vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/438956 / KG ZA 17-341 Vonnis in kort geding van 22 september 2017 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseressen, advocaat mr. J. Bedaux te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (Noord-Holland), gedaagden, advocaat mr. B. Linnartz te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen van 29 mei en 31 augustus 2017 de mondelinge behandeling de pleitnota van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Op 14 november 2005 heeft [eiseres sub 2] een samenwerkings-overeenkomst gesloten met [gedaagde sub 1] strekkende tot gemeenschappelijke exploitatie van het winkelcentrum “ [naam winkelcentrum] ” aan [straatnaam] te [plaatsnaam] (hierna te noemen: het winkelcentrum). In deze samenwerkingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Overwegingen: - Partijen hebben gezamenlijk een winkelcentrum aangekocht, ieder voor een onverdeeld aandeel. De feitelijke situatie ter plekke en bezitsposities zijn partijen genoegzaam bekend; - Partijen zijn overeengekomen het winkelcentrum gemeenschappelijk te exploiteren. Hiertoe zijn huurovereenkomsten met derden gesloten. Indien mogelijk wordt geopteerd voor een met BTW belaste verhuur; - Partijen zijn overeengekomen dat de exploitatie van het winkelcentrum voor gemeenschappelijke rekening en risico zal plaatsvinden overeenkomstig het bezit van het onverdeeld aandeel in het winkelcentrum; - Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1] B.V. zal optreden als administrateur. [gedaagde sub 1] B.V. zal in dit kader onder andere zorgdragen voor en medewerking verkrijgen ter zake: • de facturatie aan de huurders; • het innen van de huurpenningen (niet aansprakelijk voor de oninbaarheid); • het dragen van de exploitatiekosten; • het nakomen van de met de exploitatie samenhangende BTW-verplichtingen; • al hetgeen noodzakelijk is in het kader van de exploitatie. - Voor uitgaven door [gedaagde sub 1] B.V., in het kader van dit winkelcentrum, boven een bedrag van € 10.000,- exclusief BTW is vooraf toestemming van Partij 1 [ [eiseres sub 2] ; toevoeging voorzieningenrechter] noodzakelijk; - [gedaagde sub 1] B.V. stelt periodiek (éénmaal per halfjaar) een exploitatieoverzicht op. De netto-opbrengst wordt aan partijen conform het aandeel in de onverdeeldheid toebedeeld; - Partij 1 verleent door middel van ondertekening van deze samenwerkingsovereenkomst aan [gedaagde sub 1] B.V. een onherroepelijke volmacht om uit het aan Partij 1 toe te bedelen netto-aandeel in de opbrengst, te voldoen de met de exploitatie samenhangende bancaire verplichtingen van Partij 1 jegens de FGH BANK N.V. ter zake van “ [naam winkelcentrum] ” gelegen aan en om [straatnaam] te [plaatsnaam] ; - Partij 1 zal bij een negatief resultaat op de exploitatie op eerste verzoek van [gedaagde sub 1] B.V. zorgdragen voor aanvulling van haar aandeel in het tekort. [gedaagde sub 1] B.V. is gerechtigd over het tekort een rentevergoeding aan Partij 1 te berekenen van 3,9% op jaarbasis, zolang het tekort in stand blijft; - [gedaagde sub 1] B.V. zal maandelijks een voorschot op basis van de exploitatiebegroting in het netto-aandeel -na voldoening van de bancaire verplichtingen- aan Partij 1 overmaken. Over het batig saldo wordt een rente vergoed van 3.9 % op jaarbasis; - Op deze overeenkomst is het Nederlands recht van toepassing. (…)” 2.2. Op dezelfde datum is het pand waarin het winkelcentrum gevestigd is (hierna: het pand in [plaatsnaam] ) tegen een koopprijs van € 8,4 miljoen in gezamenlijk eigendom verkregen door [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft haar deel van de koopsom uit eigen middelen voldaan; [eiseres sub 2] door middel van een financiering bij de FGH Bank (met een initiële looptijd tot 1 oktober 2010). [gedaagde sub 1] heeft zich als hoofdelijk medeschuldenaar voor deze schuld verbonden. Als zekerheid voor de terugbetaling van deze financiering is ten behoeve van de bank een hypotheekrecht gevestigd op het hele pand, waarbij zowel [eiseres sub 2] als [gedaagde sub 1] als schuldenaar zijn aangemerkt. Ten behoeve van [gedaagde sub 1] is een pandrecht gevestigd op het aandeel van [eiseres sub 2] in het pand. 2.3. Op dezelfde datum hebben partijen bij akte elkaar over en weer een koopoptie verleend. Deze akte luidt voor zover relevant als