vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/411519 / HA ZA 16-197 Vonnis van 7 november 2018 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers, advocaat mr. J. Cortet te Utrecht, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [gedaagde sub 2], zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats, gedaagden, advocaat mr. D. Gürses te Utrecht. Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 november 2017 de akte van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] van 29 november 2017, met productie 7 de akte van [gedaagde sub 1] van 29 november 2017 de brief van mr. Cortet van 17 mei 2018, met daarbij een leesbare versie van productie 7 het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 mei 2018 de akte na enquête van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de antwoordconclusie na enquête van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . 1.2. Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen. 2De verdere beoordeling 2.1. [eiser sub 1] , bestuurder en aandeelhouder van [eiseres sub 2] , betoogt dat hij zijn aandelen in [café] B.V. (hierna: [café] ) aan [gedaagde sub 1] heeft verkocht voor € 86.000. Dat bedrag is volgens [eiser sub 1] ongeveer gelijk aan de hoogte van het bedrag dat hij via [eiseres sub 2] had geïnvesteerd in het café dat door [café] werd gedreven. In het tussenvonnis van 15 november 2017 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank vastgesteld dat de notariële akte tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] dwingend bewijs oplevert van de stelling van [eiser sub 1] dat hij zijn aandelen in [café] op 17 december 2014 aan [gedaagde sub 1] heeft verkocht voor € 86.000. Volgens [gedaagde sub 1] , waarvan [gedaagde sub 2] de bestuurder en aandeelhouder is, was zij een katvanger en heeft zij de aandelen voor niks van [eiser sub 1] overgenomen om [café] failliet te laten gaan. De reden daarvoor was volgens [gedaagde sub 1] dat [café] alleen maar verlies maakte en [eiser sub 1] bang was dat hij als bestuurder van [café] door de belastingdienst aansprakelijk zou worden gesteld. Naar aanleiding van dit verweer is [gedaagde sub 1] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het uit de notariële akte voortvloeiende dwingende bewijs dat zij met [eiser sub 1] een koopsom van € 86.000 voor de aandelen (in [café] ) is overeengekomen. Dat wil zeggen dat zij feiten en omstandigheden mocht aandragen om aannemelijk te maken dat zij de aandelen voor niks van [eiser sub 1] heeft gekregen. 2.2. Aan [eiser sub 1] is opgedragen om, voor het geval [gedaagde sub 1] slaagt in het leveren van het tegenbewijs, ten opzichte van [gedaagde sub 1] te bewijzen dat hij met [gedaagde sub 1] een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen. Daarnaast is aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] (samengevat) opgedragen te bewijzen dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] vanaf 1 juni 2015 € 86.000 zouden betalen aan [eiser sub 1] en/of [eiseres sub 2] , vermeerderd met 4% rente, en dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei aansprakelijk zijn voor die schuld (hierna: de betalingsafspraak). 2.3. [gedaagde sub 1] is niet geslaagd in het leveren van het hiervoor genoemde tegenbewijs. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn er niet in geslaagd om de betalingsafspraak te bewijzen. Hieruit volgt dat [gedaagde sub 1] € 86.000 aan [eiser sub 1] moet betalen en dat de overige vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden afgewezen. Dit wordt hieronder toegelicht. De vordering van [eiser sub 1] op [gedaagde sub 1] 2.4. In het kader van het leveren van tegenbewijs had [gedaagde sub 1] in zijn akte van 29 november 2017 aangekondigd dat in totaal vijf getuigen zouden worden gehoord, onder wie de notaris die op 17 december 2014 de akte tot levering van de aandelen heeft verleden (hierna: de notaris) en de heer [A] (hierna [A] ). Uiteindelijk is alleen [A] als getuige gehoord. [gedaagde sub 1] heeft in kader van het leveren van tegenbewijs geen stukken in het geding gebracht. 