vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/443190 / KG ZA 17-551 Vonnis in kort geding van 4 oktober 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. J.M.A. Smits te Huizen, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. C.D.R. Schoonderbeek te Soest. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. (en afzonderlijk: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de mondelinge behandeling de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is met ingang van 15 april 2008 in dienst getreden bij [gedaagde sub 1] in de functie van Export Manager. In de arbeidsovereenkomst is onder meer een geheimhoudingsbeding opgenomen, alsmede (in de bijlage) een non-concurrentiebeding, een relatiebeding (beide voor de duur van 1 jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst) en een aftroggelbeding (voor de duur van twee 2 jaar). 2.2. Op 21 december 2015 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In deze overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen: “(…) 1. De arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van Werkgever met wederzijds goedvinden per 1 januari 2016. (…) 7. Met ondertekening van deze overeenkomst verklaart Werknemer dat hij ten tijde van het tekenen van deze overeenkomst geen concreet vooruitzicht heeft op betaalde of onbetaalde werkzaamheden (voor zichzelf of voor een ander). Als achteraf blijkt dat Werknemer ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst wel een concreet vooruitzicht had op het verrichten van (betaalde of onbetaalde) werkzaamheden elders (voor zichzelf of voor een ander), is hij gehouden op eerste verzoek van Werkgever de aan hem betaalde ontslagvergoeding zoals bedoeld in artikel 6 volledig aan Werkgever terug te betalen. (…) 13. Werknemer verklaart het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst en het in de bijlage 1 aan deze vaststellingsovereenkomst eerder tussen partijen overeengekomen nonconcurrentie-, relatie- en aftroggelbeding voor de afgesproken duur te zullen respecteren. 14. Behalve wanneer dit op grond van een wettelijke verplichting vereist is, zullen partijen zonder schriftelijke toestemming van de andere partij de voorwaarden en bepalingen van deze overeenkomst niet aan derden bekend maken met uitzondering van de professionele adviseurs die betrokken zijn bij deze overeenkomst en die de informatie nodig hebben voor de uitoefening van hun taak. Het is Werknemer toegestaan een kopie van deze overeenkomst aan het UWV te overhandigen ten behoeve van het aanvragen van een uitkering. 15. In alle andere opzichten, zullen partijen zich gedragen zoals hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk wordt geacht en zich onthouden van het doen van enige negatieve berichtgeving over elkaar. Beide partijen zullen geen mondelinge of schriftelijke verklaringen over de andere partij doen of hieraan medewerking verlenen zonder vooraf uitdrukkelijk de schriftelijke toestemming van de andere partij te vragen. Voor Werknemer, geldt deze verplichting met betrekking tot Werkgever en de aan haar gelieerde ondernemingen. (…)” 2.3. Op 16 maart 2016 heeft [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] aan mevrouw [A] van de onderneming [bedrijfsnaam 1] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “ (…) We would like to inform you concerning the following (unpleasant) situation having to do with [bedrijfsnaam 1] ’s new employee based in your [vestigingsplaats] , Holland office. According to our information Mr. [eiser] has taken up responsabilities as a Sales Manager in your company as per March 8th, 2016. We have strong reasons to believe it was already known in the last months of 2015 that Mr. [eiser] would start to work in early 2016 with [bedrijfsnaam 1] . This is no problem for us (as long as he does not perform competitive activities in our export markets and threatening our client-relations) but where we have a huge problem with is that Mr [eiser] pretended not to have a new job when he left our company and consequently has been lying about not having a new job. Background is that Mr. [eiser] could not cope during 2014 and 2015 with our ambitions for growth and it was his desire eventually to leave our company. Since he declared when he signed a termination contract for his services to our company on December 2lth, 2015, he had no view on a new job he took several months of extra pay with him. Afterwards we found evidence that already in the months November and December contacts with [bedrijfsnaam 1] […] and [bedrijfsnaam 1] […] took place, including a physical visit to [bedrijfsnaam 1] […] somewhere in the middle of December. We also believe this is the reason your manager in Holland, Mr. [C] , has kept the new labour contract of Mr [eiser] very long in in his possession in Holland (as you mentioned during a phone-conversation we have had early February) and together with Mr. [eiser] made this set-up to have Mr [eiser] only start officially on March 8th, 2016. We find this behaviour highly unethical which is unacceptable. We will have to start a collection procedure against Mr. [eiser] to claim this money back and we cannot understand that a reputable company as [bedrijfsnaam 1] is cooperating with such practices. We would appreciate it to receive your comments on this - thanking you in advance. (…)” 2.4. In een brief van 9 juni 2017 heeft [gedaagde sub 1] aan de heer [B] van [bedrijfsnaam 2] B.V. het volgende medegedeeld: “(…) U bent ongetwijfeld bekend met de activiteiten van de heer [eiser] onder onze klanten. De heer [eiser] is gedurende bijna acht jaar in dienst geweest van [gedaagde sub 1] en was in deze hoedanigheid nauw betrokken bij onze business en hij heeft hierdoor gedetailleerde klantgegevens in zijn bezit gekregen. De heer [eiser] heeft zelf zijn ontslag ingediend bij [gedaagde sub 1] en heeft een zaak gevoerd om zijn concurrentiebeding ongeldig te laten verklaren. Dit is ten dele gelukt, echter hij is niet van de verplichting