RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Utrecht, zitting houdende te Amsterdam Osdorp Parketnummer: 16/659053-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,gedetineerd te PI Flevoland – HvB Lelystad te Lelystad. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het inhoudelijke onderzoek op de terechtzittingen van 4 februari 2019 en 5 februari
(1). In de loods in Landsmeer zijn documenten van de originele kentekens van zowel de Skoda Fabia als de Audi Q5 aangetroffen, alsmede drie colaflessen gevuld met een vloeistof en diverse nieuwe aanstekers. Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die een liquidatie hebben gepleegd vaak gebruik maken van meerdere vluchtauto’s om zodoende de pakkans te verkleinen. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat de auto’s die gebruikt worden bij het plegen van liquidaties in brand worden gestoken om sporen te wissen. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de in Overvecht aangetroffen Audi Q5 daar stond om als tweede vluchtauto te dienen na het plegen van de liquidatie. Voorts stelt de rechtbank vast dat [verdachte] wist dat de Audi Q5 daar stond. De rechtbank baseert dit in de eerste plaats op de omstandigheid dat [verdachte] de Achillesdreef heeft aangewezen als de plek waar een Marokkaanse man is ingestapt, die de plekken waar het slachtoffer zou kunnen zijn nogmaals heeft aangewezen. In de tweede plaats heeft [verdachte] het in een gesprek dat is opgenomen in de penitentiaire inrichting op een moment dat [verdachte] zich onbespied waande, over een Audi Q5 die daar ook was met precies dezelfde dingen daarin. De rechtbank begrijpt dat hier door [verdachte] wordt gedoeld op de Coca-Colaflessen met daarin benzine, die tenslotte ook van buitenaf zichtbaar waren, en de aanstekers. In de derde plaats wordt in dit gesprek door [verdachte] benoemd dat hij in die auto heeft gezeten, dat daarin geen vingerafdrukken kunnen worden aangetroffen, maar wellicht wel haren. De rechtbank gaat dus aan de stelling van de verdediging voorbij dat [verdachte] niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de Audi Q5 als tweede vluchtauto. Uit de bewoordingen van het gesprek en uit het gegeven dat [verdachte] op dit moment in de opname zachter is gaan praten, blijkt dat [verdachte] zich zorgen maakt over de mogelijke aanwezigheid van zijn haren, en daarmee zijn DNA, in de Audi Q5. Dat kan alleen als [verdachte] in de auto heeft gezeten. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat dit gesprek enkel grootspraak betrof. Daar komt bij dat [verdachte] dit gesprek voerde met zijn moeder, zus en partner. Dit zijn over het algemeen geen personen tegenover wie je je stoerder voor wil doen als je, naar eigen zeggen onterecht, in voorarrest zit voor een voorbereiding van een liquidatie. Bovendien is het ongeloofwaardig dat de chauffeur niet op de hoogte is van de tweede vluchtauto en de plek waar deze zich bevindt. Doel: het plegen van een liquidatie Uit al het voorgaande volgt dat het de bedoeling was om een liquidatie te plegen. Er werd immers gespot op [slachtoffer 1] , aan [verdachte] en [medeverdachte 3] werden plaatsen aangewezen waar [slachtoffer 1] dagelijks dan wel regelmatig verbleef en er werd door [verdachte] en [medeverdachte 3] uren bij het woonadres van [slachtoffer 1] gewacht, met machinegeweren binnen handbereik. Tot slot stond er een tweede vluchtauto klaar en lag zowel in de Skoda als in de Audi motorbenzine, om de (gestolen) auto’s na gebruik in brand te kunnen steken. Wetenschap van [verdachte] De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] op de avond van 13 januari 2017 door [medeverdachte 3] is benaderd om snel een ritje te doen voor € 2.000, waarbij hij wist dat er iets ging gebeuren wat niet goed was en dat dit geen eerlijk verdiend geld was. Zijn partner [C] , die erbij was toen [verdachte] werd benaderd, bevestigt dat [verdachte] twee kop zou krijgen voor het ritje. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [verdachte] niet wist hoeveel hij hiermee zou verdienen of dat het slechts om een paar tientjes zou gaan, zoals door hem – respectievelijk – tijdens de inhoudelijke behandeling en bij de politie op 15 januari 2017 is verklaard. Hiervoor is de verklaring van [C] redengevend en het gegeven dat het [verdachte] nu juist te doen was om het geld. [verdachte] dacht immers snel geld te kunnen verdienen met het doen van de klus. Hij wilde die avond met [C] in een hotel slapen nu zij die dag haar woning was kwijtgeraakt. De rechtbank concludeert dat [verdachte] als bestuurder in een auto is gestapt, terwijl hij wist dat er iets strafbaars ging gebeuren. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] vervolgens plaatsen getoond waar het beoogde doelwit dagelijks dan wel regelmatig kwam. [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij daaruit ook opmaakte dat dit plaatsen waren waar het slachtoffer veel kwam en dat hetgeen ze aan het doen waren op één van die plaatsen zou moeten gebeuren. Op [verdachte] kwam het georganiseerd over dat hij zijn tasje met daarin onder andere zijn identiteitsbewijs en mobiele telefoon heeft moeten inleveren toen hij en [medeverdachte 3] met zijn tweeën terug moesten naar Utrecht. Voordat [verdachte] en [medeverdachte 3] op de vlucht sloegen en door de politie werden aangehouden, hebben zij twee à drie uur bij de [straat] gestaan. Dit was één van de plaatsen die hen eerder op de avond is getoond. Tijdens de vlucht vanaf de [straat] zijn er wapens en een patroonhouder uit de Skoda Fabia gegooid. Op basis van deze gegevens stelt de rechtbank vast dat deze wapens en de patroonhouder in ieder geval in de twee à drie uur voor de vlucht van de verdachten in de auto moeten hebben gelegen. De rechtbank acht het in dat licht bezien volstrekt ongeloofwaardig dat [verdachte] , die wist dat hij iets strafbaars ging doen en die al uren als bestuurder in een auto, met [medeverdachte 3] op de achterbank, zat, niet wist dat er op diezelfde achterbank ook wapens en flessen met benzine lagen. Daarbij komt dat het evenmin geloofwaardig is dat [verdachte] , als bestuurder, niet zou hebben geweten wat er zou gaan gebeuren. Immers is het een wel erg groot risico als je als schutter een liquidatie pleegt met de mogelijkheid dat je chauffeur hiervan schrikt en wegrijdt en is het van belang dat de chauffeur naar de tweede vluchtauto moet rijden. De rechtbank stelt aldus vast dat [verdachte] wist dat er in de nacht van 13 op 14 januari 2017 sprake was van het aanwijzen van plaatsen waar het slachtoffer kwam, dat er wapens, flessen met benzine en aanstekers in de auto waarin ze reden, lagen en dat er een tweede vluchtauto in de wijk stond met daarin ook flessen met benzine en aanstekers. Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat [verdachte] op het moment van het aannemen van de klus wist dat het de bedoeling was om een liquidatie te gaan plegen waarbij hij als chauffeur zou optreden, kan wel worden geconcludeerd dat hij hier in ieder geval gedurende de nacht van op de hoogte is geraakt. Dit blijkt ook uit het OVC-gesprek van 29 maart 2017 waarin [verdachte] zijn bezoek vertelt wat hij moest doen: rijden. De ander zou schieten, hij moest rijden. Dat [verdachte] op dat moment, zoals hij heeft verklaard, aan het gissen was wat er aan de hand was of dat achteraf heeft gereconstrueerd, acht de rechtbank gelet op zijn bewoordingen en de wijze waarop hij vertelde wat er moest gebeuren, niet aannemelijk. Ook blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, uit de OVC-gesprekken van 29 maart 2017 en 1 mei 2017 dat hetgeen [verdachte] tegen de politie heeft verklaard heeft vooral strategisch bedoeld is om een veroordeling te voorkomen. 4.4.3 Juridische duiding van de feiten en omstandigheden Ten aanzien van het onder 1, primair ten laste gelegde i. Voorbereiding Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat verdachte en de medeverdachten een misdrijf hebben voorbereid waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer op staat (a), doordat ze voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden hebben gehad (
- b)die bestemd waren om dat misdrijf mee te begaan (c). a. De criminele intentie De rechtbank heeft onder 4.4.2 vastgesteld dat het in de tenlastegelegde periode nog steeds de bedoeling was om [slachtoffer 1] te liquideren. Nadat op 12 januari 2017 bij wijze van vergissing iemand anders dan het beoogde slachtoffer is doodgeschoten, zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw naar Utrecht gegaan, ditmaal om [medeverdachte 3] en [verdachte] de plaatsen te tonen waar het beoogde slachtoffer zich regelmatig ophoudt. Het gegeven dat de verkeerde was doodgeschoten diende te worden hersteld, in die zin dat alsnog het eigenlijk beoogde doelwit diende te worden geliquideerd. Uit het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 13 tot en met 14 januari 2017 nog steeds het gezamenlijke plan hadden om [slachtoffer 1] te liquideren. Vervolgens werd [medeverdachte 3] hierbij betrokken als uitvoerder van de liquidatie, waarna [medeverdachte 3] ook verdachte hierbij heeft betrokken. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in ieder geval gedurende de nacht op de hoogte is geraakt van het plan om een liquidatie te plegen en van zijn rol daarbij, namelijk als chauffeur. Door zich vervolgens na het vergaren van deze wetenschap niet aan zijn klus te onttrekken, strekte het opzet van [verdachte] zich mede tot het voorbereiden van een moord uit. Dat hij bij de uitvoering van dit feit slechts als chauffeur zou optreden en niet als schutter, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank voor de criminele intentie niet anders. Op moord staat een gevangenisstraf van meer dan acht jaren. Het voorhanden hebben van de aangetroffen voorwerpen (inclusief de wapens en munitie) en vervoermiddelen Voor een bewezenverklaring dient vervolgens te worden bezien of verdachte en diens medeverdachten de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben gehad. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] in de avond van 13 januari 2017 als bijrijder in de Skoda Fabia aan is komen rijden. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn toen in deze Skoda Fabia gestapt, waarna ze naar Utrecht zijn gereden om een voorverkenning te doen. [verdachte] is samen met [medeverdachte 3] vervolgens naar Utrecht gereden in de Skoda om hier nogmaals een voorverkenning te doen. Zij zijn gewezen op de aanwezigheid van de Audi Q5 als tweede vluchtauto en [verdachte] heeft hier ook in gezeten. In beide auto’s bevonden zich flessen met motorbenzine en aanstekers, alsmede in de Skoda ook de wapens en munitie die tijdens de vlucht voor de politie uit de auto zijn gegooid. De rechtbank acht in dit licht bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 3] de Skoda Fabia samen met anderen en de Audi Q5, de wapens, munitie, brandversnellers en aanstekers samen voorhanden hebben gehad, in de wetenschap dat deze bestemd waren tot het begaan van het misdrijf (zie ten aanzien hiervan hierna onder c). Gelet op het voorgaande was [verdachte] zich niet alleen bewust van de aanwezigheid van deze voorwerpen en vervoermiddelen maar had hij hierover tevens, samen met [medeverdachte 3] , beschikkingsmacht. Bestemd tot het begaan van het misdrijf Tot slot dient de rechtbank voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor een moord te bezien of de voorwerpen en vervoermiddelen die de verdachte en diens medeverdachte(
- n)voorhanden hebben gehad bestemd waren tot het begaan van een moord. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij liquidaties vaak gebruik wordt gemaakt van één of meerdere gestolen auto’s met valse kentekenplaten, teneinde voor de liquidatie zo min mogelijk op te vallen en die na de vlucht in brand wordt/worden gestoken met brandversnellers en aanstekers om eventuele sporen te vernietigen. Deze handelingen hangen naar het oordeel van de rechtbank zodanig nauw samen met de liquidatie zelf dat ook de daarvoor gebruikte voorwerpen en vervoermiddelen als voorbereidingsmiddel voor de liquidatie hebben te gelden. Medeplegen Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren uitgestapt, zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] samen teruggegaan naar Utrecht. Daar hebben zij met de Skoda nogmaals de plaatsen verkend waar het slachtoffer vaak kwam, waarbij [verdachte] als bestuurder optrad, is de Audi Q5 aangewezen aan hen en hebben ze uiteindelijk samen in de Skoda met daarin de wapens en munitie, de brandversnellende middelen en aanstekers een aantal uren gewacht bij de flat waar het slachtoffer destijds woonde. [medeverdachte 3] heeft gedurende de nacht contact gehouden via de telefoon en [verdachte] diverse aanwijzingen gegeven over de gang van zaken. Zo bezien hebben beiden uitvoeringshandelingen verricht in de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] , hetgeen maakt dat de rechtbank de bijdragen van [verdachte] en [medeverdachte 3] van voldoende gewicht acht om hen als medepleger te kwalificeren. Heling van de Skoda Fabia en Audi Q5 De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het helen van de Skoda Fabia en de Audi Q5. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze auto’s wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit door misdrijf verkregen goederen betroffen. Niet kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto daadwerkelijk wist dat deze was gestolen. Nu evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto’s wist dat hij een liquidatie ging plegen, heeft hij ten tijde van het voorhanden krijgen ook niet redelijkerwijs moeten vermoeden dat de auto’s waren gestolen. Dat hij in ieder geval gedurende de nacht wel op de hoogte is geraakt van het doel van de voorbereidingen en derhalve redelijkerwijs moet zijn gaan vermoeden dat de auto’s gestolen waren, doet hieraan niet af. Het verzoek tot het horen van [A] De rechtbank wijst het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van [A] af, nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht