RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer/rekestnummer: 431036 / HA RK 17-13 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 7 februari 2017 op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , (verder te noemen: verzoeker), advocaat: mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het bij e-mailbericht van 13 januari 2017 ingediende verzoek tot wraking met bijlage; de bij e-mailbericht van 19 januari 2017 ingediende aanvulling van de wrakingsgronden; het verweer van mr. M.C. Verra met bijlage (zittingsaantekeningen). 1.2. Het wrakingsverzoek is op 24 januari 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: verzoeker; mevrouw S. Maas van de Regionale Eenheid Midden-Nederland. 1.3. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het wrakingsverzoek 2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. M.C. Verra als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer UTR 16/1142. 2.2. Verzoeker heeft, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Verzoeker stelt dat hem geen tijd werd gegund om van zijn kant de feiten en omstandigheden te kunnen toelichten in de onderliggende complexe zaak. De behandeling duurde in zijn totaliteit 30 minuten. Bovendien stelt verzoeker te zijn afgekapt en onderbroken in zijn verhaal. Verzoeker heeft er verder kennis van genomen dat verweerder 38 producties heeft ingediend in de procedure. Hij stelt echter geen nader daarop betrekking hebbende stukken en motivering te hebben ontvangen van de zijde van verweerder. Verzoeker heeft op voornoemde stukken dus niet goed kunnen reageren en verbaast zich bovendien over het feit dat de stukken zijn ingebracht op verzoek van deze rechtbank, maar volgens de rechter niet relevant zijn. Door problemen met de gemachtigde en voormalig gemachtigde van verzoeker heeft verzoeker niet tijdig voor de zitting kunnen reageren op de stukken. 2.3. Mr. M.C. Verra heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie voert zij aan dat verzoeker ter zitting voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op alle feiten en omstandigheden. Voorts is voor de zitting de volledige tijd benut die daarvoor was geagendeerd. Ter onderbouwing verwijst de rechter naar het proces-verbaal. Dat de rechter verzoeker zou hebben onderbroken en zou hebben gevraagd, vanwege de tijd, af te ronden herkent zij niet. Ook niet dat zij overigens verzoeker zou hebben onderbroken en afgekapt. Wel heeft verzoeker aan het einde van de zitting, toen hij begon met een reactie te geven op de 38 ingediende producties (B-stukken) van de zijde van verweerder, van de rechter het verzoek gekregen af te ronden omwille van de tijd. Hierbij stelt de rechter te hebben aangegeven dat de meeste stukken niet (direct) relevant zijn voor de beoordeling en dat, indien het nodig zou blijken te zijn, verzoeker nog in de gelegenheid zou worden gesteld hierop te mogen reageren. Bovendien voert de rechter aan dat deze stukken ruim voor de zitting zijn toegezonden aan de toenmalige gemachtigde van verzoeker en dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld om hierop voor de zitting schriftelijk te reageren. Dit is niet gebeurd. Ook stelt de rechter te hebben aangegeven dat zij in de uitspraak rekening zou houden met hetgeen verzoeker heeft aangeduid als ‘gekkigheden’ in de B-stukken en verzoeker indien nodig nog om een reactie zou vragen. 3De beoordeling 3.1. Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 3.2. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. 3.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 3.4. Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek twee omstandigheden ten grondslag te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.