RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 17/1688, UTR 17/1689, UTR 17/1190 en UTR 17/1192 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen [eiser ] (eiser) en [eiseres] (eiseres), in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [2001] en [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [2004] ,te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. E. Osinga), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder (gemachtigde: mr. W.I. Koelewijn). Procesverloop Zaaknummer UTR 17/1688 ( [minderjarige 1] ) Bij besluit van 16 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode van 2 juni 2015 tot 17 augustus 2015 een extra individuele voorziening toegekend voor kort verblijf, begeleiding groep en individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ter hoogte van € 8.813,60. Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij besluit van 14 oktober 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode van 2 september 2015 tot 28 februari 2016 meerdere individuele voorzieningen toegekend, waaronder behandeling in het [instelling] in de vorm van zorg in natura met vervoer en per week 9 dagdelen groep, 10 uur begeleiding individueel en 2 uur behandeling individueel. Daarnaast is een pgb ter hoogte van € 11.880,96 toegekend voor begeleiding groep in het weekend (19 keer), begeleiding individueel logeren bij sociaal netwerk in het weekend (7 keer), begeleiding groep in de vakantie (1 week) en individuele begeleiding in de ochtend en middag door een professional (25 weken). Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder de op dat moment aan [minderjarige 1] verstrekte indicaties met drie maanden tot 1 november 2015 verlengd. Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten I tot en met III ongegrond verklaard. Zaaknummer UTR 17/1689 ( [minderjarige 2] ) Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit IV) heeft verweerder aan [minderjarige 2] over de periode van 2 september 2015 tot en met 28 februari 2016 individuele voorzieningen toegekend voor begeleiding individueel (7 uur per week), kortdurend verblijf (1 etmaal per week) en begeleiding groep (2 dagdelen per week met vervoer) in de vorm van een pgb. Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit V) heeft verweerder de op dat moment aan [minderjarige 2] verstrekte indicaties met drie maanden tot 1 november 2015 verlengd. Bij afzonderlijk besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten IV en V ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld. Zaaknummers UTR 17/1190 ( [minderjarige 1] ) en UTR 17/1192 ( [minderjarige 2] ) Bij besluit van 8 december 2016 (het bestreden besluit III) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode 1 november 2016 tot 30 april 2017 individuele voorzieningen toegekend voor Maatschappelijke deelname bij het [instelling] (8 dagdelen per week), vervoer naar [instelling] (4 dagen per week), Behandeling bij het [instelling] (2 uur per week) en Ondersteuning zelfredzaamheid bij het [instelling] (10 uur per week) in de vorm van zorg in natura. Daarnaast is aan [minderjarige 1] Tijdelijk verblijf (2 etmalen per week), Maatschappelijke participatie (3 dagdelen per week) en Ondersteuning zelfredzaamheid (13 uur per week) toegekend in de vorm van een pgb. De aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb heeft verweerder afgewezen. Bij besluit van eveneens 8 december 2016 (het bestreden besluit IV) heeft verweerder aan [minderjarige 2] over de periode 1 november 2016 tot 30 april 2017 individuele voorzieningen toegekend voor Ondersteuning zelfredzaamheid bij [kliniek] (4 uur per week), Ondersteuning zelfredzaamheid professionele oppas (2 uur per week), Ondersteuning zelfredzaamheid vakantieopvang (8 uur per vakantieweek, 4 vakantieweken) en Tijdelijk verblijf (2 etmalen per maand) in de vorm van een pgb. De aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 5 uren per week heeft verweerder afgewezen. Eisers hebben verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij instemt met de rechtstreekse beroepen tegen de bestreden besluiten III en IV. Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. [minderjarige 1] (17 jaar ) is bekend met een autistische stoornis/PDDNOS, aandachtstekortstoornis, taalspraakproblematiek en een beneden gemiddeld intelligentieniveau. In de periode van 2008 tot en met mei 2014 is [minderjarige 1] op basis van vrijwilligheid opgenomen voor behandeling bij de [instelling] . Na drie jaar is hij in een gezinshuis opgenomen. In mei 2014 is [minderjarige 1] door eisers weer naar huis gehaald en in het gezin opgenomen. [minderjarige 2] ( 13 jaar ) is bekend met een psychiatrische aandoening (een angststoornis en een pervasieve ontwikkelingsstoornis nao) en een taalontwikkelingsstoornis. [minderjarige 2] ging eerst naar het regulier onderwijs. Binnen een jaar kwam de overstap naar Cluster II onderwijs. [minderjarige 2] gaat inmiddels weer naar het regulier onderwijs, maar met ambulante begeleiding. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontvingen tot juni 2015 een pgb op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Eisers hebben daarna bij verweerder een aanvraag voor een herindicatie/vervolgindicatie ingediend waarop de primaire besluiten I, II en IV, zijn genomen. Daarvoor hebben vanaf april 2015 meerdere gesprekken tussen eisers en medewerkers van het Sociaal Team plaatsgevonden. Op 9 februari 2016 heeft verweerder de toen geldende indicaties voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 1 augustus 2016.In april 2016 heeft verweerder aan [adviesbureau] ( [adviesbureau] ) – aangedragen door de toenmalige gemachtigde van eisers – de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de zorgbehoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Eisers hebben de conceptrapporten van [adviesbureau] op 5 juli 2016 ontvangen. Vervolgens zijn de conceptrapporten op 7 juli 2016 tijdens een gesprek met verweerder toegelicht door de rapporteur van [adviesbureau] , mevrouw [rapporteur] ( [rapporteur] ). Hierbij waren eisers niet aanwezig. Vervolgens is het definitieve rapport op 8 juli 2016 door [adviesbureau] uitgebracht. In verband met de vakantietijd, de korte periode tot 1 augustus 2016 en omdat er geen gesprek met eisers heeft plaatsgevonden, heeft verweerder de indicaties voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de primaire besluiten III en V tot 31 oktober 2016 verlengd. Op grond van het definitieve rapport van [adviesbureau] heeft verweerder op 8 december 2016 de primaire besluiten V en VI genomen waarbij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] indicaties zijn gesteld voor de periode 1 november 2016 tot 30 april 2017. 2. Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 4 januari 2017 – de primaire besluiten I tot en met V herroepen. Daarbij heeft verweerder de primaire besluiten VI en VII van 8 december 2016, verzonden op 21 december 2016 en die op het definitieve rapport van [adviesbureau] zijn gebaseerd in de plaats gesteld van de herroepen besluiten I tot en met V. Voor de grondslagen van de primaire besluiten VI en VII heeft verweerder verwezen naar het rapport van [adviesbureau] van 8 juli 2016. 3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder de gevraagde pgb voor individuele begeleiding door eiseres/moeder ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat sprake is van overbelasting. Daarbij stellen eisers dat het begrip ‘overbelasting’ niet in de Jeugdwet (Jw) voorkomt. Het beleid dat verweerder hanteert is daarom in strijd met de wet. In dit verband hebben eisers tevens aangevoerd dat verweerder het definitieve rapport van [adviesbureau] niet aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen, omdat het onvoldoende is onderbouwd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen medische deskundige heeft geraadpleegd om te beoordelen of sprake is van overbelasting en dat zij onvoldoende op de concept-rapporten hebben kunnen reageren. 4. Op 1 januari 2015 is de Jw in werking getreden. De wet vervangt het onder de oude wetgeving bestaande wettelijke recht op zorg door een jeugdhulpplicht voor gemeenten. De gemeente treft daar waar een jeugdige of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, een voorziening op het gebied van jeugdhulp. De gemeente is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist zij of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. De gemeente is gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dat neemt echter niet weg dat zij een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening precies moet worden getroffen. De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben op basis van een beoordeling van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager (vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, blz. 8). Deze verantwoordelijkheid voor de gemeenten is neergelegd in artikel 2.3 van de Jw. 5. Artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jw biedt de mogelijkheid aan het college om, indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, een pgb te verstrekken dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een pgb wordt verstrekt indien:a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake van dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; enc. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.Volgens het derde lid van dit artikel kan bij verordening worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 6. Verweerder heeft ter uitvoering van de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jw de Jeugdverordening gemeente Houten (Verordening) vastgesteld. 7. In artikel 10 van de Verordening zijn regels opgenomen voor een pgb. Het derde lid houdt in dat het college bij nadere regeling bepaalt onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 8. Ter uitvoering van onder meer artikel 10 van de Verordening heeft verweerder het Besluit jeugd Houten vastgesteld (Besluit). Artikel 6, derde lid, van het Besluit bepaalt dat uit het persoonsgebonden budget personen uit het sociale netwerk kunnen worden betaald, indien: a. dat tot een effectievere en meer doelmatige ondersteuning leidt; b. en deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt. 9. Artikel 2.9 van de Jw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. (…) c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d. (…) 10. Uit artikel 8.1.1 van de Jw volgt dat in de door de gemeenteraad vastgestelde verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. In de Nota van wijziging van 7 oktober 2013 (Kamerstukken II, 2013/14,33684, nr. 11) heeft de wetgever, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt: “De gemeente kan in de verordening bepalen in welke situaties en onder welke voorwaarden de persoon aan wie de gemeente een pgb verstrekt, de mogelijkheid heeft om personen in te schakelen uit zijn sociale netwerk.” 11. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaarden waaronder een persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die tot het sociale netwerk behoort, tot de essentialia van een voorzieningenpakket dienen te worden gerekend. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en acht wat daar in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, van gelijke toepassing op de Jeugdwet. Dit betekent dat in artikel 10 van de Verordening ten onrechte is bepaald dat het college bij nadere regeling kan bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Het college is daartoe niet bevoegd, nu artikel 2.9 aanhef en onder a en c, in verbinding met artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet daarvoor geen grondslag biedt. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn genomen en voor vernietiging in aanmerking komen. 12. Over eisers’ beroepsgrond dat het rapport van [adviesbureau] onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is onderbouwd, overweegt de rechtbank als volgt. 13. Zoals de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.