en zij het horen van deze getuige niet noodzakelijk acht voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij weliswaar de inhoud van de PGP-berichten voor het bewijs gebruikt, maar dat het daarbij voor de bewezenverklaring van verdachte niet relevant is wie deze berichten heeft gestuurd. Het gaat immers om de inhoud van de berichten waaruit de rechtbank afleidt dat het de bedoeling was om [slachtoffer 1] te liquideren. Conclusie De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 13 tot en met 14 januari 2017 de moord op [slachtoffer 1] heeft voorbereid doordat verdachte wapens, munitie, gestolen personenauto’s en brandversnellende middelen, bestemd voor het plegen van een liquidatie, voorhanden had. Op grond van dezelfde overwegingen acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair in de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Amsterdam en Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] , opzettelijk - een vuurwapen, te weten een machinegeweer (merk Zastava, model M70AB1, kaliber 7.62x39
- mm)en een machinegeweer (merk Arsenal, model Kalashnikov (AK47), kaliber 7.62x39
- mm)en een onderdeel van een machinegeweer (patroonmagazijn kaliber 7.62x39
- mm)en - munitie, te weten 30 scherpe patronen (kaliber 7.62x39
- mm)en - gestolen personenauto's met valse kentekens, te weten een Skoda Fabia en een Audi Q5 en - flessen met een brandbare vloeistof en aanstekers, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Utrecht en Hilversum tezamen en in vereniging met een of meer anderen vuurwapens en munitie van categorie II sub 2 of II sub 3 of III sub 1, te weten - een machinegeweer (merk Zastava, model M70B1, kaliber 7.62x39
- mm)en een machinegeweer (merk Arsenal, model Kalashnikov (AK47), kaliber 7.62x39
- mm)en een onderdeel van een machinegeweer (patroonmagazijn kaliber 7.62x39
- mm)en - 30 scherpe patronen (kaliber 7.62x39
- mm)voorhanden heeft gehad; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Eendaadse samenloop van: feit 1, primair medeplegen van voorbereiding van moord; en feit 2 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om in geval van bewezenverklaring bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de meewerkende opstelling van de verdachte in het onderzoek, met de strafoplegging in vergelijkbare zaken zoals door hem aangehaald in zijn pleitnotities en met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan, door een strafkorting toe te passen. Voorts verzoekt hij de rechtbank om de conclusie van de rapporteurs over verdachte, namelijk dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is, mee te wegen. Tot slot verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis op te heffen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. i. De ernst van de strafbare feiten De rechtbank stelt voorop dat verdachte betrokken is geweest bij acties die erop gericht waren om iemand van het leven te beroven. Hij heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een liquidatie. Het gronddelict, moord, behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Een moord in de vorm van liquidatie geeft aan die ernst een extra lading. De wijze van uitvoering van de feiten is zonder meer als professioneel te kenschetsen. Er werd door verdachte en zijn mededaders gebruik gemaakt van meerdere voorverkenningen en meerdere gestolen vluchtauto’s met valse kentekenplaten, die waren voorzien van een kant-en-klaar pakket met brandversnellers en aanstekers om de auto’s na gebruik in brand te steken. Zij beschikten over (semi-)automatische vuurwapens en onder meer met behulp van versleutelde communicatie (zogeheten PGP BlackBerry‘
- s)werd de noodzakelijke informatie doorgegeven. Verdachte en zijn mededader stonden in hun (eerste) vluchtauto met de (semi-)automatische vuurwapens te wachten bij de flat waar het beoogde slachtoffer werd verwacht. Dat het hier bij voorbereidingshandelingen is gebleven, is slechts te danken aan de oplettendheid van het beoogde slachtoffer die, na de moord op zijn flatgenoot twee dagen eerder, inmiddels vreesde voor zijn leven en bij het zien van een verdachte auto de politie heeft gebeld. Verdachte en zijn mededader zijn er bij de nadering van de politie vervolgens met hoge snelheid vandoor gegaan in de vluchtauto. Zij zijn pas na een dollemansrit waarbij allerlei wapens uit het raam zijn gegooid door de politie aangehouden. Het neerschieten van het slachtoffer door zijn mededader is daarmee ternauwernood voorkomen. Gelet op het moment van ingrijpen lagen de voorbereidingshandelingen zo dicht bij een begin van uitvoering van de voorgenomen moord, dat dit naar het oordeel van de rechtbank strafvermeerderend werkt. Met betrekking tot de rol van verdachte is de rechtbank ervan overtuigd geraakt dat deze zich beperkte tot het besturen van de vluchtauto. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat het de bedoeling was dat verdachte tevens als schutter zou fungeren. De rol van bestuurder is evenwel cruciaal voor het kunnen uitvoeren van een liquidatie en daarmee evengoed zeer ernstig. Hoewel de rechtbank in de zaak van twee mededaders een samenhang heeft vastgesteld met de twee dagen ervoor gepleegde moord op een ander slachtoffer (het onderzoek 09Roos) in die zin dat nadien is gebleken dat dit slachtoffer niet het door hen beoogde doelwit was, en dat vervolgens verregaande voorbereidingen zijn getroffen om de juiste persoon alsnog uit de weg te ruimen, is in dit onderzoek niet vastgesteld dat de verdachte bij die eerdere moord betrokken is geweest dan wel dat hij hiervan op de hoogte was. Dit zal dan ook niet worden meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf. Ondanks dat het beoogde slachtoffer tegenover de politie geen inzicht heeft gegeven in de onderliggende oorzaak van de moordplannen op hem, spreekt voor zich dat hem de stuipen op het lijf zijn gejaagd. Hij leeft sindsdien met het besef dat hij op een lijst van voorgenomen moorden stond en wellicht nog staat. Ten gevolge van die voortdurende dreiging verblijft hij sinds twee jaren op steeds wisselende plekken, deels in het buitenland en afgezonderd van zijn vrouw en kind. Vergelijkbare zaken Verdachte wordt ook veroordeeld en bestraft voor wapenbezit, maar voor de hoogte van de straf ligt het zwaartepunt – vanzelfsprekend – bij de voorbereidingshandelingen van moord. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de duur daarvan dan ook gekeken naar straffen die in andere voorbereidingszaken zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. Ook in dit kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij gevangenisstraffen van zes tot acht jaren voor enkele voorbereidingshandelingen van een liquidatie geen uitzondering zijn. Voor pogingen tot liquidatie liggen de straffen nog hoger. Dit kan worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. De rechtbank benadrukt echter dat alleen zwaarder straffen de golf van geweld niet tot stoppen kan brengen. Voorts gaat de rechtbank bij de bepaling van het strafmaximum ervan uit dat de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen voor moord en de overtreding van de Wet wapens en munitie in het onderzoek 09Doorn in de onderlinge verhouding staan van eendaadse samenloop. De persoon van de verdachte De verdachte heeft al kort na zijn aanhouding tegenover de politie verklaard over de feitelijke gang van zaken op de bewuste avond voorafgaand aan het moment van aanhouding. De latere bevindingen van de politie bleken grotendeels in overeenstemming met zijn verklaring en laten zien dat hij zich op die punten coöperatief en meewerkend heeft opgesteld. Mede hierdoor kon aan een groot aantal onderzoeksbevindingen de nodige duiding worden gegeven. Dit weegt de rechtbank tot op zekere hoogte in het voordeel van verdachte mee. De verdachte heeft evenwel consequent ontkend dat hij wist wat het doel was van de onderneming. De rechtbank volgt zijn verklaring op dit punt niet, zoals hiervoor bij de bewijsoverwegingen is overwogen. De rechtbank beziet deze proceshouding mede in het licht van het volgende. Omtrent de persoon van de verdachte is een rapportage Pro Justitia opgesteld door F. Verstraten, psychiater op 6 juli 2017 en door T. ’t Hoen, psycholoog op 11 juli 2017. Beide rapporteurs concluderen dat er bij verdachte sprake is van een langer bestaande antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vanuit zijn stoornis schrok verdachte niet terug voor een criminele klus, hij had geld nodig. Door de sociaal-maatschappelijk penibele situatie lag er veel druk op hem en dit maakte dat hij sneller geneigd was tot het nemen van risicovolle beslissingen. Vanuit zijn stoornis denkt hij onvoldoende over eventuele gevolgen van zijn handelen na. Een wat lagere verbale intelligentie is daarin niet helpend, maar heeft geen doorslaggevende betekenis gehad. Als er van wordt uitgegaan dat verdachte er tijdens de klus achter kwam dat het om iets veel criminelers ging dan hij dacht, dan heeft hij daar, mede vanuit zijn stoornis, geen gevolgen uit getrokken en geen plan bedacht om zich uit de situatie terug te trekken. De beide rapporteurs adviseren om verdachte (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Gelet op een aantal risicotaxatie instrumenten achten zij tevens de kans op herhaling hoog, door de stoornis in combinatie met de vele sociaal-maatschappelijke problemen en de gebrekkige copingvaardigheden