vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht Locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/401510 / HA ZA 15-810 Vonnis van 20 september 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. G.T.J. Hoff, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gemeente Stichtse Vecht, gedaagde, advocaat mr. M.R. van Zanten. Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 september 2015, met producties 1 tot en met 21; de conclusie van antwoord van gedaagde van 18 november 2015, met producties 1 tot en met 39; de akte tot rectificatie van 2 december 2015 van gedaagde met productie 35; de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis van eiseres van 2 maart 2016, met producties 22 tot en met 29; de conclusie van dupliek van gedaagde van 13 april 2016; de akte overlegging producties van eiseres van 13 oktober 2016 met producties 30 tot en met 34; de pleidooien op 27 oktober 2016 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Gedaagde is de broer van eiseres. 2.2. Eiseres is gehuwd geweest – op huwelijkse voorwaarden - met de heer [A] (hierna: [A] ). Het huwelijk is op [2012] door echtscheiding ontbonden. 2.3. In 2002 heeft eiseres € 400.000,- geleend aan gedaagde. In een brief van 8 oktober 2002 van eiseres aan gedaagde staat onder meer het volgende: “op jouw verzoek leen ik jou een bedrag ad € 400.000,- voor 3 maanden, vanaf heden. We hebben afgesproken, dat dit bedrag niet gecompenseerd kan worden en dat jij, zo gauw jij op een of andere wijze geld vrijkrijgt (…) vervroegd aflost (…). Voor het geval er na 3 mnd. niet betaald is (…) gaat 8% per jaar in.” 2.4. [A] handelde onder meer in vastgoed en aandelen. [A] deed zaken met de heer [B] en zijn familie (hierna: [B] c.s.) en had als gevolg daarvan een miljoenenschuld opgebouwd bij [B] c.s. Op 3 augustus 2008 heeft [A] eiseres een overeenkomst laten tekenen op grond waarvan eiseres zich verplichtte om uiterlijk op 30 januari 2010 een pakket aandelen ten bedrage van € 10 miljoen van [B] c.s. te kopen. Later is gebleken dat [B] en [A] wisten dat deze aandelen waardeloos waren. In mei 2010 is eiseres als gevolg van die overeenkomst succesvol door [B] c.s. aangesproken tot nakoming van die overeenkomst. Als gevolg daarvan werd zij gedwongen een groot deel van haar vermogen over te dragen aan [B] c.s., dan wel werd er beslag op gelegd door [B] c.s. of werden er zekerheidsrechten op verstrekt ten behoeve van [B] c.s. Bij vonnis van 11 februari 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat [B] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en dat eiseres niet gehouden kan worden aan de overeenkomsten en rechtshandelingen die zij is aangegaan met [B] c.s. en [B] c.s. veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan eiseres. 2.5. [A] heeft zich in privé garant gesteld voor verplichtingen van een van zijn Duitse vennootschappen jegens aannemersbedrijf [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [A] kwam zijn verplichtingen uit deze garantstelling niet na. Als gevolg hiervan heeft [bedrijfsnaam 1] in april 2010 executoriaal beslag laten leggen op de inboedel van de echtelijke woning van eiseres en [A] . De executoriale verkoop van de inboedel is voorkomen door in kort geding aan te tonen dat de inboedel eigendom was van eiseres en niet van [A] . Tegen dat kort geding vonnis van 19 juli 2010 heeft [bedrijfsnaam 1] hoger beroep ingesteld. 2.6. Begin 2011 heeft een huiszoeking door de politie plaatsgevonden in de echtelijke woning van eiseres en [A] , waarbij [A] werd aangehouden om vervolgens drie dagen in voorlopige hechtenis door te brengen wegens vermeende betrokkenheid bij afpersing. 2.7. Om zich tegen de executiemaatregelen van [bedrijfsnaam 1] te kunnen verweren, is [A] in 2011 een procedure tegen [bedrijfsnaam 1] begonnen in Duitsland (hierna: “de Gegenklage”). Voor de financiering van onder meer de advocaatkosten van deze procedure en een verplicht depot van € 150.000,- was een bedrag van € 250.000,- nodig. Daarnaast diende [A] € 50.000,- aan andere schuldeisers te voldoen. [A] heeft hiervoor op 28 april 2011 een overeenkomst van geldlening gesloten met gedaagde, op grond waarvan gedaagde € 300.000,- leende aan [A] . 