beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Zaak- en rekestnummer: 5512357 / ME VERZ 16-298 Datum beslissing: 2 februari 2017 Toevoeging verzoeker: 4MC5261 Beschikking in de zaak van [verzoeker, tevens verweerder] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, tevens verweerder, hierna ook te noemen: [verzoeker, tevens verweerder] , gemachtigde mr. Y. van der Horst, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[verweerster, tevens verzoekster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster, tevens verzoekster, hierna ook te noemen: [verweerster, tevens verzoekster] ,gemachtigde mr. J.G. Wiebes. 1De procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van: - het verzoekschrift van 14 november 2016, met producties 1 tot en met 17; - het verweerschrift en het tegenverzoek van 19 december 2016, met producties 1 tot en met 25; - een door [verzoeker, tevens verweerder] nagezonden productie 18; - de pleitnotitie van mr. Van der Horst; - de mondelinge behandeling van 5 januari 2017, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. 1.2. Partijen hebben op 19 januari 2017 zich uitgelaten over voortzetting van de procedure. [verzoeker, tevens verweerder] heeft daarbij een voorlopige voorziening verzocht indien de kantonrechter een tussenbeschikking wijst. De voorlopige voorziening en hetgeen partijen daar over en weer over hebben opgemerkt, zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de kantonrechter thans zal overgaan tot het wijzen van een eindbeschikking en het gevorderde – vanwege de stand de procedure - bovendien in strijd is met de beginselen van de goede procesorde. 1.3. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De feiten Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist (mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties) het volgende vast: 2.1. [verzoeker, tevens verweerder] , geboren op [1961] , is op 18 februari 2016 in dienst getreden bij [verweerster, tevens verzoekster] en was laatstelijk werkzaam als Business Controller tegen een salaris van € 4.400,= (bruto) per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een eindejaarsuitkering van 7,050%. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en eindigt derhalve van rechtswege op 17 februari 2017. 2.2. [verweerster, tevens verzoekster] houdt zich bezig met het ondersteunen en begeleiden van gehandicapten, het verlenen van thuiszorg, ambulante begeleiding en 24-uurszorg. Onder de doelgroep van [verweerster, tevens verzoekster] vallen tevens personen met een verstandelijke beperking met geregeld ernstige strafrechtelijke antecedenten. 2.3. [verzoeker, tevens verweerder] is bij besluit van 14 april 2016 benoemd tot gevolmachtigde om de zaken van [verweerster, tevens verzoekster] te beheren, haar belangen waar te nemen, voor haar rechten op te komen en haar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen alsmede datgene te doen wat de gevolmachtigde in het belang van [verweerster, tevens verzoekster] gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten. 2.4. In zijn functie hield [verzoeker, tevens verweerder] zich met name bezig met het uitvoeren van het financiële beleid. 2.5. [verzoeker, tevens verweerder] heeft vanwege onderbezetting op zaterdag 23 juli 2016 vanaf 9:30 uur tot zondagochtend 24 juli 2016 10:00 uur en tussen 15:00 uur en 17:00 uur een dienst gedraaid op een locatie van [verweerster, tevens verzoekster] te [vestigingsplaats] . Dit zonder medeweten van de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] . 2.6. Op 4 augustus 2016 stuurt [verweerster, tevens verzoekster] een officiële waarschuwing aan [verzoeker, tevens verweerder] , waarin zij – samengevat – weergeeft dat [verzoeker, tevens verweerder] als niet zijnde gediplomeerd zorgprofessional een groep van ex TBS-ers op 23 en 24 juli 2016 heeft begeleid die gevaarlijk en onvoorspelbaar gedrag kunnen vertonen. Zij verwijt [verzoeker, tevens verweerder] dat hij de procedures niet heeft gevolgd ten aanzien van de inroostering en daarnaast roekeloos heeft gehandeld door zelf de dienst te draaien. [verweerster, tevens verzoekster] vermeldt voorts in haar brief de volmacht van [verzoeker, tevens verweerder] per direct te hebben ingetrokken. 