RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/659099-15 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1958] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [adres] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. van der Burg en van hetgeen verdachte en mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, alsmede de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 september 2005 tot en met 30 april 2006 te Breukelen in vereniging certificaten van deelname valselijk heeft opgemaakt of laten opmaken of vervalst en/of laten vervalsen, en/of gebruik heeft gemaakt van die certificaten. 3VOORVRAGEN 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van het ten laste gelegde feit gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte is, omdat dit feit is verjaard. 3.1.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens verjaring. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank Het ten laste gelegde feit zou zijn gepleegd in de periode van 1 september 2005 tot en met 30 april 2006. Voor dit feit geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren. De dagvaarding is na een periode van langer dan twaalf jaren na de ten laste gelegde periode op de juiste wijze betekend, te weten op 25 oktober 2018. Uit het dossier zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waardoor de verjaring is gestuit. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat het ten laste gelegde feit is verjaard. 4BENADEELDE PARTIJEN De volgende benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . [benadeelde 3] en [benadeelde 1] vorderen de respectievelijke bedragen van € 19.000,- en € 49.668,-, telkens bestaande uit materiële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde. [benadeelde 2] vordert een bedrag van € 34.200,-, bestaande uit € 31.700,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, ten gevolge van dit feit. De rechtbank heeft onder 3.1.3 overwogen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte. Gelet hierop is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen. De vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. 5BESLISSING De rechtbank: Ontvankelijkheid van de officier van justitie - verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde; Benadeelde partijen - verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen van deze benadeelde partijen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2018. Mr. E.J.W. Verhaagh is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: (Zaakdossier Jade 1) zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2005 tot en met 30 april 2006, althans in of omstreeks het tijdvak omvattende het jaar 2005 en/of het jaar 2006, te Breukelen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtspers(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.