RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummers: C/16/442859 / FA RK 17-3976 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C/16/448443 / FA RK 17-5793 (huwelijksvermogensrecht) Beschikking van 12 maart 2019 in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat voorheen mr. M.L. Winters, heden mr. S. Rozemeijer, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.C. Otten. 1Verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op de griffie van deze rechtbank op 12 juli 2017; het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man, het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw; de correspondentie, waaronder met name: o het F-formulier met bijlagen van 11 januari 2018, van de vrouw; o het F-formulier met bijlagen van 1 februari 2018, van de vrouw; o het F-formulier met bijlagen van 6 april 2018, van de vrouw; o het F-formulier van 10 april 2018, van de man; o het F-formulier van 29 augustus 2018, van de vrouw; o het F-formulier met bijlagen van 1 november 2018, van de vrouw. 1.2. Op 2 november 2018 heeft er een regiezitting plaatsgevonden in verband met het ontbreken van een door partijen ondertekend ouderschapsplan. 1.3. Nadien zijn nog bij de rechtbank binnengekomen: het F-formulier met bijlagen van 1 februari 2019, van de vrouw; het F-formulier met bijlagen van 4 februari 2019, van de man; Het F-formulier met bijlagen van 5 februari 2019, van de vrouw. 1.4. De rechtbank heeft de hierna nader te noemen minderjarigen [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de verzoeken van partijen. 1.5. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 12 februari 2019. Daar zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten, en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming. 2Vaststaande feiten 2.1. Partijen zijn op [trouwdatum] 2000 in [plaatsnaam] met elkaar gehuwd. 2.2. Partijen zijn de ouders van: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] . 2.3. Op 29 juni 2000 hebben partijen ten overstaan van de notaris huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Zij hebben daarbij elke gemeenschap van goederen uitgesloten. Verder zijn zij een periodiek verrekenbeding van overgespaard inkomen overeengekomen dat tijdens het huwelijk niet is uitgevoerd, alsmede een vergoedingsplicht van hetgeen uit het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van het vermogen van de andere echtgenoot. 2.4. Tijdens het huwelijk van partijen hadden partijen een woning in gemeenschappelijk eigendom. Deze woning is inmiddels verkocht. Aan de woning was verbonden een polis bij Reaal . Deze polis, alsmede de inboedelgoederen behoren tot de tussen partijen nog bestaande eenvoudige gemeenschap. 3Het verzoek en het verweer 3.1. De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; te bepalen dat het hoofdverblijf van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn; een zorgregeling vast te stellen; een informatie- en consultatieregeling vast te leggen; te bepalen dat de man binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking een gespecificeerde en schriftelijke opgave dient te doen van de te verdelen inkomsten/het te verdelen vermogen voorzien van specificaties, onder verbeuring van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat de man hieraan geen gehoor geeft met aanhouding van de zaak voor verdere afwikkeling van “de gemeenschap van goederen (sic)”; indien afrekening tussen partijen dient plaats te vinden op grond van het periodieke verrekenbeding opgenomen in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden: de afrekening tussen partijen vast te stellen conform het voorstel als door de vrouw onder randnummer 15 van het verzoekschrift is gedaan, dan wel een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen afrekening; te bepalen dat de eenvoudige gemeenschap wordt verdeeld op de wijze zoals onder punt 18 tot en met 21 van het verzoekschrift vermeld, waarbij partijen worden veroordeeld om aan de verdeling mee te werken, dan wel een zodanige wijze van verdeling vast te stellen en te gelasten op de voet van artikel 3:185 BW als de rechtbank juist vindt; Primair: te bepalen dat, voor zover de man niet mee zal werken aan de daartoe in het verzoekschrift onder 19 omschreven handelingen te verrichten, deze beschikking ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt voor alle noodzakelijke handelingen ten behoeve van de tijdelijke levering van de rechten voortvloeiend uit de Reaal polis aan de notaris (de heer mr. [B] , van [naam notariskantoor] in [vestigingsplaats] ); Subsidiair: te bepalen dat de beschikking in de plaatst komt van de wil van de niet meewerkende echtgenoot; Meest subsidiair: te bepalen dat de rechter de niet meewerkende echtgenoot veroordeelt om mee te werken aan de verdeling van de eenvoudige gemeenschap onder straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat de man geen gehoor geeft aan deze beschikking. 