2.7. Op 3 oktober 2016 is [verzoeker, tevens verweerder] op het werk verschenen om de maandelijkse facturatie en declaratie te verzorgen. [verzoeker, tevens verweerder] had echter geen toegang meer tot onder meer zijn e-mail en de zakelijke bankrekening van [verweerster, tevens verzoekster] . 2.8. Op 4 oktober 2016 is [verzoeker, tevens verweerder] tijdens een gesprek met de Algemeen directeur en de Raad van Commissarissen op staande voet ontslagen. In haar brief van 4 oktober 2016 deelt [verweerster, tevens verzoekster] het volgende aan [verzoeker, tevens verweerder] mee: “(…) Onderbouwing voor je ontslag: - Officiële waarschuwing 04-08-16, waarin is aangegeven dat jij je niet meer met zorginhoudelijke zaken bezig mag houden in de functie van Business Controller. Ondanks deze waarschuwing is geconstateerd dat jij je nog steeds bezig houdt met zorginhoudelijke taken zonder wetenschap van de directie. - Vanuit exit verslagen zijn er door verschillende medewerkers klachten geuit wegens bejegening door en handelswijze van jou. - Rapportages vanuit verschillende locaties laten zien dat cliënten zich zorgen maken door uitingen van jou (o.a. dreigend faillissement [verweerster, tevens verzoekster] ). - Er is geconstateerd dat er diverse e-mails met bedrijf en bedrijfseconomische informatie die vanuit de werkmail naar het e-mailadres [naam verzoeker, tevens verweerder] @ [...] .nl zijn verstuurd. - Begroting en financiële overzichten (welke feitelijk onjuist zijn) zijn door jou verspreid onder medewerkers zonder voorbespreking en/of toestemming van de directie. - Je hebt opgetreden als gemachtigde van een cliënt bij [verweerster, tevens verzoekster] BV bij de [...] . - Uit controle van de administratie is gebleken dat er een deel van de te declareren PGB omzet niet is gefactureerd bij de [...] . De directie heeft daarover van jou, bij specifieke navraag geen duidelijke verklaring mogen ontvangen.” 3. Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] , het verweer van [verweerster, tevens verzoekster] en het tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster] 3.1. [verzoeker, tevens verweerder] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: I. Het ontslag op staande voet van 4 oktober 2016 te vernietigen. II. [verweerster, tevens verzoekster] te verplichten binnen 24 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag dat [verweerster, tevens verzoekster] in gebreke blijft. III. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker, tevens verweerder] van € 4.400,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke emolumenten, waaronder vakantietoeslag vanaf 5 oktober 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. subsidiair: I. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker, tevens verweerder] van € 20.249,= althans een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding. II. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van de eindafrekening van de verlof en PBL uren aan [verzoeker, tevens verweerder] voor een bedrag van € 1.743,94 bruto onder de verplichting binnen zeven dagen na betekening van de beschikking aan [verzoeker, tevens verweerder] de daarbij behorende specificatie te verstrekken onder verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag dat [verweerster, tevens verzoekster] hiermee in gebreke blijft. III. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, zijnde het bedrag van € 4.752,= bruto, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding. primair en subsidiair: [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. [verzoeker, tevens verweerder] legt primair aan zijn verzoek ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Hij stelt – verkort weergegeven - dat van een of meerdere dringende redenen die het ontslag op staande voet rechtvaardigen, geen sprake is en betwist alle in de ontslagbrief genoemde verwijten. Ten aanzien van de op 4 augustus 2016 gegeven waarschuwing, stelt [verzoeker, tevens verweerder] dat er sprake was een noodsituatie vanwege onderbezetting van de locatie [vestigingsplaats] in het weekend van 23 en 24 juli 2016. Het lukte hem niet om contact te krijgen met de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] en de verantwoordelijke voor personeelszaken om over deze situatie vooraf overleg te voeren. Door