2.8. Op 6 mei 2011 hebben eiseres en gedaagde een overeenkomst getekend waarin eiseres zich garant stelt voor het door gedaagde aan [A] uitgeleende bedrag in ruil voor een gedeelte van een door gedaagde bedongen winstdeling op [A] (hierna: “de Hoofdsomgarantie”). Eiseres stelt zekerheid voor die garantstelling met haar aandeel in de nalatenschap van de ouders van partijen. Daarnaast zijn in deze overeenkomst verschillende vorderingen van gedaagde op [A] en [bedrijfsnaam 4] . (hierna: [bedrijfsnaam 4] ) voor een koopsom van in totaal € 747.776,- overgedragen aan eiseres. In de overeenkomst staat verder vermeld dat die koopsom wordt verrekend met de vordering die eiseres heeft op gedaagde uit hoofde van de hiervoor onder 2.3. vermelde geldlening, en dat die vordering op 31 december 2010, inclusief rente, € 747.776,- bedraagt. 2.9. Op 13 september 2011 is [A] in privé failliet gegaan. Op 27 september 2011 is een vennootschap van [A] ( [bedrijfsnaam 2] B.V.) failliet gegaan. Op 28 september 2011 is tussen eiseres en gedaagde een overeenkomst gesloten (hierna: “de Vaststellingsovereenkomst”). Op basis van deze (nadere) overeenkomst wint gedaagde vervolgens de door eiseres in de Hoofdsomgarantie gestelde zekerheden uit. In verband met het faillissement van [A] op 13 september 2011 stellen partijen in die overeenkomst vast dat [A] niet in staat zou zijn om de hoofdsom van € 300.000,- aan gedaagde terug te betalen, dat op 27 september 2011 [bedrijfsnaam 2] B.V. failliet was gegaan en dat naar verwachting op korte termijn nog meer faillissementen van de ondernemingen van [A] zouden volgen en dat eiseres en gedaagde daarom kwamen tot een versnelde afwikkeling van de Hoofdsomgarantie. In de Vaststellingsovereenkomst is bepaald dat vanuit de erfenis van de ouders van partijen een aantal roerende zaken die eiseres toekwamen en die een waarde hadden van € 245.162,50 aan gedaagde zouden worden afgegeven, waarna een vordering van gedaagde op eiseres resteerde van € 54.837,50. 3Het geschil 3.1. Eiseres vordert, na eiswijziging, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: primair: gedaagde te veroordelen om aan eiseres te voldoen € 747.776,-, vermeerderd met 8% contractuele rente vanaf 31 december 2010 tot 6 mei 2011, minus € 300.000,-, het restant vermeerderd met 8% contractuele rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening; subsidiair: gedaagde te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van de lening uit 2002 ad € 400.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2002 tot aan de dag der algehele voldoening; primair en subsidiair: o gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 83.162,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening; o gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 11.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening; o gedaagde te veroordelen tot afgifte van de in de dagvaarding in paragraaf 71 onder c tot en met h vermelde erfstukken binnen veertien dagen na vonnisdatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat hieraan geen volledige uitvoering wordt gegeven; o gedaagde te veroordelen tot het voldoen van de kosten van dit geding, inclusief de nakosten, nasalaris en de explootkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseres, althans tot ontzegging van haar vorderingen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten (de nakosten daaronder begrepen), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW althans 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. 