2.5. Samengevat heeft [A] het volgende verklaard. [gedaagde sub 2] en hij zijn vrienden. Voordat [A] in 2016 naar Rotterdam verhuisde zag hij [gedaagde sub 2] bijna elke dag. [A] beschouwt [eiser sub 1] ook als een vriend. Vanaf de start van het café tot de zomervakantie van 2014 kwam [A] bijna elke dag in het café dat werd geëxploiteerd door [café] (hierna: het café). Na die vakantie kwam [A] nog ongeveer één keer per week in het café. [eiser sub 1] heeft in het café geïnvesteerd, maar [A] weet niet hoeveel. Beneden was een keuken en boven was de bar met het restaurant. Het café draaide vanaf het begin niet goed. [gedaagde sub 2] heeft hem verteld dat hij (de rechtbank begrijpt: door middel van [gedaagde sub 1] ) de aandelen heeft overgenomen omdat [eiser sub 1] niet wilde dat het café zijn bedrijf belemmerde. Hoe het café het bedrijf van [eiser sub 1] zou hebben kunnen belemmeren, wist [A] niet. [gedaagde sub 2] heeft nooit een bedrag genoemd waarvoor [gedaagde sub 1] de aandelen heeft overgenomen en het bedrag van € 86.000 had hij nooit eerder gehoord. [gedaagde sub 2] heeft hem ook verteld dat hij ( [gedaagde sub 2] ) het pand waarin het café zat, en dat werd gehuurd door [gedaagde sub 1] , wilde houden om daar, net als vroeger, opnieuw een kledingzaak in te vestigen. [gedaagde sub 2] heeft hem niet verteld dat hij (namens [café] ) het cafébedrijf heeft verkocht en dat hij (namens [gedaagde sub 1] ) op 18 december 2014 met de (aspirant-)koper van het cafébedrijf heeft afgesproken dat zij vanaf 1 februari 2015 de huurder zou worden van het pand waarin het café was gevestigd. 2.6. Uit de verklaring van [A] volgt niet dat [eiser sub 1] bang was om door de belastingdienst aansprakelijk te worden gesteld. [A] heeft ook geen omstandigheden genoemd op grond waarvan [eiser sub 1] in 2014 ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [café] door derden (waaronder de belastingdienst) aansprakelijk zou worden gesteld. 2.7. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [A] dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de afspraken die [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1] hebben gemaakt in verband met de overname van de aandelen. De omstandigheid dat [gedaagde sub 2] tegenover [A] geen prijs heeft genoemd en dat [A] ook van [eiser sub 1] niks te horen heeft gekregen over een eventuele prijs voor de aandelen wil niet zeggen dat [gedaagde sub 2] met [eiser sub 1] heeft afgesproken dat [gedaagde sub 1] de aandelen voor niks kreeg. Uit de verklaring van [A] blijkt dat zijn vriendschap met [eiser sub 1] niet hecht is. En [gedaagde sub 2] heeft duidelijk geen open kaart gespeeld met [A] ; [gedaagde sub 2] had voor [A] verzwegen dat hij het cafébedrijf had verkocht en hij heeft in strijd met de waarheid tegen [A] gezegd dat hij in het pand opnieuw een kledingzaak ging vestigen. 2.8. Ook kan de rechtbank er niet vanuit gaan dat een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen niet reëel is. De rechtbank heeft geen enkel zicht op de hoogte van de prijs die [gedaagde sub 2] via [café] heeft ontvangen voor de verkoop van het cafébedrijf. Vaststaat wel dat [eiser sub 1] in [café] heeft geïnvesteerd. [gedaagde sub 2] heeft niet weersproken dat [eiser sub 1] via [eiseres sub 2] de verbouwing en de inventaris van het café heeft betaald. Ook [A] heeft verklaard dat [eiser sub 1] in het café heeft geïnvesteerd. Dat die investering veel minder bedroeg dan € 86.000 kan bij de huidige stand van zaken niet worden aangenomen. Het volgt niet uit de verklaring van [A] . Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] haar in de conclusie van antwoord ingenomen stelling dat [café] een schuld had van ongeveer € 25.000 niet onderbouwd. Uit de stukken die bij de conclusie van antwoord zijn overgelegd volgt slechts een schuld van ongeveer € 4.500 per 17 december 2014. 2.9. Tijdens de comparitie heeft [eiser sub 1] verklaard dat [gedaagde sub 2] en hij bij de notaris hebben verteld dat de koopprijs € 86.000 was. In de notariële akte staat zoals gezegd een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen vermeld. Tijdens de comparitie is namens [gedaagde sub 1] aangevoerd dat bij de notaris geen koopprijs is besproken. Aanvankelijk had [gedaagde sub 1] aangekondigd dat zij de notaris als getuige wilde horen. Daarvan heeft zij afgezien. Wel heeft [gedaagde sub 1] in haar akte na enquête aangevoerd dat haar advocaat onlangs telefonisch contact heeft gehad met de notaris en dat de notaris toen heeft gezegd dat zich in zijn dossier geen enkele correspondentie of telefonische notitie over deze transactie bevond. Volgens [gedaagde sub 1] deelde de notaris in dat telefoongesprek ook mee dat niet kan worden uitgesloten dat bepaalde dingen voor [gedaagde sub 2] niet duidelijk waren, dat alles erg snel is gegaan en dat hij ( [gedaagde sub 2] ) daarom in de veronderstelling was dat de aandelen voor niets zijn overgedragen. De rechtbank hecht aan deze stellingen geen waarde omdat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.