vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Vonnis van 21 maart 2018 in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6273720 / MC EXPL 17-8489 van 1 [eiser] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [eiser] ,2. [eiseres] , wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [eiseres] ,eisers, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen: [eiser] c.s.,gemachtigde: mr. W.L. Leefers, tegen 1 [gedaagde 1] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [gedaagde 2] ,gedaagden, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde 1] c.s.,verschenen in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 29 november 2017, de akte vermindering eis tevens akte overlegging producties van [eiser] c.s., de akte overlegging producties van [gedaagde 1] c.s., de akte overlegging productie van [eiser] c.s., de akte overlegging productie van [gedaagde 1] c.s., de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen, gehouden op 21 februari 2018. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) staat een woonhuis en enkele opstallen, waaronder twee tuinhuisjes. In 1972 heeft [gedaagde 1] c.s. één van de tuinhuisjes (hierna: het gehuurde) als woonruimte betrokken. 2.2. [eiser] c.s. heeft in 1986 het perceel in eigendom verkregen. [eiser] c.s. is het woonhuis gaan bewonen en [gedaagde 1] c.s. heeft vanaf dat moment de maandelijks huurpenningen aan [eiser] c.s. betaald. 2.3. Bij handgeschreven brief van 24 augustus 1994 heeft [gedaagde 1] c.s. – voor zover van belang – het volgende aan [eiser] c.s. geschreven: “Na bezichtiging van ons huis binnen en buiten werd het volgende toen besproken en afgesproken: 1. De huuraanpassing van huis en kantoor. 2. Het onderhoud van het huis (…) Punt 2. Gezien de betrokkenheid van [gedaagde 1] [de rechtbank verstaat: [gedaagde 1] ] met het bouwvak, zouden wij de onderhoudswerkzaamheden op ons nemen en jij de kosten van de materialen. Dit d.m.v. compensatie van huurtermijnen”. 2.4. In de jaren voorafgaand aan 2015 heeft [gedaagde 2] haar permanente verblijfplaats in het gehuurde gehad en verbleef [gedaagde 1] daarin af en toe. Vanaf begin 2015 staat het gehuurde leeg. 2.5. Bij brief van 12 november 2016 heeft [eiser] c.s. – voor zover van belang – het volgende aan [gedaagde 2] geschreven: “Terugkomend van vakantie constateerden wij, dat de kachel in het door jou van ons gehuurde houten tuinhuis weer eens niet meer brandt. (…) zeker in herfst en winter [is dat] niet acceptabel en met name niet bij, wat hier het geval is, een vrij in het bos staand houten tuinhuis van meer dan 85 jaar oud. Verder zeggen wij je per heden de huur op en verzoeken je uiterlijk 1 maart 2017 het tuinhuis in goede orde te hebben ontruimd (…). Al bijna twee jaar ben je zonder achterlating van adres vertrokken en staat het huisje leeg. De staat van onderhoud is zo langzamerhand erbarmelijk, onderhoud waar jij toe bent verplicht”. 2.6. Bij ongedateerde brief heeft [gedaagde 1] c.s. aan [eiser] c.s. laten weten niet akkoord te gaan met de opzegging van de huurovereenkomst en heeft hij [eiser] c.s. opgeroepen om achterstallig onderhoud aan het gehuurde te (laten) verrichten. 2.7. Bij verklaring van 29 maart 2017 heeft mevrouw E. Zeilmaker, psychiater bij Mentrum, voor zover van belang verklaard: “(…) Hierbij verklaar ik, dat [eiseres] en haar familie de officiële mantelzorgers zijn van dhr. [A] [de kantonrechter begrijpt: de zoon van [eiser] c.s.]. Dhr. [A] is bij Mentrum in ambulante behandeling en woont in een beschermde woonvorm van het HVO. Ondergetekende is al lange tijd zijn psychiater. Ik verklaar dat Dhr. [A] al jaren wanneer mogelijk, iedere woensdag bij zijn familie komt. (…) Het zou mijns inziens voor meneer zijn gezondheid zeer bevorderlijk zijn als hij daar ook kon blijven logeren, helemaal omdat zijn ouders zelf niet in [woonplaats] wonen. Het is dan wel belangrijk, gezien zijn psychiatrische stoornis, dat hij dan een eigen plekje heeft waar hij rustig kan verblijven. Het tuinhuis zou hiervoor een ideale en wenselijke plek zijn”. 3Het geschil 3.1. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] c.s. thans na eisvermindering primair vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de huurovereenkomst te ontbinden vanwege slecht huurderschap per datum van het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, met bevel binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, het gehuurde te verlaten en ontruimen, met machtiging van [eiser] c.s. om de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde 1] c.s. Subsidiair vordert [eiser] c.s. om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de huurovereenkomst te beëindigen vanwege dringend eigen gebruik per datum van het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, met bevel binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, het gehuurde te verlaten en ontruimen, met machtiging van [eiser] c.s. om de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde 1] c.s. 3.2. [eiser] c.s. legt – kort samengevat – aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Uit de verplichting om zich als goed huurder te gedragen volgt dat [gedaagde 1] c.s. verplicht is het gehuurde te bewonen. Het gehuurde staat echter al twee jaar leeg en (de buitenzijde van) het gehuurde verkeert in een slechte staat, terwijl [gedaagde 1] c.s. verantwoordelijk is voor het verrichten van onderhoud. Daarnaast is [eiser] c.s. mantelzorger van een zoon die het gehuurde nodig heeft als logeerplek. 3.3. [gedaagde 1] c.s. heeft – kort samengevat – erkend dat het gehuurde ongeveer twee jaar lang niet is bewoond. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hij momenteel niet in het gehuurde woont omdat hij vanwege medische redenen in een revalidatiecentrum verblijft en [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij zich niet veilig voelt om alleen in het gehuurde te wonen. [gedaagde 1] c.s. heeft aangevoerd voornemens te zijn om op termijn het gehuurde weer als hoofdverblijfplaats te gaan bewonen en dat maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat de staat van het gehuurde achteruit gaat tijdens de periode dat het niet wordt bewoond. [gedaagde 1] c.s. heeft eveneens bevestigd dat (de buitenzijde van) het gehuurde in een slechte staat van onderhoud verkeert, maar heeft betwist daarvoor verantwoordelijk te zijn. [gedaagde 1] c.s. betwist verder dat [eiser] c.s. het gehuurde voor dringend eigen gebruik nodig heeft, mede omdat volgens hem de zoon kan blijven logeren in de woning van [eiser] c.s. of in een van de andere opstallen op het perceel, zodat de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde 1] c.s. zou moeten uitvallen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter zal eerst beoordelen of de huurovereenkomst moet worden ontbonden vanwege slecht huurderschap en indien dat niet zo is, zal hij beoordelen of de huurovereenkomst moet worden beëindigd vanwege dringend eigen gebruik. Ontbinding huurovereenkomst vanwege slecht huurderschap? 4.2. [eiser] c.s. heeft gesteld dat [gedaagde 1] c.s. zich als slecht huurder heeft gedragen door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.