3.3. Eiseres baseert haar primaire vorderingen op de stelling dat gedaagde bij de totstandkoming van de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden van eiseres. Zij voert daartoe in de kern het volgende aan. Gedaagde heeft misbruik gemaakt van de situatie waarin eiseres buiten haar schuld is komen te verkeren. Voor het verstrekken van een acuut benodigde financiering van € 300.000,- in 2011 door gedaagde aan [A] , welke financiering niet ten goede kwam aan eiseres, had gedaagde twee eisen. Ten eerste eiste hij dat eiseres garant stond voor deze lening aan [A] . Ten tweede moest eiseres haar vordering op gedaagde van € 747.776,- (hoofdsom € 400.000,- plus 8% rente vanaf 2002) inruilen voor een aantal oninbare vorderingen van gedaagde op onder meer [A] . Gedaagde heeft tevens op grond van de afgedwongen garantie een deel van de aan eiseres toekomende erfenis van de ouders van partijen naar zich toegetrokken. Volgens eiseres wist gedaagde op het moment van sluiten van de Hoofdsomgarantie beter dan eiseres hoe haar financiële en juridische situatie was en dat de overeenkomsten die hij met haar sloot voor haar uitsluitend nadelige gevolgen hadden. Het handelen van gedaagde kwalificeert eiseres als een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Zij heeft daar nadeel van ondervonden en daardoor schade geleden, die gedaagde dient te vergoeden, aldus eiseres. 3.4. Gedaagde betwist dat de Hoofdsomgarantie door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens gedaagde was de Hoofdsomgarantie niet nadelig voor eiseres, was hij daarnaast ook niet op de hoogte van de financiële en juridische situatie van eiseres zodat hij ook niet in staat was om daar misbruik van te maken en heeft eiseres hoe dan ook haar rechten verwerkt. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling rechtsverwerking 4.1. Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is zijn beroep op rechtsverwerking. De rechtbank zal eerst dat verweer behandelen. Volgens gedaagde heeft eiseres bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij geen vorderingen tegen hem zou instellen die te maken hebben met het afsluiten van de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst. Dit vertrouwen is gewekt doordat eiseres, nadat zij met de curatoren van [A] had gesproken, op 7 september 2012 aan gedaagde heeft medegedeeld dat zij het niet eens is met de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst. Desondanks heeft zij tot 13 mei 2015 niets gedaan om deze overeenkomsten aan te tasten. Zij heeft zelfs de mogelijkheid om de overeenkomsten aan te tasten bewust laten verjaren en dat heeft zij ook verklaard tegenover haar familieleden en is door haar advocaat bevestigd in een e-mail van 17 juli 2014 (productie 31 van gedaagde, pagina 5 onder 10). Daarin heeft de advocaat van eiseres aan een broer van partijen het volgende geschreven: “Ik heb aangegeven dat [voornaam van eiseres] haar mogelijke rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomsten met [voornaam van gedaagde] uit 2011 op grond van een wilsgebrek bewust heeft laten verjaren, omdat zij niet wilde dat een stuitingsbriefje aanleiding zou zijn voor meer pijnpunten binnen de familie. (…) Wil jij dat hierover iets wordt vastgelegd of is de mededeling hiervoor voldoende? Overigens merk ik op dat de curatoren wel vragen hebben gesteld over de overeenkomsten met [voornaam van gedaagde] .” Ten slotte heeft eiseres nog in augustus 2014 besloten tot afgifte van diverse kunstvoorwerpen aan gedaagde ter nakoming van de Vaststellingsovereenkomst, aldus nog steeds gedaagde. Op grond van het voorgaande stelt gedaagde dat hij er op mocht vertrouwen dat eventuele pijnpunten met eiseres onder geen enkele omstandigheid zouden leiden tot een gerechtelijke procedure. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. Van rechtsverwerking is sprake indien een schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich niet gedragen op een wijze die onverenigbaar is met het instellen van de onderhavige vordering jegens gedaagde. Zij heeft nimmer aan gedaagde kenbaar gemaakt dat zij geen vordering tegen hem zou instellen. Eiseres heeft slechts laten weten dat zij niet naast de curatoren van [A] , die op dat moment bezig waren met het instellen van een vordering tegen gedaagde met betrekking tot de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst, tegen gedaagde zou procederen over hetzelfde onderwerp. Deze uitspraak evenals de hiervoor weergegeven verklaringen van de advocaat van eiseres werden bovendien gedaan in correspondentie met de familie van partijen in het kader van een verzoek van eiseres om hulp om onder meer de rechtszaak tegen [B] c.s. te financieren. Uit die correspondentie volgt