RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/659029-18 Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juli 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 april 2018 en 27 juni 2018. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 16/659030-18) en [medeverdachte 2] (parketnummer 16/659031-18). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, [slachtoffer 1] (verder ook: [slachtoffer 1] ) opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd met oogmerk [slachtoffer 2] (verder ook: [slachtoffer 2] ) te dwingen iets te doen of niet te doen; feit 2 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld; feit 3 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling; feit 4 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, [slachtoffer 2] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd; feit 5 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, met geweld een geldbedrag (van circa 1800 euro) en/of een pinpas (met bijbehorende pincode) en/of een horloge van [slachtoffer 2] heeft gestolen; en/of op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, al dan niet in vereniging, [slachtoffer 2] heeft afgeperst; feit 6 op of omstreeks 9 januari 2018 te Utrecht, heeft geprobeerd [slachtoffer 2] af te persen. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 2 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie vordert op onderdelen partiële vrijspraak. Ook voor de feiten 1, 3, 4 en 6 wordt vrijspraak gevorderd. Bij feit 5 is sprake van afpersing in vereniging. Verdachte is zowel tijdens het geweld dat in het kantoor als het geweld dat buiten het kantoor heeft plaatsgevonden aanwezig geweest en heeft zich niet aan het geweld onttrokken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdediging acht de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar. Beide aangevers hebben meerdere verklaringen afgelegd die zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van hun eigen verklaring afwijken en tegenstrijdig zijn. Bij feit 1, 3 en 4 was verdachte niet fysiek aanwezig, de feiten zijn dan ook niet door hem gepleegd. In het dossier zit geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Verdachte heeft ook geen rol gehad bij feit 5, bij veel van de gedragingen was verdachte niet eens aanwezig. De verdenking van feit 6 is gebaseerd op de verklaring van aangever die niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Ten aanzien van alle feiten geldt dat geen sprake is van medeplegen doordat een nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering ontbreekt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak ten aanzien van het onder de feiten 1, 3, 4 en 6 ten laste gelegde. De rechtbank acht – evenals de officier van justitie en de verdediging – niet bewezen dat verdachte hetgeen onder de feiten 1, 3, 4 en 6 ten laste is gelegd, heeft begaan. Verdachte wordt van deze feiten vrijgesproken. Vrijspraak ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde heeft begaan. Uit de verklaringen van de verschillende aanwezigen is gebleken dat verdachte op een later moment in het kantoor arriveerde. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte reeds in het kantoor aanwezig was toen daar de geweldshandelingen plaatsvonden en het geld werd afgegeven. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt bij het plegen van dit feit, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde Aangever [slachtoffer 1] heeft op 9 januari 2018 aangifte gedaan en verklaard: “Een vriend (…) had mij vandaag gebeld. (…) Rond half 6 was ik bij hem op kantoor. (…) Ik heb die deur opengemaakt en ik ben gelijk gevlucht. Toen hebben zij mij (…) achtervolgd. (…) Helemaal beneden bij de deur hebben zij mij aangepakt en beginnen zij mij te slaan.” [slachtoffer 1] heeft later verklaard: “Vervolgens toen ik op de grond lag begonnen alle 3 de mannen mij te schoppen en slaan. Toen heb ik ook mijn neus gebroken” [slachtoffer 2] heeft verklaard: “V: Wat heb je gezien (…) bij [slachtoffer 1] , met betrekking tot mishandeling? A: (…) Ze waren alle drie met hun bezig. Met vuisten en schoppen. (…) V: Met alle drie, welke bedoel je dan? A: Broer van [medeverdachte 1] , [verdachte] en de jongen met de pet.” Door de verbalisant zijn de camerabeelden uitgekeken waarbij het volgende is gezien: “Ik zag dat er (…) beelden waren van (…) camera’s die allen hangen op het bedrijventerrein aan de [adres] te [woonplaats] . (…) Ik zie bij de toegangsdeur twee personen op de grond zitten. (…) Vanachter de grijze bedrijfswagen komt een persoon richting de man op de grond lopen. Hij pakt deze bij zijn arm en sleept hem over de grond. De persoon in donker gekleed met de lichte broek maakt een trappende beweging als de persoon op de grond ligt.” Bij het nogmaals uitkijken van de camerabeelden heeft de verbalisant het volgende vastgesteld: “Zichtbaar was dat verdachte [slachtoffer 2] was gekleed in een lichte spijkerbroek/jeans en donkere jas. (…) Zichtbaar was dat de persoon, die een harde schop gaf tegen het lichaam van aangever [slachtoffer 1] , een lichte broek droeg en donkere jas. Vanuit de beelden bleek dat verdachte [slachtoffer 2] de enige persoon was van de verdachten, die aan dit kleding signalement voldeed.” Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard: “Toen [slachtoffer 1] uit het kantoor is weggelopen zijn we allemaal achter hem aangerend. Het klopt dat ik ben de persoon met de lichte broek die op de camerabeelden is te zien.” Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen: “Uitwendig waargenomen letsel: Meerdere schaafwonden Wond rechter slaap gehecht (…) Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja – gebroken neus” Bewijsoverweging ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 2] en nog een derde persoon schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling. De rechtbank stelt voorop dat van medeplegen sprake is wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen Daarbij hoeven niet alle delictsbestanden door alle daders vervuld te zijn. Nodig is dat er een nauwe en bewuste samenwerking is tussen verdachten en/of dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Uit zowel de verklaring van verdachte zelf als uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte aanwezig was bij de vechtpartij die zich beneden aan de trap heeft afgespeeld. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt daarnaast ook dat verdachte actief aan het gevecht heeft deelgenomen. Vervolgens heeft de mishandeling van [slachtoffer 1] zich buiten voortgezet. Daarbij is [slachtoffer 1] geschopt en over de grond gesleept. De verklaring van verdachte dat hij niet bij het geweld betrokken is geweest, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Verdachte heeft betwist dat op de beelden is te zien dat hij een schoppende beweging maakt. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant die de bewegende beelden heeft uitgekeken. Daarnaast komen deze bevindingen overeen met de verklaringen van beide aangevers. De rechtbank heeft niet de overtuiging gekregen dat [slachtoffer 1] met een wapenstok of hard voorwerp op zijn achterhoofd is geslagen, omdat de verklaringen over de gebeurtenissen op/onder aan de trap te ver uiteen lopen. Dit maakt dat de rechtbank – anders dan de officier van justitie – niet komt tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevers wisselend en tegenstrijdig hebben verklaard. Om die reden zijn de verklaringen volgens de verdediging onbetrouwbaar en dienen zij van het bewijs te worden uitgesloten. Hoewel de verklaringen van de aangevers op enkele onderdelen van elkaar afwijken, komen hun verklaringen in de kern overeen. Daarnaast worden de verklaringen, voor zover gebruikt voor het bewijs, door andere bewijsmiddelen ondersteund, zoals hiervoor is besproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen voldoende geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 2 op 9 januari 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] te schoppen en terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] meermalen tegen het lichaam te slaan/schoppen en die [slachtoffer 1] vast te pakken en over de grond te slepen; Hetgeen onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 2 tweede cumulatief/alternatief: medeplegen van mishandeling 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een locatie- en contactverbod zoals door de benadeelde partijen is verzocht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis met name gelet op het aandeel van verdachte in het uitgeoefende geweld. 8.2 Het standpunt van de verdediging Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken. Indien de rechtbank tot een veroordeling komt wordt verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straf gelijk te stellen aan de duur van de voorlopige hechtenis. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich, vanwege een financieel geschil, samen met anderen schuldig gemaakt aan mishandeling. Het toegepaste geweld heeft een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het daarbij betrokken slachtoffer. De rechtbank overweegt in het bijzonder dat verdachte en zijn medeverdachten op volstrekt ontoelaatbare en grensoverschrijdende wijze het recht in eigen hand hebben genomen, zonder in enige mate rekening te houden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank verklaart minder feiten bewezen dan door de officier van justitie is gevorderd. Om die reden wordt van de strafeis van de officier van justitie afgeweken en komt de rechtbank tot de oplegging van een lagere straf. De persoonlijke omstandigheden van verdachte waarop door de verdediging een beroep is gedaan, vormen geen aanleiding tot het opleggen van een nog lagere straf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. 9BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd. [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 51.800,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.800,- aan materiële schade en € 50.000,- aan immateriële schade. [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 6.449,19. Dit bedrag bestaat uit € 2.449,19 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie Van de vordering van [slachtoffer 2] kan naar het oordeel van de rechtbank € 1.000,- aan immateriële schade worden toegewezen. De rest van de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij is op dat punt niet-ontvankelijk in zijn vordering. De materiële schade van € 1.800,- is niet door verdachte veroorzaakt. De benadeelde partij is daarom ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in zijn vordering. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de door [slachtoffer 2] geleden schade. De vorderingen moet met de wettelijke rente worden vermeerderd. Daarnaast eist de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [slachtoffer 1] dient in zijn gehele vordering op verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard. 9.2 Het standpunt van de verdediging De schade die door [slachtoffer 2] is gevorderd is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bij de materiële schade die door [slachtoffer 1] wordt gevorderd is de schadebeperkingsplicht van toepassing. Daarnaast zijn de geclaimde kosten geen rechtstreekse schade. [slachtoffer 1] is ten aanzien van deze schade dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering. De immateriële schade is alleen met medische stukken onderbouwd en daarnaast kan de gebroken neus niet aan verdachte worden toegerekend. [slachtoffer 1] is ten aanzien van deze schade niet-ontvankelijk in zijn vordering. Indien de rechtbank van oordeel is dat de schade wel aan verdachte kan worden toegerekend dan zal deze tot € 750,- moeten worden gematigd. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] Nu gesteld noch gebleken is dat [slachtoffer 2] schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit moet hij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] Vast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank wijst € 39,55 aan materiële schade toe voor de gemaakte huisartsenkosten. De overige kosten die zijn gevorderd, te weten de advocaatkosten, parkeerkosten en kosten voor rijlessen en examen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Er is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten. [slachtoffer 1] is in dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Als gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer 1] letsel opgelopen in de vorm van een gebroken neus. Gelet op de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank verklaart [slachtoffer 1] ten aanzien van het meer aan immateriële schade gevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De verdachte is naar burgerlijk recht met zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.