3.2. De man voert verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat één van de minderjarige kinderen van partijen haar hoofdverblijf heeft bij de man en één bij de vrouw; II. te bepalen dat de kinderen bij de man zullen verblijven de ene week van maandag uit school tot maandagochtend naar school en de helft van alle feestdagen en vakanties; III. te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 200,- per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding; IV. te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 300,- netto per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud; V. het onder de huwelijkse voorwaarden vallende af te rekenen en te verdelen vermogen als volgt te verdelen en verrekenen onder voorbehoud van de man om dit verzoek nader te concretiseren dan wel aan te passen c.q. aan te vullen: a. te bepalen dat de saldi op de betaal- en spaarrekeningen tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld en daarbij te bepalen dat de bankrekeningen ten name van de man worden toegescheiden aan de man en de bankrekeningen ten name van de vrouw worden toegescheiden aan de vrouw; b. te bepalen dat de contante waarde van de polis bij REAAL tussen partijen verrekend dient te worden; c. te bepalen dat de contante waarde van de polis bij REAAL op een derdengeld rekening van notaris [C] in [vestigingsplaats] wordt gestort; VI. te bepalen dat een bedrag van € 16.653,13 met de man moet worden verrekend, door te bepalen dat ofwel dit bedrag uit de contante waarde van de REAAL polis aan de man dient te worden voldaan binnen 10 dagen na deze beschikking, of dat de vrouw de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 8.326,56 aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na de in deze af te geven beschikking; VII. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 175,- aan de man dient te voldoen binnen 10 dagen na deze beschikking van het door haar ontvangen bedrag van de kopers van de voormalige echtelijke woning voor het alarm; VIII. te bepalen dat partijen beiden aansprakelijk en gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schulden als genoemd in punt 17 van het verzoekschrift van de vrouw en in punt 13 en 17 van het verweerschrift van de man; IX. te verklaren voor recht dat partijen dienen over te gaan tot verevening van pensioenaanspraken op grond van de Wet verevening pensioen bij scheiding, en de vrouw te gelasten binnen 30 dagen na deze beschikking aan de man gegevens te verstrekken waaruit blijkt op welke wijze en bij welke pensioenfondsen zij ouderdomspensioen heeft opgebouwd, met opgaaf van de relevante polis- en/of registratienummers, en om haar te gebieden om op eerste verzoek van de man haar medewerking te verlenen aan het afwikkelen van de formaliteiten, die eventueel nodig zijn om deze aanspraken geldend te maken; X. te bepalen dat de vrouw het Cartier horloge van de man aan de man dient af te geven binnen 10 dagen na deze beschikking onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft; XI. te bepalen dat de vrouw de navolgende stukken aan de rechtbank dient te overleggen: a. bruikleenovereenkomst en bewijs van eigendom van de auto AUDI 80 met kenteken [kenteken] b. afschriften van de banksaldi op de rekeningen van de vrouw op de peildatum; c. bewijs van lening aan de vader van de vrouw van € 10.000,-. 4Beoordeling van de verzoeken Echtscheiding (sub A) 4.1. De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De man voert hiertegen geen verweer. 4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten, waarin in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie. 4.3. Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Wel heeft de vrouw een concept-ouderschapsplan overgelegd. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij overeenstemming hebben over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de informatie- en consultatieregeling. Over de kinderalimentatie hebben zij geen overeenstemming bereikt. Zij verzoeken de rechtbank hierover een beslissing te nemen. De overeenstemming van partijen is opgenomen in het door de vrouw overgelegde concept-ouderschapsplan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen alsnog zullen overgaan tot het ondertekenen van een definitief ouderschapsplan en acht gelet hierop de vrouw ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding. 4.4. Het verzoek tot echtscheiding is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is tussen partijen niet in geschil, zodat deze vaststaat. De rechtbank zal het verzoek dan ook als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijf, zorgregeling en informatie- en consultatieregeling (sub B,C,D, I en II) 4.5. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de informatie-en consultatieregeling en dat deze overeenstemming conform het ingediende concept-ouderschapsplan is. 4.6. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats en zorgregeling vaststellen conform het ingediende concept ouderschapsplan. Ten aanzien van de informatie- en consultatieregeling merkt de rechtbank op dat deze niet in het concept-ouderschapsplan is opgenomen. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de regeling zoals door de vrouw is verzocht in haar verzoekschrift nu de man daar geen verweer tegen heeft gevoerd. 4.7. De rechtbank zal de verzoeken dienaangaande voor het overige voor zover nodig als gewijzigd dan wel als ingetrokken beschouwen en beslissen als hierna in het dictum vermeld. Kinderalimentatie (sub III) 4.8. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 200,- per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. 