RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/700116-16 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer van 25 juli 2018 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] geboren op [1960] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [adres] , hierna te noemen: de veroordeelde. Raadsman: mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2018 en 11 juli
- 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; het strafdossier onder parketnummer 16/700116-16 waaruit blijkt dat de veroordeelde op 25 juli 2018 door deze rechtbank is veroordeeld ter zake van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft. tot de in die uitspraak vermelde straf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 21 maart 2018 en 11 juli 2018 zijn de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsman gehoord. 2De beoordeling 2.1 De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.011.217,
- Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd om de vordering af te wijzen, nu het gevorderde bedrag al bij civiel vonnis van 9 november 2016 aan de benadeelde partij is toegewezen. 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming zou moeten worden afgewezen. 2.3 Het oordeel van de rechtbank In de strafzaak is door Yarden Holding B.V. een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van € 1.008.392,61 en proceskosten van € 12.566,
- Uit de stukken die zijn ingediend bij deze vordering blijkt dat de veroordeelde reeds op 9 november 2016 door de civiele sector van deze rechtbank is veroordeeld tot betaling van het schadebedrag aan Yarden Holding B.V.. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, waardoor het vonnis onherroepelijk is geworden. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op hetzelfde bedrag dat eerder reeds bij civiel vonnis is toegewezen. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering, gelet op bovenstaande, dient te worden afgewezen. 3De beslissing De rechtbank: - wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. H.J. Bos en H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Mikolajczyk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juli 2018.