RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummers: 16/652732-17 en 16/247755-16 (TUL) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1984] te [geboorteplaats] ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Booij, van hetgeen mr. D.C. van den Heuvel, advocaat te Utrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht, en van hetgeen mr. P.M.A.C. van der Wouw, advocaat te Utrecht, namens benadeelde partij [slachtoffer] naar voren heeft gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: samen met een ander op 8 juni 2017 in Utrecht met geweld en met bedreiging met geweld van [slachtoffer] heeft weggenomen en/of [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een portemonnee, telefoon, sleutels en/of een geldbedrag van 100 euro. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort weergegeven, dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met name gelet op de verscheidene verklaringen van de aangever bij de politie. Die verklaringen lopen weliswaar op onderdelen uiteen, maar hij had een plausibele reden om in zijn eerste verklaring niet de gehele waarheid te spreken, omdat zijn vriendin hierbij aanwezig was en hij zich schaamde. Dit maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt geen handelingen heeft verricht die hem zijn ten laste gelegd. De aangever heeft zelf verklaard dat hij onder invloed was en het is zeer goed mogelijk dat zijn waarneming daardoor is beïnvloed. Zijn verklaring is daardoor onbetrouwbaar. Door de verbalisanten is bovendien geen letsel waargenomen bij de aangever. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de aangever zijn verklaring meerdere malen heeft gewijzigd op belangrijke punten. Zo heeft hij op 8 juni 2017 vroeg in de ochtend en ongeveer 1,5 a 2 uur na het incident, ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaard dat hij bij zijn nek werd gepakt en werd bedreigd toen hij die ochtend uit de portiek liep richting zijn auto. Vervolgens liep hij mee naar de woning aan de [adres] en heeft daar zijn telefoon en sleutelbos afgegeven. Ook was hij zijn portemonnee kwijt. In zijn aangifte op dezelfde dag om 13:05 uur, ongeveer 6 uur na het incident, heeft de aangever op het politiebureau echter verklaard dat hij naar zijn auto liep en dat hij toen vanuit het niets bij zijn keel werd vastgepakt, meermalen werd geslagen en verbaal werd bedreigd. Daar werd hij beroofd van zijn portemonnee met inhoud, sleutels en telefoon. Vervolgens werd hij meegevoerd naar de genoemde woning en moest hij daar naar binnen, waarna hij in de woning opnieuw bij zijn keel werd gepakt, geslagen en bedreigd. In zijn verhoor op 9 juni 2017 heeft de aangever weer anders verklaard, namelijk dat hij denkt dat hij bij de auto bij de keel is gepakt, maar daar niet is geslagen en in de woning werd geslagen en bedreigd. Nadat hem op 10 juni 2017 de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werd voorgehouden, heeft de aangever vervolgens verklaard dat hij (vrijwillig) in de richting van de woning is gelopen en daar in de buurt werd vastgepakt en mee moest naar de woning en in de woning is beroofd van zijn spullen. Verder klopt zijn aangifte, aldus aangever. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de aangever een plausibele reden had om in zijn eerste verklaring niet de waarheid te spreken, omdat zijn vriendin op dat moment aanwezig was en hij zich schaamde. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat de vriendin van de aangever aanwezig is geweest bij zijn verhoren op 8 juni 2017, 9 juni 2017 en 10 juni 2017, die alle plaatsvonden op het politiebureau. Verder staat vast dat de vriendin van de aangever niet aanwezig was bij de verklaring die de aangever direct na het incident ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft afgelegd: de vriendin van de aangever arriveerde blijkens dit proces-verbaal immers pas nadat verbalisant [verbalisant 2] was vertrokken. Daarbij komt nog dat is komen vast te staan dat de aangever onder invloed verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde, zo kan worden opgemaakt uit onder meer zijn eigen verklaringen en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] . Eén en ander maakt dat de rechtbank de verklaringen van de aangever met terughoudendheid beziet. Gelet op het voorgaande is onduidelijk gebleven wat er exact heeft plaatsgevonden. Aangezien verdachte in alle toonaarden elke betrokkenheid bij het strafbare feit ontkent en er verder alleen gebrekkig steunbewijs van zijn betrokkenheid voorhanden is, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij moet worden vrijgesproken. 5BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 17.774,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.