volgt: “(…) III. VOORKEURSRECHT TOT KOOP 1. Zij [ [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] ; toevoeging voorzieningenrechter] verbinden zich jegens elkander om hun aandeel in het onderhavige registergoed niet te vervreemden dan aan elkander. (…) IV. OVEREENKOMST VAN GELDLENING MET HYPOTHEEKRECHT Blijkens voornoemde akte van geldlening met hypotheekstelling, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht, heeft [gedaagde sub 1] zich hoofdelijk meeverbonden voor de schuld van [eiseres sub 2] aan de bank ter grootte van vier miljoen vijfhonderdduizend euro (€ 4.500.000,00), welke geldlening is aangegaan ter financiering van de verkrijging door [eiseres sub 2] van haar onverdeeld aandeel in het registergoed. Voorts heeft [gedaagde sub 1] haar aandeel in het registergoed bij bedoelde hypotheekakte mede verbonden voor de zekerheid van terugbetaling van genoemde schuld aan de bank. Draagplicht en vrijwaring Partijen stellen hierbij vast dat in hun onderlinge verhouding [eiseres sub 2] draagplichtig is voor de gehele hiervoor bedoelde schuld aan de bank, met rente, boete en kosten et cetera. [eiseres sub 2] garandeert tegenover [gedaagde sub 1] dat de verplichtingen uit genoemde geldlening door haar stipt zullen worden voldaan en vrijwaart [gedaagde sub 1] voor alle aanspraken en alle schade welke eventueel door haar tekortkoming in de nakoming zou kunnen ontstaan, waaronder uitwinning van het aandeel van [gedaagde sub 1] . (…) V. KOOPOPTIE [gedaagde sub 1] [eiseres sub 2] , hierna te noemen “optiegever” en [gedaagde sub 1] , hierna te noemen: “optienemer” zijn in verband met al het vorenstaande overeengekomen dat optiegever aan optienemer de koopoptie verleent op zijn aandeel in het hiervoor genoemde registergoed, welke optieverlening optienemer bij deze aanvaardt. (…) VI. BORGTOCHT a. Indien [gedaagde sub 1] gebruik maakt van haar voorkeursrecht tot koop, dan wel de koopoptie uitoefent, danwel b. Indien en zodra [eiseres sub 2] haar aandeel in het registergoed geheel of ten dele aan een derde vervreemd, is [eiseres sub 2] ondermeer verplicht ervoor zorg te dragen dat het hypotheekrecht van de bank dat is gevestigd op het registergoed volledig zal worden doorgehaald. De heer [A] , thans handelend voor zich in privé, verklaart zich bij deze tegenover [gedaagde sub 1] borg te stellen als bedoeld in artikel 850 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek voor voldoening aar deze verplichting, een en ander tot een bedrag van de volledige vordering van voormelde bank, met dien verstande dat de hoogte van deze verplichting wat betreft de hiervoor sub a gemelde situatie wordt verminderd met de (voormelde) koopprijs. (…)” 2.4. Op 20 maart 2006 heeft [eiseres sub 1] een pand in eigendom geleverd gekregen dat is gelegen aan [straatnaam] [nummeraanduiding] - [nummeraanduiding] te [vestigingsplaats] (hierna: het pand in [vestigingsplaats] ). Voor de aankoop van dit pand heeft zij een financiering afgesloten bij de FGH Bank tot een bedrag van € 666.000 (met een initiële looptijd tot1 maart 2016) en bij [gedaagde sub 2] voor een bedrag van € 662.500. Voor dit bedrag is ten behoeve van de bank een hypotheekrecht gevestigd op het pand. 2.5. Op 12 september 2006 heeft [eiseres sub 1] een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [gedaagde sub 2] strekkende tot gemeenschappelijke exploitatie van het pand in [vestigingsplaats] . De inhoud van deze overeenkomst is vergelijkbaar met de onder 2.1 vermelde, met dien verstande dat [eiseres sub 1] de partij is die optreedt als administrateur, het exploitatie-overzicht opstelt, de voorschotten uitkeert etc. 2.6. Bij akte van 14 september 2006 heeft [eiseres sub 1] de helft van de eigendom van het pand in [vestigingsplaats] verkocht aan [gedaagde sub 2] . 2.7. Bij confirmatie-akte van dezelfde datum heeft [gedaagde sub 2] zich ten behoeve van de FGH Bank verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar voor de financiering van [eiseres sub 1] tot het bedrag van € 666.000 en zich verbonden tot nakoming van alle verplichtingen waaronder die voortvloeiend uit de hypotheekstelling. 