RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/653332-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1988] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [adres] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 maart 2018 en 27 maart 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht, alsmede door of namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar voren is gebracht. 2TENLASTELEGGING onder 1 primair: op 18 november 2017 in Utrecht al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven; onder 1 subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; onder 1 meer subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht al dan niet samen met een ander [slachtoffer 1] heeft mishandeld; onder 2 primair: op 18 november 2017 in Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven; onder 2 subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; onder 2 meer subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; onder 2 meest subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld; onder 3 primair: op 18 november 2017 in Utrecht openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ; onder 3 subsidiair: op 18 november 2017 in Utrecht [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft mishandeld. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie acht het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend te bewijzen en vordert vrijspraak van dit feit. Wel acht de officier van justitie het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, nu niet gezegd kan worden dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het intreden van het gevolg, in dit geval de dood. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel “medeplegen” in feit 1. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde Op 18 november 2017 heeft er in Utrecht op de Steenweg een vechtpartij plaatsgevonden tussen twee groepjes van personen. Verdachte was samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en later voegde [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) zich bij hen. De andere groep bestond uit [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna respectievelijk [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] op straat aan het rappen waren en dat zij langs een groepje liepen dat dat kennelijk niet waardeerde. Een jongen met een negroïde uiterlijk kwam naar [slachtoffer 4] lopen en zij raakten in gesprek. [slachtoffer 1] had niet de indruk dat het een vervelend gesprek was, maar op een gegeven moment voelde hij dat de sfeer slechter werd. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] aan het rappen waren en dat er op een gegeven moment een groepje jongens om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heen stond. Hij merkte dat de sfeer niet zo goed was. [slachtoffer 5] heeft verder verklaard dat de twee groepen bij elkaar stonden en dat het tot een confrontatie kwam. Het werd duw- en trekwerk. Op de camerabeelden is te zien dat beide groepen elkaar om 1.50 uur de hand geven en hun weg willen vervolgen. [slachtoffer 2] komt teruglopen en zoekt de confrontatie met verdachte. Verdachte geeft [slachtoffer 2] een duw. Om 1.51.23 uur geeft [slachtoffer 4] [medeverdachte] een trap. [slachtoffer 1] heeft ondertussen zijn jas uitgetrokken. Om 1.51.27 uur probeert [slachtoffer 2] [medeverdachte] met rechts te slaan. Hij mist in eerste instantie, maar zwaait vrijwel direct daarop met zijn rechterarm terug en raakt daarbij het hoofd van [medeverdachte] . Verdachte slaat [slachtoffer 1] naar de grond, waardoor [slachtoffer 1] pas voor de voeten van [medeverdachte] terecht komt. [slachtoffer 1] steunt met zijn handen en knieën op de grond. Om 1.51.29 geeft [medeverdachte] met de neus van zijn rechterschoen twee trappen in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] , waarvan de eerste zichtbaar raak is. Terwijl dit gebeurt komt [slachtoffer 3] erbij. Om 1.51.32 uur haalt [medeverdachte] met zijn vuist uit naar [slachtoffer 2] , maar mist. Om 1.51.33 uur haalt [medeverdachte] nog een keer uit met zijn vuist naar [slachtoffer 2] en deze klap lijkt wel raak te zijn. Er ontstaat om 1.51.42 uur een aantal kleine vechtpartijtjes, waarbij over en weer wordt geslagen. [slachtoffer 1] is inmiddels weer opgestaan. Verdachte ligt samen met [slachtoffer 5] op de grond. Om 1.51.48 uur geeft [slachtoffer 3] aan [slachtoffer 5] een aantal kniestoten. Om 1.51.50 uur probeert [slachtoffer 1] [slachtoffer 3] weg te duwen bij [slachtoffer 5] . [slachtoffer 1] krijgt van verdachte een klap waardoor hij gelijk neervalt op de grond en roerloos blijft liggen. Om 1.52.17 uur is [slachtoffer 4] in gevecht met verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 2] loopt erop af. Om 1.51.22 uur stompt verdachte [slachtoffer 2] met kracht in zijn gezicht, waardoor [slachtoffer 2] achterover met zijn hoofd op de straat neervalt en eveneens roerloos blijft liggen. Om 1.52.30 uur halen verdachte en [medeverdachte] tegelijkertijd uit naar [slachtoffer 5] . [medeverdachte] slaat [slachtoffer 5] nog een keer op zijn achterhoofd. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liggen dan nog steeds roerloos op de grond. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat door de vechtpartij zijn linkerkaak op twee plaatsen gebroken is en dat hij een kleine schedelbasisfractuur heeft opgelopen. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de donkere jongen waarmee hij stond te praten plotseling agressief werd. Verder heeft [slachtoffer 4] verklaard dat hij tijdens de vechtpartij rake klappen op zijn hoofd heeft gekregen. [slachtoffer 4] werd door twee jongens aangevallen en hij had het idee dat zij wisten hoe ze moesten vechten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een jongen aan het rappen was en dat [medeverdachte] daarop reageerde. