RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/659709-16 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 maart 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1962] , wonende te [woonplaats] , [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016 en op 17 februari 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere. Als benadeelde partij is [slachtoffer] verschenen, bijgestaan door mr. E.A.L. Ponjee, advocaat te Veenendaal . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: op 23 april 2016 te [woonplaats] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; subsidiair: op 23 april 2016 te [woonplaats] [slachtoffer] heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Naar de mening van de officier van justitie blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] . De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk de mishandeling van [slachtoffer] , ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak gevraagd voor het primair ten laste gelegde feit omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. 4.3 Het oordeel van de rechtbank vrijspraak primair ten laste gelegde feit Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, te weten de zware mishandeling. De rechtbank acht het goed mogelijk dat verdachte zich niet realiseerde dat hij een glas in zijn hand had toen hij met zijn linkerarm een zwaai naar aangever maakte, nu uit het dossier blijkt dat deze handeling in een fractie van een seconde heeft plaatsgevonden. bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [slachtoffer] heeft op 23 april 2016 aangifte gedaan van mishandeling, waarbij een man met een glas in zijn gezicht heeft geslagen. In een aanvullend verhoor heeft aangever verklaard dat hij op 23 april 2016 in de kantine van [naam] te [woonplaats] naar een man is gelopen, dat hij de man op zijn bovenarm tikte en de man vroeg wat er aan de hand was. Op dat moment kreeg aangever een klap op zijn oog. Aangever zag meteen niets meer met zijn rechteroog en voelde dat het bloedde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 april 2016 in de kantine van [naam] te [woonplaats] stond en daar zijn glas oppakte om het leeg te drinken. Even later zag hij een man komen. Verdachte reageerde door met zijn linkerarm te zwaaien. Verdachte zwaaide naar voren en raakte de man aan de rechterkant van zijn gezicht. Verdachte had het glas nog in zijn hand, de bovenkant van het glas was kapot. Aangever heeft op 23 april 2016 een oogoperatie ondergaan, te weten het sluiten van de oogbol en het hechten van het bovenooglid na traumatisch letsel. Uit het schrijven van [oogarts] , oogarts bij het UMC Utrecht, van 9 februari 2017 blijkt dat de verwachting is dat de gezichtsscherpte van het rechteroog laag zal blijven. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 23 april 2016 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] in/tegen het oog/gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (gedeeltelijk verdwenen zicht in het rechteroog) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit en van verdachte De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is omdat hij heeft gehandeld uit noodweer(exces). De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarvan is onder omstandigheden ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of verdachte, toen hij het slachtoffer sloeg, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een aanranding door aangever of de dreiging daarvan. Op grond van de dossierstukken en wat ter terechtzitting is besproken, is aannemelijk geworden dat aangever verdachte tegen de bovenarm heeft getikt of hem aan een mouw heeft gepakt. Deze gedraging door aangever kan niet worden aangemerkt als een aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Volgens de verklaring van verdachte ter zitting zat de dreiging veeleer in de wijze waarop aangever naar verdachte kwam toelopen, in samenhang met de lengte en het postuur van aangever. Het enkele toelopen naar iemand kan echter niet worden beschouwd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat verdachte niet verstond wat het slachtoffer zei en dat hij dit dus evenmin als dreigend heeft kunnen opvatten. Van belang is verder dat verdachte zich bevond in een voor hem bekende omgeving en dat hij was omringd door vrienden en bekenden. Ten slotte is van belang dat verdachte meerdere keren door de politie is verhoord en nimmer heeft verklaard over gedragingen door aangever die aanvallend waren. Gelet op al deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een (onmiddellijk dreigend gevaar voor een) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen. Hetzelfde geldt voor het beroep van de verdediging op noodweerexces dan wel putatief noodweer. Ook een beroep daarop kan alleen slagen, indien aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een situatie bevond waarin hij (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest afwenden. Nu daarvan geen sprake is, wordt zowel het beroep op noodweerexces als het beroep op putatief noodweer verworpen. Concluderend zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Verdachte is ook strafbaar. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 7Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak respectievelijk ontslag van rechtsvervolging bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan heeft de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest bepleit alsmede een werkstraf. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, als gevolg waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit blijvend oogletsel. Uit de medische verklaring blijkt dat de verwachting is dat de gezichtsscherpte van het rechteroog van aangever laag zal blijven. Aangever zal de rest van zijn leven hiermee moeten leven en zal daardoor ook de rest van zijn leven herinnerd worden aan deze mishandeling. Het handelen van verdachte heeft aangever, zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaring, niet alleen schrik en angst aangejaagd, maar heeft ook geleid tot woede en frustratie. Bovendien is het voor aangever niet zeker of hij zijn werk zal kunnen blijven doen. Ook is onzeker wat de financiële consequenties zijn voor hem en zijn gezin. Duidelijk is dat aangever en zijn gezin sinds de mishandeling in alle opzichten een zware tijd hebben gehad. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 5 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat dit incident ook op verdachte een enorme impact heeft gehad en dat hij het heel erg vindt wat hij heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden passend en geboden is. 8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, voor een bedrag van € 36.955,70. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 22.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 14.455,70 aan materiële schade. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet voldoet aan de criteria van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, nu primair sprake is van ‘in pari delicto’ en subsidiair van eigen schuld. Meer subsidiair is de hoogte van de schade betwist voor wat betreft de posten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.