2.8. Bij brieven van 31 oktober en 1 november 2016 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de samenwerkingsovereenkomsten opgezegd tegen 31 juli 2017. In de brief van 1 november 2016 zijn geen opzeggingsgronden vermeld. In de brief van 31 oktober 2016 staat hierover het volgende: “(…) In het bijgaande overzicht is de ‘Afrekening exploitatie [plaatsnaam] ’ over de periode februari 2015 tot en met januari 2016 opgenomen. De vordering van [gedaagde sub 1] B.V. op [eiseres sub 2] B.V. van EUR 60.317,58 wordt vermeerderd met de overeengekomen rente van 3,9%. Zoals u bekend is de indirecte exploitatie van het winkelcentrum sterk negatief en als gevolg daarvan, overstijgt het aandeel van [eiseres sub 2] B.V. in de schuld jegens FGH Bank inmiddels ruimschoots de waarde het aandeel van [eiseres sub 2] B.V. in het winkelcentrum. Nu [eiseres sub 2] B.V. niet in staat is tot verder investeren om de situatie op te lossen en er evenmin concrete zekerheid bestaat voor de dekking van het tekort (anders dan de borgtocht van de heer [A] in privé), terwijl [gedaagde sub 1] B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk is jegens FGH Bank, schiet [eiseres sub 2] B.V. (reeds nu voor alsdan) toerekenbaar tekort jegens [gedaagde sub 1] B.V. Daarbij komt dat [eiseres sub 2] B.V. zich in de gesprekken van de afgelopen maanden over een eventuele oplossingsrichting, niet constructief opstelt. Tot investeren in het winkelcentrum om de nood te delgen, is [eiseres sub 2] B.V. niet bereid of niet in staat. Gezien het voorgaande en mede gezien de bepalingen uit de Samenwerkings-overeenkomst d.d. 14 november 2005, heeft [gedaagde sub 1] B.V., zoals besproken, de betalingen aan [eiseres sub 2] B.V. recentelijk opgeschort. Gezien het voorgaande zeg ik langs deze weg namens [gedaagde sub 1] B.V. de Samenwerkingsovereenkomst d.d. 14 november 2005 op tegen 31 juli 2017. Gezien de hiervoor geschetste en eerder besproken omstandigheden is de termijn tot 31 juli 2017 meer dan redelijk ten einde te komen tot een redelijke afwikkeling van de gemeenschap en de schuld richting FGH Bank. Vooruitlopend op de beëindiging van de Samenwerkingsovereenkomst per 31 juli 2017 (of zoveel eerder als mogelijk,) is [gedaagde sub 1] B.V. in beginsel en onverplicht bereid om eenmalig de offerte van FGH Bank d.d. 11 augustus 2016 met betrekking tot de verlenging van de hypothecaire geldlening tot 1 augustus 2017, te accepteren. Daaraan stelt [gedaagde sub 1] B.V. als voorwaarde dat u binnen 7 dagen na heden schriftelijk aan [gedaagde sub 1] B.V. bevestigt dat [eiseres sub 2] B.V. haar medewerking zal verlenen aan een ordentelijke afwikkeling van de gemeenschap op een zo kort mogelijke termijn en dat de heer [A] krachtens de borgtocht blijvend instaat voor een eventueel (onverhoopt) tekort bij terugbetaling aan FGH Bank. [gedaagde sub 1] gaat ervanuit dat in de komende 2 maanden na heden minnelijk overeenstemming kan worden bereikt over de concrete stappen om tot een efficiënte verdeling van de gemeenschap te komen per 31 juli 2017. Indien hierover niet binnen 2 maanden na heden overeenstemming is bereikt, dan overweegt [gedaagde sub 1] B.V. nadere stappen teneinde tot afwikkeling van de gemeenschap te komen. U begrijpt dat ik te dien aanzien alle rechten namens [gedaagde sub 1] B.V. dien voor te behouden. (…)” 2.9. Op 10 augustus 2017 heeft FGH Bank aan partijen verlengingsoffertes verzonden met betrekking tot de aan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] verstrekte financieringen. Daarbij is als bijzondere bepaling opgenomen: “Onderhavige financiering zal door de bank bij expiratie per 1 augustus 2018 niet meer worden verlengd en dient op uiterlijk voornoemde datum al geheel afgelost te zijn.” 3Het geschil 3.1. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] vorderen samengevat - het volgende: 1. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt om de samenwerkingsovereenkomst van 14 november 2005 na te komen, onder meer door: de verlengingsofferte van de FGH Bank te ondertekenen en te retourneren, de opgeschorte betalingsverplichtingen na te komen, bedragende € 54.853 over 2016, € 41.130,13 over 2017 (tot en met september) en € 4.802,54 per maand vanaf 8 september 2017), een kopie te verstrekken van haar administratie, waaronder de bankadministratie, voor zover deze ziet op het winkelcentrum, alsmede een kopie van alle correspondentie met de [bedrijfsnaam 1] , volledige medewerking te verlenen aan een door [eiseres sub 2] te arrangeren financiering met daarbij behorende