RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 15/4950 en UTR 15/5091 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaken tussen
(2).Met betrekking tot document 147 merkt de rechtbank op dat op de openbaar gemaakte versie op pagina 3 geen weigeringsgrond staat vermeld. De rechtbank is in dit geval dan ook uitgegaan van de weigeringsgrond zoals vermeld op de inventarislijst. De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob de weigering tot openbaarmaking van de weggelakte passage kan dragen. Wat betreft de verslagen van de MCCb heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid het gebrek te herstellen. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder rechtsoverweging 1, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat verweerder hierover heeft opgemerkt in zijn aanvullend besluit van 26 augustus 2016 volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar tussenuitspraak. De rechtbank blijft dan ook bij haar oordeel in de tussenuitspraak dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd door het ontbreken van een afweging per onderdeel van ieder document of openbaarmaking ertoe kan leiden dat de open en ongedwongen beraadslaging tussen de leden van de commissie wordt belemmerd en zo ja, of daaraan zodanig gewicht moet worden toegerekend dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken.Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat vorenstaande ook opgaat voor de documenten A76 t/m A
- Verweerder heeft deze documenten alsnog aan de rechtbank toegezonden en de rechtbank stelt vast dat verweerder in het aanvullend besluit van 26 augustus 2016 terecht heeft overwogen dat dit verslagen van de MCCb betreffen.Met betrekking tot document A58 stelt de rechtbank vast dat verweerder dit document opnieuw integraal heeft geweigerd. Volgens verweerder betreft ook dit document een MCCb-verslag. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat ook voor dit document hetzelfde geldt als hiervoor is overwogen over de overige verslagen van de MCCb.
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte in alle documenten getiteld “Situatieschets en duiding” de volledige tekst onder het kopje Duiding heeft weggelakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat sommige bulletpoints feitelijke gegevens en beschrijvingen bevatten, die niet zodanig verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen dat ze niet los daarvan gelezen kunnen worden. De rechtbank heeft verweerder daarom in de gelegenheid gesteld alle tekst onder het kopje Duiding opnieuw door te nemen en te beoordelen. In zijn besluit van 26 augustus 2016 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de tekst onder het kopje Duiding in alle documenten “Situatieschets en duiding” grotendeels openbaar gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder nu nog geweigerde passages onder dit kopje op goede gronden geweigerd. De daaraan ten grondslag gelegde weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking steeds dragen.
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de documenten 113, 145 en 166A overwogen dat verweerder terecht heeft geweigerd passages uit deze documenten openbaar te maken. In de door eiser over deze documenten in de zienswijze gemaakte opmerkingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat rechtvaardigt dat de rechtbank op dit punt terugkomt van haar tussenuitspraak.
- De rechtbank constateert verder dat verweerder de tekst achter de vijfde bulletpoint in document 21 opnieuw heeft geweigerd en aan deze weigering nu de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder a en g, van de Wob ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat ook deze weigeringsgronden de weigering tot openbaarmaking niet kunnen dragen. Met betrekking tot document 157 merkt de rechtbank naar aanleiding van de zienswijze van eisers hierover op dat over de weigering tot openbaarmaking van de passages op pagina’s 2 en 3 in de tussenuitspraak al is geoordeeld. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is de weigering van deze passages door de rechtbank in de tussenuitspraak akkoord bevonden.
- De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de in de tussenuitspraak genoemde documenten die in deze einduitspraak niet concreet zijn genoemd, de herstelpoging van verweerder geslaagd is en geen aanleiding geeft tot nadere opmerkingen.
- Gelet op de in de tussenuitspraak en de hiervoor genoemde geconstateerde gebreken zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en het besluit van 26 augustus 2016 in zoverre. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De primaire besluiten worden herroepen voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd de verslagen van de MCCb en de in rechtsoverwegingen 6 en 10 genoemde passages in de documenten 19, 21, 24, 58, 104 en 118 openbaar te maken. De rechtbank bepaalt dat deze (passages in deze) documenten openbaar worden gemaakt. Verweerder wordt opgedragen om binnen zes weken uitvoering te geven aan deze uitspraak. Daarmee heeft verweerder indien gewenst de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak en de voorzitter van de ABRvS te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen die de werking van deze uitspraak opschort.
- Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten stelt de rechtbank op grond van het voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten en het besluit van 26 augustus 2016, voor zover daarbij de openbaarmaking is geweigerd van alle verslagen van de MCCb en de in rechtsoverwegingen 6 en 10 genoemde passages in de documenten 19, 21, 24, 58, 104 en 118; herroept de primaire besluiten in zoverre; willigt het verzoek om openbaarmaking in zoverre in; bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden besluiten en het besluit van 26 augustus 2016; - draagt verweerder op binnen zes weken uitvoering te geven aan deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van tweemaal € 331,- aan eisers te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.237,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. T. Pavićević, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.