RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 18/1977 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.J. van de Pas). Procesverloop Bij brief van 12 maart 2018 heeft eiser verweerder op grond van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om bekendmaking van een tweetal besluiten over toewijzing van financiële middelen voor de werkzaamheden van medewerkers. Op 24 april 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek. Op 15 mei 2018 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). 2. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake - voor zover hier van belang - indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet-tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit bij de bestuursrechter. 3. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder verzoekt om twee brieven uit 2005 en 2006 (met de kenmerken [kenmerk] en [kenmerk] ) alsnog niet geanonimiseerd aan hem bekend te maken als belanghebbende. In die brieven informeert de [faculteit] de geadresseerde hoogleraar over “de toewijzing aan uw programma van het exploitatiebudget 2005 (resp. 2006), ondersteuning vanuit de IGF, de toekenning van nieuwe aio- en postdoc-posities en eventuele andere specifieke toekenningen.” Verweerder heeft deze brieven, deels geanonimiseerd, in 2015 openbaar gemaakt naar aanleiding van een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Tegen dit Wob-besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld. Verder heeft eiser verweerder op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verzocht om de naam van de ondertekenaar(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.