zekerheden tegen gelijke of betere voorwaarden zoals die thans onder de financiering van de FGH Bank gelden, door ondertekening van de daartoe geëigende documentatie, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom, 2. dat [gedaagde sub 2] veroordeeld wordt om samenwerkingsovereenkomst van 12 september 2006 na het komen, onder meer door: - de verlengingsofferte van de FGH Bank te ondertekenen en te retourneren, - volledige medewerking te verlenen aan een door [eiseres sub 1] te arrangeren financiering met daarbij behorende zekerheden tegen gelijke of betere voorwaarden zoals die thans onder de financiering van de FGH Bank gelden, door ondertekening van de daartoe geëigende documentatie, - alles op straffe van verbeurte van een dwangsom, 3. dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeeld worden in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben betwist dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Volgens hen zijn de samenwerkingsovereenkomsten inmiddels ruim 10 maanden geleden opgezegd, en hadden [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] deze periode kunnen gebruiken om een nieuwe financier te vinden. Ten aanzien van de vordering ex artikel 843a Rv hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] volgens hen niets gesteld over de spoedeisendheid. 4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] wel spoedeisend belang bij hun vorderingen strekkende tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomsten. Uit de als producties 10 en 18 door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] overgelegde verlengingsoffertes van de FGH Bank blijkt dat deze bank de aan [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] verstrekte financieringen op 1 augustus 2018 niet meer zal verlengen en dat deze dus uiterlijk op die datum geheel afgelost dienen te zijn. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] moeten dus op korte termijn een andere financier gaan zoeken. Bij die zoektocht is het essentieel of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehouden zijn de samenwerkingsovereenkomsten te continueren, of dat zij deze rechtsgeldig hebben opgezegd. 4.3. Voor een nieuwe financier zal ook relevant zijn wat in de afgelopen jaren het exploitatieresultaat van de samenwerking is geweest, en of er in het exploitatieresultaat van winkelcentrum [plaatsnaam] terecht een voorziening is opgenomen wegens onbetaalde huur door één van de huurders: de [bedrijfsnaam 1] . Ook bij de vordering ex artikel 843a Rv (die ertoe strekt om gegevens daarover te verstrekken) heeft [eiseres sub 2] derhalve voldoende spoedeisend belang. Vordering tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomsten 4.4. Aan de vordering tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomsten hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze overeenkomsten niet rechtsgeldig hebben opgezegd, zodat zij nog steeds gehouden zijn om mee te werken aan verlenging van de bestaande financieringen en het arrangeren van nieuwe financieringen. Volgens haar zijn de samenwerkingsovereenkomsten niet opzegbaar, en is voor de opzegging in ieder geval geen zwaarwegende grond aangevoerd. Voorts stelt [eiseres sub 2] dat [gedaagde sub 1] haar verplichting tot betaling van voorschotten terzake van [plaatsnaam] ten onrechte heeft opgeschort, zodat op die grond nog een aanzienlijk bedrag aan haar moet worden voldaan. 4.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich tegen deze vorderingen verweerd met de stelling en dat zij de samenwerkingsovereenkomsten wel rechtsgeldig hebben opgezegd per 31 juli 2017, en dat uit deze overeenkomsten hoe dan ook geen verplichting voortvloeit om mee te werken aan verlenging van de bestaande financieringen, laat staan het arrangeren van nieuwe. 4.6. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. Wel kan een dergelijke overeenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar zijn. Op degene die zich daarop beroept rusten de stelplicht en bewijslast terzake. (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, NJ 2016/236). Als de overeenkomst opzegbaar is, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (zie onder meer HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 en 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270). Opzegbaarheid 4.7. Tussen partijen staat vast dat in de samenwerkingsovereenkomsten geen bepaling over opzegging daarvan is opgenomen. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] stellen dat de niet-opzegbaarheid voortvloeit uit de bedoelingen die partijen ten tijde van het sluiten daarvan hebben gehad, maar zij onderbouwen die stelling alleen met een verwijzing naar de door haar overgelegde verklaring van haar bestuurder (productie 11) waaruit een dergelijke bedoeling niet valt af te leiden. Uit de koopoptie die partijen over en weer aan elkaar hebben verleend ter zake van [plaatsnaam] (zie onder 2.3) blijkt eerder dat partijen de mogelijkheid onder ogen hebben gezien dat één van partijen op enig moment tot verkoop van haar aandeel in het winkelcentrum zou kunnen overgaan. Voor dat geval bepaalt de Akte Koopoptie dat dit aandeel dan eerst moet worden aangeboden aan de mede-eigenaar. Gelet op de samenhang tussen de samenwerkingsovereenkomsten en de gezamenlijke eigendom van de panden waarop de samenwerking betrekking had, duidt dit er niet op dat partijen hebben beoogd om de samenwerkingsovereenkomsten niet opzegbaar te maken. Gelet hierop is voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat partijen een dergelijke bedoeling hebben gehad. Redelijkheid en billijkheid 4.8. Het voorgaande laat onverlet dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is op basis van een voldoende zwaarwegende grond, tegen een bepaalde opzegtermijn of met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. 4.9. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in dit kader gesteld dat er geen zwaarwegende grond voor opzegging is vereist, omdat het hier gaat om een ontvlechting van verplichtingen over en weer in verband met een gezamenlijke belegging/investering in onroerend goed door twee commerciële partijen. Opzegging van de samenwerkingsovereenkomsten vormt daarin slechts een eerste stap. Partijen moeten volgens hen terugvallen op de wettelijke regeling voor gemeenschappen (artikel 3:169 e.v. BW), die te allen tijde verdeeld kunnen worden (3:178 BW). 4.10. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. De omstandigheid dat een deelgenoot te allen tijde de verdeling van een gemeenschap kan vorderen ex artikel 3:178 BW, laat onverlet het antwoord op de vraag of de deelgenoot daartoe verbintenisrechtelijk gezien gerechtigd is. Voor die vraag is maatgevend of de samenwerkingsovereenkomsten in het onderhavige geval rechtsgeldig zijn opgezegd. 4.11. Voor het antwoord op de vraag wat de redelijkheid en billijkheid meebrengen is, zoals gezegd, de aard en inhoud van de overeenkomst van belang, alsmede alle omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter zal dat in het navolgende per samenwerkingsovereenkomst beoordelen. Samenwerkingsovereenkomst [plaatsnaam] 4.12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de samenwerkingsovereenkomst niet los gezien kan worden van de andere rechtsverhoudingen die tussen partijen bestaan: - de goederenrechtelijke relatie met betrekking tot het object van de samenwerking (het pand in [plaatsnaam] waarin het winkelcentrum gevestigd is): ieder van partijen is gerechtigd tot de onverdeelde helft van de gemeenschap bestaande uit de eigendom van dit pan, - het zich verbinden door [gedaagde sub 1] als hoofdelijk medeschuldenaar voor de geldlening die [eiseres sub 2] voor de betaling van de koopsom van dit pand heeft afgesloten, - de toestemming die [gedaagde sub 1] heeft verleend om als zekerheid voor de terugbetaling van deze lening ten behoeve van de FGH Bank een hypotheek te vestigen op het gehele pand. 4.13. Gevolg van opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door [gedaagde sub 1] zal zijn dat ook aan de overige rechtsverhoudingen een einde zal moeten komen. Daarbij kan worden gedacht aan de volgende scenario’s: 1. [eiseres sub 2] neemt de rechtspositie van [gedaagde sub 1] ongewijzigd over, 2. een kapitaalkrachtige en betrouwbare derde neemt de rechtsverhoudingen van [gedaagde sub 1] ongewijzigd over, 3. een derde neemt de rechtspositie van [gedaagde sub 1] deels over: wel de samenwerking, maar niet het medeschuldenaarschap, en verleent evenmin toestemming voor verlenging van de hypotheekverlening op het gehele pand, 4. er is geen derde die bereid is (een deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.