dat de familie als voorwaarde aan te verlenen hulp stelde dat eiseres noch de curatoren van [A] tegen gedaagde zouden procederen. Namens eiseres wordt geantwoord dat zij niet aan die voorwaarde kan voldoen omdat de curatoren vanwege de onevenwichtigheid van de overeenkomsten die gedaagde met eiseres is aangegaan niet bereid zijn om afstand te doen van een vordering jegens gedaagde. De advocaat van eiseres verklaart verder dat eiseres er voor heeft gekozen om geen stuitingsbrief te sturen om onrust in de familie te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande niet worden geconcludeerd dat eiseres in de toekomst ook van ieder ander rechtsmiddel zou afzien. Dat eiseres uitvoering heeft gegeven aan de vaststellingsovereenkomst maakt het voorgaande evenmin anders; zolang de overeenkomsten niet zijn vernietigd dient eiseres deze immers na te komen. Bovendien blijkt uit de door eiseres als bijlage 4 bij productie 23 overgelegde e-mails van gedaagde, dat zij deze goederen pas heeft afgegeven na herhaaldelijk aandringen van gedaagde. Het beroep op rechtsverwerking van gedaagde slaagt dan ook niet. misbruik van omstandigheden; bijzondere omstandigheden 4.3. Eiseres baseert haar vorderingen op misbruik van omstandigheden door gedaagde. Ingevolge artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres bewogen is tot het aangaan van de Hoofsomgarantie en Vaststellingovereenkomst. Vervolgens zal worden beoordeeld of gedaagde de totstandkoming heeft bevorderd terwijl hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden. 4.4. Eiseres heeft gesteld dat zij ten tijde van het afsluiten van de Hoofdsomgarantie door alle juridische en financiële verwikkelingen rondom [A] , waarin zij door schuldeisers werd betrokken, niet meer helder kon denken en dat zij alles zou doen om rust op het gebied van schuldeisers van haar man te kunnen creëren. De omstandigheden die daartoe hebben bijgedragen zijn volgens eiseres onder meer de hiervoor onder 2.4. weergegeven kwestie ten aanzien van [B] c.s., waardoor eiseres geen beschikking meer had over haar vermogen of over liquide middelen, de inval van de politie en arrestatie van [A] in de woning van haar gezin begin 2011, de dreigende aansprakelijkstelling van haar door [bedrijfsnaam 1] en het dreigende faillissement van [A] . Volgens [A] , zijn adviseurs en gedaagde zou met behulp van het door gedaagde te verstrekken bedrag de Gegenklage kunnen worden gefinancierd en zou een groot deel van de dreiging kunnen worden afgewend en een faillissement kunnen worden voorkomen. Niet betwist is dat voormelde omstandigheden en gebeurtenissen aan de orde waren of zich hadden voorgedaan ten tijde van het aangaan van de Hoofdsomgarantie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende komen vast te staan dat eiseres in een positie zat waardoor in haar beleving een acute dreiging bestond voor het verlies van (een groot deel van) haar vermogen en het faillissement van haar echtgenoot. Gesteld noch gebleken is dat er in de periode van het sluiten van de Hoofdsomgarantie voor eiseres een andere oplossing voorhanden was om uit deze penibele situatie te komen dan door financiering van de Gegenklage. Eiseres bevond zich dan ook in een situatie waarin zij zich genoodzaakt voelde om de Hoofdsomgarantie te tekenen, omdat het alternatief - een faillissement van [A] en (de dreiging van) verhaal van zijn schuldeisers op haar vermogen - voor haar en haar gezin nog minder aantrekkelijk was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat bij eiseres sprake was van een noodtoestand en dus van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. Op de vraag of (ook) sprake was van een abnormale geestestoestand of onervarenheid, andere in artikel 3:44 BW genoemde voorbeelden van bijzondere omstandigheden, hoeft de rechtbank niet meer in te gaan. Dat geldt dan ook voor de discussie die partijen in dat kader hebben gevoerd over de rol van mr. [C] en de mate van ervarenheid van eiseres. misbruik van omstandigheden; kenbaarheid en bevorderen 4.5. Vervolgens is de vraag aan de orde of gedaagde de totstandkoming van de Hoofdsomgarantie heeft bevorderd terwijl hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat gedaagde op de hoogte was van de slechte financiële situatie van eiseres en [A] . Alleen al het gegeven dat eiseres en [A] afhankelijk waren van hem om een bedrag van € 300.000,- te financieren moet voor gedaagde een sterke aanwijzing zijn geweest dat het financieel niet goed ging met eiseres, gelet op het vermogen dat eiseres voor de kwestie met [B] c.s. vrij tot haar beschikking had. Daar komt bij dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat in januari 2011 nog een goede bekende van gedaagde zijn intrek had genomen in haar villa op Marbella, die zij als gevolg van de kwestie met [B] c.s. al eerder gedwongen aan [B] c.s. had moeten overdragen en dat gedaagde hiervan dus op de hoogte moet zijn geweest, ook omdat hijzelf een huis in de buurt bezit en gebruikt. Ten slotte volgt de wetenschap van gedaagde over de situatie van eiseres en [A] uit de considerans van de Hoofdsomgarantie. Daarin staat namelijk het volgende vermeld: “Overwegende dat: De echtgenoot van [eiseres] , alsmede aan hem verbonden vennootschappen in Nederland en in Duitsland, op dit moment in ernstige financiële moeilijkheden verkeren; (…) De diverse rechtszaken die [bedrijfsnaam 1] voert met de echtgenoot van [eiseres] en de aan hem verbonden vennootschappen mogelijk ook repercussies hebben voor [eiseres] zelf. Zo dreigt de inboedel van de echtelijke woning executoriaal verkocht te worden als een lopende rechtszaak bij het Gerechtshof Arnhem in het nadeel van [eiseres] zou aflopen. Anderzijds heeft [bedrijfsnaam 1] in het verleden aangegeven, dat zij niet zal nalaten om ook [eiseres] (maar dan in haar hoedanigheid van voormalig bestuurder van één van de contractspartijen van [bedrijfsnaam 1] ) aansprakelijk te stellen voor de in haar ogen geleden schade; Ook [eiseres] , dit nog daargelaten het feit dat zij waar mogelijk haar echtgenoot graag wil helpen bij het oplossen van diens zakelijke conflicten, er derhalve belang bij heeft dat [bedrijfsnaam 1] er niet in slaagt tot een hoger beloop dan dat waartoe zij gerechtigd is claims bij de echtgenoot van [eiseres] neer te leggen; De echtgenoot van [eiseres] de mogelijkheid heeft om de claims van [bedrijfsnaam 1] te beperken door in Duitsland juridische procedures tegen [bedrijfsnaam 1] te voeren; [eiseres] er belang bij heeft dat deze (kostbare) procedures ook daadwerkelijk kunnen worden gevoerd; [eiseres] op dit moment niet over de liquiditeiten beschikt om bedoelde procedures te doen voeren; [gedaagde] wel over deze liquiditeiten beschikt en bereid is om deze aan de echtgenoot van [eiseres] ter leen te verstrekken onder de voorwaarde dat [eiseres] hem een garantie verstrekt voor de hoofdsom van het aan de echtgenoot van [A] ter leen te verstrekken bedrag; (…)” 4.6. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde de totstandkoming van de Hoofsomgarantie met de daarin weergegeven voorwaarden heeft bevorderd. Dit volgt uit de door gedaagde als productie 21 overgelegde e-mailwisseling tussen hem en mr. [C] van 12 april 2011 en de daarop volgende e-mail van gedaagde aan mr. [C] die door eiseres als productie 10 is overgelegd. In de eerstgenoemde e-mailwisseling schrijft mr. [C] om 13.41 uur aan eiseres en gedaagde onder meer het volgende: “Los van de vraag of het vorenstaande nu een goede samenvatting is van de voorstellen die nu op tafel liggen is mijn vraag of het niet efficiënter is om de hoofdsomgarantie vorm te geven in de vorm van een gedeeltelijke aflossing door [voornaam van gedaagde] van zijn schuld aan [voornaam van eiseres] . Dat voorkomt immers een hoop gedoe rondom het stellen van zekerheid via het erfdeel. De transactie zou dan hierop neer komen dat [voornaam van gedaagde] een bedrag van € 225.000 aflost van zijn schuld aan [voornaam van eiseres] en dat zij dit geld aanwendt voor de financiering van de procedure tegen [bedrijfsnaam 1] . (…) Waarom doen we het niet aldus, dat [voornaam van gedaagde] conform het eerdere plan € 225.000 leent aan [voornaam van A] . [voornaam van eiseres] en [voornaam van gedaagde] komen in dit kader overeen, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.