RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 18/1526 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M. van Duijn), en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. S. Penning en [gemachtigde] ). Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker geweigerd als gemachtigde van [A] voor de duur van 12 maanden. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft louter financiële belangen naar voren gebracht, maar hij heeft niet onderbouwd dat sprake is van een actuele financiële noodsituatie of dat de continuïteit van zijn onderneming wordt bedreigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft. Hij kan immers op dit moment in het geheel geen werkzaamheden uitvoeren ten behoeve van [A] in procedures bij verweerder, terwijl zijn werkzaamheden voor haar een substantieel deel van zijn totale werkzaamheden beslaan. Dit is niet uitsluitend een financieel belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dan ook inhoudelijk beoordelen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft evenwel een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Verweerder heeft aan de weigering van verzoeker als gemachtigde van [A] ten grondslag gelegd dat verzoeker misbruik maakt van recht. Volgens verweerder procedeert verzoeker in de hoop om dwangsommen wegens niet tijdig beslissen te innen en/of vergoeding van proceskosten wegens een onjuiste beslissing van verweerder te verkrijgen. Dit leidt tot een onevenredige werkbelasting bij verweerder. Artikel 2:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaat, kan weigeren. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat van deze bevoegdheid slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik mag worden gemaakt. Er moeten ernstige bezwaren aan de orde zijn. Bij uitspraak van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1585) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat ook gevallen van misbruik van recht door een bepaalde persoon ernstige bezwaren kunnen vormen op grond waarvan die persoon als gemachtigde mag worden geweigerd. Ernstige bezwaren zijn evenwel niet reeds aan de orde indien de betrokken persoon in een incidenteel en op zichzelf staand geval misbruik van recht heeft gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bieden de door verweerder aan het primaire besluit ten grondslag gelegde omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen stellen dat zich ernstige bezwaren tegen verzoeker voordoen. Verweerder is er niet in geslaagd een duidelijk overzicht te geven van de aantallen ingediende Wob-verzoeken en de naar aanleiding daarvan gevoerde procedures door verzoeker namens [A] . Hetzelfde geldt voor de bedragen aan proceskostenvergoedingen en dwangsommen die verzoeker/ [A] zouden hebben verkregen. De genoemde bedragen worden door verzoeker ook betwist. Alleen het aantal door [A] in 2016 ingediende Wob-verzoeken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.