RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 7010053 AC EXPL 18-1916 VR/1331 Vonnis van 31 oktober 2018 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., mede handelend onder de naam [handelsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats] , verder ook te noemen [eiseres] , eisende partij, gemachtigde: Van Arkel, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 27 juni 2018, met daarin opgenomen de neerslag van het mondelinge antwoord van [gedaagde] - de conclusie van repliek. 1.
- [gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling daarvan 2.
- [eiseres] vordert na vermindering van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 595,19 (bestaande uit € 507,48 aan hoofdsom, € 11,59 aan rente tot en met 10 april 2018 en € 76,12 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 11 april 2018 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 2.
- Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat [gedaagde] jegens [eiseres] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door het verschuldigde bedrag ondanks sommaties onbetaald te laten. [eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven. 2.
- [gedaagde] heeft geantwoord dat hij niet persoonlijk kan worden aangesproken. De overeenkomst waarvan nakoming wordt gevorderd, is afgesloten door een vennootschap onder firma, waarvan hij en een coöperatie de vennoten waren. De vennootschap onder firma bestaat niet meer. De onderneming ervan is voortgezet door de coöperatie. Die bestaat intussen ook niet meer. Maar [gedaagde] persoonlijk is dus niet aansprakelijk. 2.
- [eiseres] heeft naar aanleiding van dit verweer bij conclusie van repliek gesteld dat haar niets bekend is van de voortzetting van de onderneming van de vennootschap onder firma door een coöperatie. Voor de schuld van de vennootschap onder firma – die nog steeds bestaat – kan [gedaagde] als voormalig vennoot persoonlijk aansprakelijk gehouden worden. 2.
- Met de nadere stellingen van [eiseres] in de conclusie van repliek is het in de conclusie van antwoord gevoerde verweer voldoende weerlegd. Juridisch klopt het precies wat [eiseres] betoogt. Ook als de onderneming van de vennootschap onder firma destijds is overgenomen door een coöperatie, blijven de schulden bij de vennootschap onder firma. En daarvoor is [gedaagde] persoonlijk aan te spreken. Als [gedaagde] bedoeld heeft dat de coöperatie ook schulden van de vennootschap onder firma heeft willen overgenomen, blijft de uitkomst dezelfde. Met de overneming van een schuld moet de schuldeiser ( [eiseres] ) meewerken/instemmen. Uit wat [eiseres] schrijft (dat zij niet wist van een overneming), volgt dat zij niet heeft meegewerkt met een overname van schulden. En dan blijft de schuld bij de vennootschap onder firma, terwijl [gedaagde] ook persoonlijk aansprakelijk is voor diezelfde schuld. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiseres] niet heeft ingestemd met de schuldoverneming. Dat staat dus vast, met als uitkomst dat vordering, waarvan de omvang niet is betwist, helemaal wordt toegewezen. 2.
- [gedaagde] verliest de procedure en moet de kosten ervan dragen. Aan de kant van [eiseres] begroot de kantonrechter die kosten op € 96,23 (dagvaarding en recherche), € 476,- (griffierecht) en € 200,- (salaris, twee punten tegen het tarief van € 100,-). Samen is dat € 772,
- 3Beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 595,19 met de wettelijke handelsrente over € 507,48 vanaf 11 april 2018 tot de voldoening; 3.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 772,23, waarin begrepen € 200 aan salaris gemachtigde; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R,J, Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.