uiteindelijk zelf de dienst te draaien, heeft [verzoeker, tevens verweerder] nu juist een gevaarlijke situatie voorkomen, zo voert hij aan. [verzoeker, tevens verweerder] stelt dat de officiële waarschuwing om voornoemde redenen onterecht was en dat hij nadien zich heeft beperkt tot de uitvoering van de financiële taken die horen bij zijn functie van Business Controller. [verzoeker, tevens verweerder] betwist voorts de door [verweerster, tevens verzoekster] gestelde geuite klachten van medewerkers. Hij stelt nimmer signalen te hebben ontvangen over onvrede van het personeel. [verzoeker, tevens verweerder] betwist eveneens het verwijt dat hij zich jegens cliënten over een dreigend faillissement zou hebben uitgesproken. Ten aanzien van het doorsturen van bedrijfsinformatie naar zijn privé e-mailadres merkt [verzoeker, tevens verweerder] op dat hij uitsluitend de e-mailcorrespondentie en daarbij behorende gegevens die betrekking hebben gehad op een conflict tussen hem en de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] , heeft doorgezonden naar zijn privé e-mailadres. Dit om deze gegevens veilig te stellen indien hij op enig moment geen toegang meer zou hebben tot zijn zakelijke account. [verzoeker, tevens verweerder] bestrijdt ook het verwijt van [verweerster, tevens verzoekster] dat hij de begroting en financiële overzichten zonder voorbespreking en/of toestemming van de directie zou hebben verspreid. Hij heeft uitsluitend binnen de directie en het MT transparantie willen betrachten ten behoeve van een gezonde exploitatie van [verweerster, tevens verzoekster] . Over het verweten optreden als gemachtigde van een cliënt van [verweerster, tevens verzoekster] merkt [verzoeker, tevens verweerder] op dat hij eenmalig en in onwetendheid een cliënt heeft gevraagd om hem te machtigen diens PGB-zaken te kunnen regelen. Hij handelde daarbij ter goeder trouw. Tot slot ontkent [verzoeker, tevens verweerder] dat een deel van de te declareren PGB omzet niet is gefactureerd bij de [...] . Kortom, de verwijten als genoemd in de ontslagbrief kunnen het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. Daarnaast is niet voldaan aan de onverwijldheidseis, omdat het grootste deel van de verwijten al veel langer bij [verweerster, tevens verzoekster] bekend waren, zonder dat dat aanleiding is geweest om [verzoeker, tevens verweerder] op staande voet te ontslaan. [verzoeker, tevens verweerder] verzoekt dan ook primair vernietiging van het op 4 oktober 2016 gegeven ontslag op staande voet. 3.3. [verweerster, tevens verzoekster] heeft verweer gevoerd en verzoekt de kantonrechter op haar beurt om (samengevat): primair: De vorderingen van [verzoeker, tevens verweerder] zoals geformuleerd onder primair I, II, III en subsidiair I, II en III niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Het verzoek om [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure af te wijzen. Voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst door de opzegging daarvan op 4 oktober 2016 rechtsgeldig is geëindigd. Voor recht te verklaren dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden en te veroordelen tot teruggave van alle bedrijfs- of cliëntgegevens waarover hij beschikt en te verbieden deze gegevens te verveelvoudigen of anderszins te gebruiken. [verzoeker, tevens verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijke nog nader te begroten proceskosten welke [verweerster, tevens verzoekster] in verband met deze procedure heeft moeten maken, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekenen van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening. subsidiair, onder de voorwaarde dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt c.q. wordt vernietigd: De tussen [verweerster, tevens verzoekster] en [verzoeker, tevens verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per eerst mogelijke datum wegens verwijtbaar handelen en nalaten, een ernstig verstoorde arbeidsverhouding alsmede andere hierboven beschreven bijzondere omstandigheden. Voor recht te verklaren dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden en te veroordelen tot teruggave van alle bedrijfs- of cliëntgegevens waarover hij beschikt en te verbieden deze gegevens te verveelvoudigen of anderszins te gebruiken. [verzoeker, tevens verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijke nog nader te begroten proceskosten welke [verweerster, tevens verzoekster] in verband met deze procedure heeft moeten maken, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekenen van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening. 