ontslagen om specifieke en gedetailleerde bedrijfsinformatie, die eigendom is van [gedaagde sub 1] , niet te delen en te gebruiken. De wereld is groot en markten zijn competitief en transparant, het aanbieden van commodity producten kan van alle kanten komen, maar dat is niet de reden van dit schrijven. Wij kunnen prima met eerlijke concurrentie omgaan. Echter wij hebben er een probleem mee als een ex-werknemer misbruik maakt van informatie die hij heeft gestolen van [gedaagde sub 1] . De heer [eiser] vraagt onder valse voorwendselen specialiteiten aan bij onze leveranciers, veelal grondstoffen zoals parfums. Deze producten worden al jarenlang bij onze klanten geïntroduceerd en verkocht. [eiser] meldt niet aan de producent dat het naar onze, [gedaagde sub 1] klanten, in specifieke exportbestemmingen gaat. Diverse producenten, waaronder [producent] , [producent] , hebben dit aan ons gemeld, in sommige gevallen gaven zij toe dat er een levering tussendoor is geslopen maar dat zij met deze leveringen aan de heer [eiser] zullen stoppen en dat hij op een ‘zwarte’ lijst zal worden geplaatst. Overigens hebben zich ook al meerdere klanten bij ons gemeld die aangeven dat ze niet echt gecharmeerd zijn van het feit dat de heer [eiser] hun exact dezelfde producten loopt aan te bieden die hij eerder voor [gedaagde sub 1] heeft verkocht. Aangezien wij hebben begrepen dat uw onderneming deze aankopen financiert en logistiek verder verzorgt, vragen wij ons af of u zich wel goed bewust bent van de hierboven beschreven omstandigheden? Onder andere genoemde principalen, zijn niet de eerste de beste amateurbedrijven en u begeeft zich o.i. op een nogal dubieus pad door grondstoffen naar andere bestemmingen dan is aangegeven te gaan leveren. Gelukkig zien o.a. [producent] en [producent] in dat het, buiten het feit dat het allemaal erg onethisch is, geen enkele zin heeft als meerdere bedrijven producten van dezelfde bron aanbieden. Dit tast namelijk ook de reputatie aan van deze bedrijven en het leidt bovendien tot kannibalisatie. Het komt ons zo voor dat ieder integer handelshuis zich van de praktijken van de heer [eiser] al op voorhand zal distantiëren omdat dit potentieel grote imagoschade kan opleveren? Wij schrijven dit om u te laten weten dat wij momenteel een juridische procedure in ieder geval tegen de heer [eiser] zullen opstarten. Aangezien uw bedrijf klaarblijkelijk dit illegale en moreel verwerpelijk handelen van de heer [eiser] faciliteert, overwegen wij tevens een klacht bij uw hoofdkantoor in Istanbul in te dienen. Wij vertrouwen er echter op dat u zult inzien dat een verdere samenwerking met de heer [eiser] weinig toekomst heeft en hiermee zult stoppen. Wij betreuren de ontstane situatie en het feit dat wij u hierop moeten aanspreken. Het moge duidelijk zijn dat wij gaarne bereid zijn om met u in gesprek te treden om een oplossing te vinden voor deze zeer onaangename kwestie. (…)” 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - het volgende: 1. dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ieder afzonderlijk wordt veroordeeld geen enkele uitlating over [eiser] te doen, zowel zakelijk als privé, alsmede direct of indirect, op straffe van verbeurte van een dwangsom, 2. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt een bedrag van € 1.338,85 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, 3. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. [gedaagde sub 1] c.s. voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Ter onderbouwing van zijn vordering strekkende tot een verbod om uitlatingen over hem te doen heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde sub 1] c.s. tekortgeschoten is in de nakoming van artikelen 14 en 15 van de vaststellingsovereenkomst, althans onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na het einde van zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] nieuwe werkgevers dan wel zakelijke relaties van hem (of zijn eenmanszaak) te benaderen met negatieve berichtgeving over hem en mededelingen over de inhoud van de vaststellingovereenkomst. In dit kader wijst hij in het bijzonder op de inhoud van de e-mail van 16 maart 2016 (zie 2.3) en de brief van 9 juni 2017 (zie 2.4). 4.2. [gedaagde sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat de hiervoor bedoelde e-mail en brief geen mededelingen bevatten over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, zodat niet in strijd is gehandeld met artikel 14 van deze overeenkomst. De mededelingen vallen volgens haar evenmin onder de reikwijdte van artikel 15 van de vaststellingsovereenkomst, nu deze bepaling beperkt is tot feiten die hebben plaatsgevonden tot het moment dat partijen in januari 2016 uit elkaar gingen. Volgens hem is onvoldoende onderbouwd waarom het doen van de uitlatingen in de e-mail en brief onrechtmatig zouden zijn, en is er geen bewijs geleverd van de stelling dat [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] stelselmatig zwart maakt. De uitlatingen in de e-mail van 16 maart 2016 waren volgens hem bovendien gerechtvaardigd, omdat na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bleek dat de daarin (artikel 7) gedane verklaring van [eiser] , dat hij ten tijde van het tekenen daarvan geen concreet vooruitzicht had op een baan, op gespannen voet stond met de werkelijkheid. Het verzenden van de brief van 19 juni 2017 was een gevolg van het feit dat [gedaagde sub 1] vermoedde dat zij op slinkse wijze met gebruikmaking van informatie die [eiser] vertrouwelijk in het kader van zijn dienstverband bij [gedaagde sub 1] verkregen had, werd beconcurreerd. Gelet op de beperkte verspreiding van de uitlatingen en het ontbreken van gevolgen voor [eiser] is voor een verbod volgens [gedaagde sub 1] c.s. hoe dan ook geen plaats. 4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In de e-mail van 16 maart 2016 schrijft [gedaagde sub 2] aan mevrouw [A] van [bedrijfsnaam 1] onder meer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.