RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 16/4199 T2 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: J.M.T. Wijnberg), en de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerster (gemachtigde: mr. H.A.H.D. de Vries en mr. F.E. van Beek). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Nederlandse Zorgautoriteit, te Utrecht, gemachtigde: mr. M.G. van Horzen. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 7 juli 2017 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerster in de gelegenheid gesteld om binnen achter weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. Verweerster heeft de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen. De rechtbank heeft de andere partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op dit uitstelverzoek. Derde-partij heeft hierop gereageerd. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. Overwegingen
- Verweerster heeft haar verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
- Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo'n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM4478) en 21 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT2162).
- Verweerster heeft in de brief meegedeeld dat zij gebruik wil maken van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen, maar dat de termijn van acht weken die haar in de tussenuitspraak is gesteld te kort is. Zij heeft toegelicht dat zij, gelet op de tussenuitspraak, onderzoek moet doen bij verschillende verantwoordelijken (derde-partij, de Minister van VWS, het CPB, ZiNL, de ACM en het CBS) en dat zij (aanvullende) informatie moet opvragen en/of informatie moet vergaren door middel van een onderzoek ter plaatse. Op basis van die informatie zullen vervolgens de vragen in de tussenuitspraak beantwoord worden. Verweerster heeft gesteld dat een dergelijk onderzoek normaal gesproken tenminste een halfjaar in beslag neemt. Tevens merkt verweerster op dat de tussenuitspraak is gedaan in de zomervakantie en dat zij rekening moet houden met de beperkte aanwezigheid van interne dossierbehandelaars en van contactpersonen bij de genoemde organisaties. Verweerster verzoekt de termijn in de tussenuitspraak te wijzigen in 26 weken.
- Derde-partij heeft in haar reactie op het uitstelverzoek vermeld dat zij zelf ook om uitstel heeft verzocht bij verweerster om nadere informatie te verschaffen aan verweerster. De rechtbank maakt hieruit op dat derde-partij instemt met het verzoek om uitstel van verweerster.
- De rechtbank overweegt dat zij op dit moment niet kan overzien of de samenvatting die verweerster in haar brief heeft gegeven van de wijze waarop zij de gebreken moet herstellen, één op één overeenstemt met wat de rechtbank in de tussenuitspraak van haar verlangt. Het is in deze fase de verantwoordelijkheid van verweerster om op juiste wijze uitvoering te geven aan de tussenuitspraak. Het is in elk geval duidelijk dat verweerster veel onderzoek zal moeten doen en informatie zal moeten verzamelen bij verschillende instanties om de gebreken te kunnen herstellen. Er is daarom sprake van een bijzonder geval en dit maakt dat verlenging van de termijn gerechtvaardigd is. Daarbij overweegt de rechtbank dat elke andere beslissing van de rechtbank - met name de einduitspraak waarbij verweerster de opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen - naar alle waarschijnlijkheid tot een minder finale vorm van geschilbeslechting leidt.
- De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Beslissing De rechtbank: - stelt verweerster in de gelegenheid om binnen 26 weken na verzending van de (eerste) tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in die tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.