3.4. [verweerster, tevens verzoekster] meent dat de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet moet worden afgewezen. Er is volgens [verweerster, tevens verzoekster] – samengevat - sprake van een terecht en onverwijld gegeven ontslag op staande voet. Ter nadere toelichting op de in de ontslagbrief gegeven redenen voert [verweerster, tevens verzoekster] aan dat [verzoeker, tevens verweerder] is aangenomen voor de functie van Business Controller, wiens taken duidelijk zijn vermeld in de functiebeschrijving. Echter, [verzoeker, tevens verweerder] hield zich herhaaldelijk bezig met taken die buiten zijn functiebeschrijving vielen, zoals het draaien van een dienst op de locatie [vestigingsplaats] . Er was volgens [verweerster, tevens verzoekster] geen noodsituatie en er waren goede alternatieven beschikbaar om de bezetting alsnog op orde te krijgen. [verzoeker, tevens verweerder] stelde zich op als Algemeen directeur en deed naar medewerkers voorkomen of hij beschikte over alle bevoegdheden. Volgens [verweerster, tevens verzoekster] kwam dit doordat [verzoeker, tevens verweerder] [verweerster, tevens verzoekster] wilde kopen. Nadat hem in eerste instantie een eerste recht van overname werd gegund, is de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] hierop terug gekomen. Op het moment dat de overname van [verweerster, tevens verzoekster] door [verzoeker, tevens verweerder] niet doorging, bracht [verzoeker, tevens verweerder] plotseling financiële problemen van [verweerster, tevens verzoekster] aan het licht (waaronder aan medewerkers), welke naar de mening van [verweerster, tevens verzoekster] niet juist zijn. Hierdoor heeft [verzoeker, tevens verweerder] onrust gecreëerd onder de medewerkers en de cliënten van [verweerster, tevens verzoekster] . Ten aanzien van het optreden van [verzoeker, tevens verweerder] als gemachtigde van een cliënt met betrekking tot diens PGB, merkt [verweerster, tevens verzoekster] op dat zij dan wel aangesloten medewerkers in geen geval een PGB beheren van een cliënt. Dit kan namelijk leiden tot belangenverstrengeling en fraude. [verzoeker, tevens verweerder] heeft door zijn handelen het belang van de cognitief beperkte cliënt in het geding gebracht, en heeft daarnaast de licentie van [verweerster, tevens verzoekster] direct op het spel gezet. 3.5. [verweerster, tevens verzoekster] is van mening dat op grond van het voorgaande het ontslag op staande voet op rechtsgeldige wijze is gegeven wegens het bestaan van meerdere dringende redenen die zowel in onderlinge samenhang als op zichzelf bezien een dringende reden opleveren. Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] dient dan ook te worden afgewezen. Indien het verzoek evenwel wordt toegewezen, verzoekt [verweerster, tevens verzoekster] de arbeidsovereenkomst te ontbinden, omdat de onderlinge arbeidsverhouding door toedoen van verwijtbaar handelen van [verzoeker, tevens verweerder] dermate is verstoord dat voortzetting van het dienstverband niet langer mogelijk is. Zij beroept zich hierbij op artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW jo. 7:669 lid 3, aanhef en onder e, g en h BW. 3.6. Op de nadere stellingen van partijen zal – voor zover relevant – in het navolgende worden ingegaan. 4De beoordeling Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] 4.1. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn verzoekschrift, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen, tijdig heeft ingediend. 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [verzoeker, tevens verweerder] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd. 4.3. Ten aanzien van het ontslag op staande voet overweegt de kantonrechter het volgende. Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het eerste lid van het laatstgenoemde artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een van de in dat artikellid onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.