Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Lelystad Zaaknummer/rekestnummer: 450623 / HA RK 17-271 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 30 januari 2018 op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van: [verzoeker] wonende te [woonplaats] , (verder te noemen: verzoeker). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2017, op welke zitting verzoeker een verzoek tot wraking van mrs. G.L.M. Urbanus, G.J.J.M. Essink en N.E.M. Kranenbroek heeft ingediend; de nadere schriftelijke uiteenzetting van de wrakingsgronden van verzoeker van 29 november 2017; de schriftelijke reactie van de rechters mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek van 7 december 2017; de brief van verzoeker van 12 december 2017 waarin hij vraagt om extra zittingstijd voor de behandeling van zijn wrakingsverzoek; de schriftelijke afwijzing van voormeld verzoek van 14 december 2017; de schriftelijke reactie van 3 januari 2018 van verzoeker op de reactie van de rechters mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek; de nadien gevoerde e-mailwisseling tussen verzoeker en de rechtbank betreffende het wrakingsprotocol en de vindplaatsen van een drietal daarin genoemde uitspraken. 1.2. Het wrakingsverzoek is op 12 januari 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). 1.3. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verzoeker en mr. Kranenbroek verschenen. Mr. Kranenbroek is mede namens mrs. Urbanus en Essink verschenen. 1.4. Het door verzoeker aan het begin van de openbare behandeling gedane verzoek om geluidsopnames van de zitting te mogen maken is door de wrakingskamer afgewezen. 1.5. Nadat de uitspraak is bepaald op 26 januari 2018, heeft verzoeker bij brief van 18 januari 2018 de wrakingskamer gewraakt. Het verzoek tot wraking is op 22 januari 2018 door de rechtbank ontvangen, waarna de verdere behandeling van het wrakingsverzoek is geschorst en er op 26 januari 2018 geen uitspraak is gedaan. 1.6. Het onder 1.5 bedoelde (nieuwe) wrakingsverzoek is bij beslissing van 29 januari 2018 door de wrakingskamer ongegrond verklaard (453691 / HA RK 18-24), waarna uitspraak over het onderhavige verzoek is bepaald op heden. 2Het wrakingsverzoek 2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. Urbanus, Essink en Kranenbroek als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters) in de zaak met zaaknummer 450077 / HA RK 17-262 betreffende de wraking door verzoeker van mr. E.J.W. Verhaagh. 2.2. Verzoeker grondt het onderhavige wrakingsverzoek, zo leidt de wrakingskamer af uit het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van 24 november 2017 en de brief van verzoeker van 29 november 2017, op het volgende: de rechters hebben geen toestemming gegeven aan verzoeker om opnames van de zitting op 24 november 2017 te maken. Dit betekent dat de rechters de cognitieve en andere klachten die verzoeker heeft niet serieus hebben genomen. Deze klachten dienden de rechters wel in ogenschouw te nemen, omdat deze ook van betekenis waren voor het moment waarop verzoeker in staat was de gronden van zijn verzoek tot wraking van mr. Verhaagh te formuleren; de rechters hebben verzoeker slechts enkele vragen gesteld en hem ter zitting niet voldoende tijd gegeven om alle feiten en omstandigheden uiteen te zetten waarom hij meende dat hij kon twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. Verhaagh. Hij mocht geen opnames laten horen die zijn stellingen daarover ondersteunen; de rechters hebben verzoeker het recht ontzegd om het laatst het woord te voeren. Daarvan wilde hij gebruik maken om zijn verzoek tot wraking van mr. Verhaagh alsnog nader toe te lichten. 2.3. De rechters hebben niet berust in de wraking. In het vervolg van deze beslissing zal nader op de reactie van de rechters worden ingegaan. 3De beoordeling 3.1. Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. 3.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. 3.4. Voor wat betreft de onder 2.2. onder a genoemde grond ziende op het niet mogen maken van geluidsopnames overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer stelt voorop dat het aan de behandelend rechter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.