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de beelden heeft gezien dat hij twee rake klappen heeft uitgedeeld. Ook heeft verdachte verklaard dat hij zijn vriend [medeverdachte] wilde helpen. Overwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde Opzet De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden, heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. In de onderhavige zaak is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] in een vechtpartij geweld uitgeoefend op het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] werd door verdachte tegen zijn hoofd geslagen, waardoor hij ten val kwam. Op het moment dat [slachtoffer 1] op handen en knieën weerloos op de grond steunde werd hij door [medeverdachte] tegen zijn hoofd geschopt. De rechtbank heeft daarbij op de camerabeelden waargenomen dat [medeverdachte] zijn rechtervoet naar achter bewoog en dat hij vervolgens twee gerichte schoppende bewegingen naar het hoofd van [slachtoffer 1] maakte. Te zien is dat [medeverdachte] in ieder geval bij de eerste schop met de neus van zijn schoen het hoofd van [slachtoffer 1] raakte. Op een later moment werd [slachtoffer 1] door verdachte met een vuistslag nog eens hard tegen zijn hoofd geslagen. Als gevolg hiervan klapte [slachtoffer 1] met zijn hoofd tegen de grond en bleef hij vervolgens roerloos liggen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is en dat heftig geweld tegen het hoofd zeer wel denkbaar tot de dood van een slachtoffer kan leiden. Verdachte wordt geacht hiervan op de hoogte te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor beschreven heftige geweld dat verdachte en [medeverdachte] gericht en bij herhaling hebben uitgevoerd tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht geweest op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer 1] . Door de combinatie van het geven van een harde schop en vuistslagen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , hebben verdachte en [medeverdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] als gevolg van dit geweld zou komen te overlijden. De rechtbank is daarbij niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel. Zij verwerpt dan ook het verweer dat geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. Waar het [slachtoffer 2] betreft is geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat hij zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde. Van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen ten gevolge van het handelen van verdachte is wel sprake. Verdachte heeft [slachtoffer 2] hard tegen het hoofd geslagen. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat verdachte, voordat hij [slachtoffer 2] sloeg, [slachtoffer 1] had geslagen waardoor die [slachtoffer 1] op de grond neerviel en roerloos bleef liggen. Verdachte wist op het moment dat hij [slachtoffer 2] sloeg, wat de gevolgen van zijn handelen konden zijn. Medeplegen De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met [medeverdachte] de confrontatie aangegaan met de groep personen waartoe [slachtoffer 1] behoorde. Verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard dat zij elkaar wilden helpen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een vechtpartij die als één doorlopend geheel moet worden beschouwd. Verdachte en [medeverdachte] hebben hieraan vanaf het begin tot aan het eind in overwegend aanvallende zin deelgenomen. Dit geldt vooral voor het geweld in de richting van [slachtoffer 1] . Verdachte en [medeverdachte] hebben daarbij er op geen enkel moment blijk van gegeven dat zij zich hebben willen distantiëren van het geweld tegen [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] ten aanzien van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] . Conclusie De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor overwogen. De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte ten minste met voorwaardelijk opzet geprobeerd heeft [slachtoffer 1] van het leven te beroven door meerdere malen geweld uit te oefenen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] . Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met twee anderen op de openbare weg geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. Primair op 18 november 2017 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, hebbende verdachte en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen diens hoofd gestompt en die (op dat moment op zijn knieën op de grond, zittende) [slachtoffer 1] tegen diens hoofd, geschopt en die [slachtoffer 1] (opnieuw/weer) (met - zeer veel - kracht) tegen diens hoofd gestompt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] bewusteloos raakte en/of (met zijn hoofd) (hard) op de straat terecht kwam, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; 2. Subsidiair op 18 november 2017 te Utrecht, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (dubbele) kaakbreuk en een schedelbasisfractuur, heeft toegebracht door met dat opzet die [slachtoffer 2] (met - zeer veel - kracht) tegen diens gezicht te slaan ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] met zijn hoofd (hard) op de straat terecht is gekomen; 3. Primair op 18 november 2017 te Utrecht, op of aan de openbare weg, te weten de Steenweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , welk geweld bestond uit het meermalen (met kracht) slaan/stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: onder 1: medeplegen van poging tot doodslag; onder 2: zware mishandeling; onder 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de volgende (bijzondere) voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie gericht op alcohol en geweld en een ambulante behandeling. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening gehouden moet worden met het aandeel dat de slachtoffers hebben gehad in de vechtpartij. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging is van mening dat een werkstraf van maximale duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld, passend is. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door geweld uit te oefenen op het hoofd van die [slachtoffer 1] . Het geweld bestond uit schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , terwijl deze op handen en knieën op de grond steunde, en uit het stompen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is hierdoor op grond gevallen en buiten bewustzijn geraakt. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 2] zwaar mishandeld door hem hard tegen zijn hoofd te slaan. [slachtoffer 2] heeft hierdoor een dubbele kaakbreuk en een kleine schedelbasisfractuur opgelopen. Ook heeft verdachte samen met anderen tijdens het uitgaan in een vechtpartij klappen uitgedeeld aan [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] . Door dit forse geweld in het uitgaansleven heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, waarvan sommige ernstige verwondingen hebben opgelopen. Dat dit bij [slachtoffer 1] niet tot dodelijke verwondingen heeft geleid is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins is te danken aan verdachte en diens handelen. De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondervinden tot op heden nog steeds lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van deze feiten. Voorts veroorzaken dergelijke feiten, zeker als het feit plaatsvindt op de openbare weg en er mensen getuigen van zijn, gevoelens van onveiligheid en onrust bij deze getuigen in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de feiten en de context waarin deze zijn gepleegd, zoals dat tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de groep waartoe de slachtoffers behoorden evenzeer heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij. De rechtbank heeft ook kennis genomen van: - een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 23 januari 2018; - een reclasseringsadvies van 23 maart 2018, uitgebracht door Reclassering Nederland. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met geweldsdelicten tijdens het uitgaan. Opvallend is dat verdachte deze feiten ook samen met de medeverdachte heeft gepleegd. Dit is echter enige jaren geleden, maar het heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw gewelddadige feiten te plegen. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het delictgedrag van verdachte in de kern bij zijn sub-assertiviteit ligt die soms overgecompenseerd wordt, waardoor hij zich agressief kan uiten. Dit gebeurt in situaties waarin verdachte, al dan niet met zijn vrienden, in conflict komt met anderen en zich aangevallen voelt. Verdachte was onder invloed van alcohol, de rapporteur is van mening dat dit een faciliterende rol heeft gespeeld ten tijde van het ten laste gelegde, maar ook tijdens eerdere justitiecontacten. Het heeft een ontremmend effect op hem. Het lukt verdachte dan niet meer om de agressieregulatievaardigheden (die hij in 2012 geleerd heeft tijdens zijn behandeling bij De Waag) toe te passen. Daarnaast ziet de rapporteur dat verdachte onvoldoende inzicht heeft in het verband tussen alcohol en geweld. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld/hoog. De reclassering heeft geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie gericht op alcohol en geweld en een ambulante behandeling. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en noodzakelijk is. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank om herhaling te voorkomen tevens de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals hierna te noemen en door de reclassering geadviseerd. 9BENADEELDE PARTIJEN [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.594,87. Dit bedrag bestaat uit € 394,87 materiële schade en € 1.200,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en stelt schade te hebben geleden ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit ten bedrage van € 13.013,30. Dit bedrag bestaat uit € 10.013,30 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade .De benadeelde partij is echter van mening dat rekening gehouden moet worden met een mate van eigen schuld en is van mening dat een ‘eigen schuld correctie’ van 30% aan de orde is. De benadeelde partij vordert dan ook een bedrag van € 9.109,31. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voldoende onderbouwd is en dat deze hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vindt ook dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voldoende onderbouwd is en dat deze kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 353,90 en dat voor een vergoeding van de immateriële schade weinig ruimte is gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij. De raadsman is van mening dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair is de raadsman van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,- en dat voor een vergoeding van de immateriële schade geen ruimte is gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.594,87 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 november 2017 tot de dag van volledige betaling. Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.