achterstand niet ingelost, maar in de loop van de tijd verder opgelopen; - Rabobank heeft ter comparitie verklaard dat zij [gedaagden c.s.] eind 2010 al de suggestie heeft gedaan om het pand onderhands te verkopen. [gedaagden c.s.] heeft het pand op 26 juli 2012 in de verkoop gedaan tegen een vraagprijs van € 595.000,--. Hoewel verkoop uitbleef en Rabobank herhaaldelijk heeft aangedrongen op aanzienlijke verlaging van de vraagprijs, heeft [gedaagden c.s.] de vraagprijs van het huis niet willen laten zakken. - Anders dan [gedaagden c.s.] kennelijk meent, vormde de verkoop van een gedeelte van de tuin voor Rabobank geen alternatief, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.