4.9. De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van dit verzoek. Behoefte 4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen per 2017 € 567,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar heden is dat € 587,- per maand. Draagkracht van de man 4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat het gemiddelde bruto maandinkomen van de man € 1.704,- exclusief vakantietoeslag is. 4.12. De man heeft ter zitting gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden dient te worden met een bedrag van gemiddeld € 210,- per maand dat de man aan reiskosten voldoet. Deze kosten bestaan uit € 153,- per maand aan openbaar vervoerkosten en € 64,- per maand aan parkeerkosten, omdat de man één keer per week met de auto naar zijn werk gaat vanwege een late dienst. Ter onderbouwing van deze kosten heeft de man de facturen van de Nederlandse Spoorwegen van oktober tot en met januari overgelegd en één afschrijving van parkeerkosten in Amsterdam . De man ontvangt geen reiskostenvergoeding van zijn werkgever. Verder heeft de man ter zitting verklaard dat hij geen fooi ontvangt. 4.13. De vrouw betwist dat er rekening gehouden dient te worden met de door de man te maken reiskosten. De vrouw stelt dat zij ook reiskosten maakt. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat de man ongetwijfeld wel fooi ontvangt. Volgens de vrouw zal de man met de door hem te ontvangen fooi zijn reiskosten kunnen voldoen en dient er bij de berekening van zijn draagkracht dan ook uitgegaan te worden van zijn volledige maandinkomen. 4.14. De rechtbank brengt de door de man opgevoerde reiskosten niet in mindering op zijn inkomen. Gelet op het feit dat de man werkzaam is in de horeca en het in die branche gebruikelijk is om fooi te ontvangen, vindt de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de man met door hem te ontvangen fooi zijn reiskosten kan voldoen. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen exclusief vakantiegeld van € 1.704,-. Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank - onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening - het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 1.646,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [1646 – (0,3 x 1646 + 950)] = € 142,- per maand. Draagkracht van de vrouw 4.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vrouw € 47.952,- bedraagt, conform haar jaaropgaaf 2018. Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank - onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening - het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 3.160,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% van [3160 – (0,3 x 3160 + 950)] = € 883,- per maand. Draagkrachtvergelijking 4.16. Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 142,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 883,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 1.025,- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van € 587,- per maand te voorzien. Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 81,- per maand en dat van de vrouw op € 506,- per maand. Zorgkorting 4.17. Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 20% van de behoefte, zijnde € 117,- per maand. Conclusie 4.18. De door de man te verzilveren zorgkorting van € 117,- per maand is hoger dan zijn hiervoor berekende aandeel in de kosten van de kinderen van € 81,- per maand. De zorgkorting wordt normaliter in mindering gebracht op het aandeel van de ouders bij wie de kinderen niet wonen, omdat er vanuit wordt gegaan dat die ouder (in natura) kosten moet maken voor het verblijf van de kinderen bij hem of haar. In dit geval overstijgen de verblijfskosten het aandeel van de man met (117-81 =) € 36,- per maand. De man komt dus maandelijks € 36,- per maand tekort om de kosten van de kinderen, wanneer ze bij hem verblijven, te voldoen. Tegelijkertijd houdt de vrouw dit bedrag maandelijks over. De verblijfskosten van de vrouw bedragen immers (80% van 587 =) € 470,- per maand en haar hiervoor berekende aandeel is € 506,- per maand. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw het bedrag van € 36,- per maand, te weten € 18,- per kind per maand aan de man dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Partneralimentatie (sub IV) 4.19. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling aan de man een bedrag van € 300,- netto per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. 4.20. De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van dit verzoek. 4.21. Ter zitting is door de man verklaart dat op dit moment zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan zijn behoefte van € 1.337,61 netto per maand. Nu de man dus met zijn inkomen in zijn kosten van levensonderhoud kan voorzien zal de rechtbank het verzoek om partneralimentatie afwijzen. De eenvoudige gemeenschappen Partijen zijn het erover eens dat zij samen rechthebbende zijn ten aanzien van de polis bij REAAL en dat de inboedel gezamenlijk eigendom is van partijen. De inboedel (sub G en X) 4.22. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Het Cartier horloge gaat naar de man en de overige inboedel gaat naar de vrouw, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal aldus bepalen en de verzoeken dienaangaande voor zover nodig als gewijzigd dan wel als ingetrokken beschouwen. De polis bij REAAL (sub G, V (onder b en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.