van verdachte. De rapporteurs vervolgen dat de problematiek van verdachte ernstig en moeilijk behandelbaar en beïnvloedbaar is. Vanuit zijn stoornis is verdachte geneigd problemen te externaliseren en daarnaast ontbreekt het hem aan ziektebesef en –inzicht en wens tot behandeling/verandering. Hij is impulsief en denkt onvoldoende na over de eventuele gevolgen van zijn handelen, en/of neemt bewust risico’s vanuit geldelijk gewin, waarbij hij niet geremd wordt door een goed ontwikkeld geweten. Een behandeling in strafrechtelijk kader is door de rapporteurs wel overwogen maar wordt niet geadviseerd, te meer nu het niet de verwachting is dat verdachte veel zal profiteren van een nieuw behandel/begeleidingstraject dat zeer moeizaam en langdurig zal verlopen en naar verwachting weinig effect zal sorteren. Sociaal-maatschappelijke teloorgang dient voorkomen te worden middels vooral praktische hulp na detentie, aangezien dit een grote risicofactor is voor terugval in delinquent gedrag. De reclassering van het Leger des Heils sluit zich blijkens het rapport van 16 augustus 2017 aan bij de adviezen van de rapporteurs. De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteurs over en houdt rekening met een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 december 2018 is verdachte eerder terzake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, onherroepelijk veroordeeld. Overschrijding redelijke termijn Verdachte heeft ten tijde van de uitspraak ruim twee jaar en twee maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht. Dit betekent dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in beginsel moet zijn afgedaan, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bezien in het licht van de omvang en complexiteit van het onderzoek en de samenhang met de zaken van de mededaders in het onderzoek 09Roos is de rechtbank van oordeel dat de oorspronkelijk geplande inhoudelijke behandeling van deze zaken in de periode september/oktober 2018 geen overschrijding van de redelijke termijn had opgeleverd. Nu de uiteindelijke inhoudelijke behandeling mede vanwege omstandigheden die niet aan verdachte kunnen worden tegengeworpen is uitgesteld tot februari/maart 2019, houdt de rechtbank in de bepaling van de hoogte van de straf rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer vijf maanden. Conclusie De rechtbank zal verdachte op grond van het voorgaande veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Gelet hierop wordt het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. 9BENADEELDE PARTIJ Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten in de onderzoeken 09Doorn en 09Roos. HHij is hiertoe vertegenwoordigd door mr. N.W.A. Dekens. Ten tijde van de inhoudelijke behandeling van deze vordering ter terechtzitting is [slachtoffer 1] verschenen noch vertegenwoordigd. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade niet eenvoudig is vast te stellen, althans niet is vast te stellen in hoeverre die schade voldoende causaal verband heeft met hetgeen verdachte wordt verweten. De gevorderde immateriële schade acht de officier van justitie toewijsbaar tot een deel van het gevorderde, namelijk € 7.500. De officier van justitie acht het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel op zijn plaats. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vorderingen dienen te worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing, althans stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat [slachtoffer 1] daarom niet in zijn vordering kan worden ontvangen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank i. De schade De hoogte van de door [slachtoffer 1] geleden schade wordt door hem begroot op: materiële schade (reiskosten) € 2.926,67 immateriële schade € 12.500,00 proceskosten conform (1 punt van) het daartoe geldende tarief € 543,00 + Totaal: € 15.969,67 De rechtbank acht [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die materiële schade betreft. Met de verdediging en het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden dat de door [slachtoffer 1] gevorderde reiskosten rechtstreeks gevolg zijn van het onder 1, primair bewezenverklaarde feit. In zoverre is sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding, aangezien de mogelijke discussie over het noodzakelijke causaal verband tussen de gestelde schade en de bewezenverklaarde feiten niet in dit strafgeding kan plaatsvinden. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank dat deze vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 7.500. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde feit angst heeft ervaren die heeft geleid tot psychische schade, aangezien [slachtoffer 1] – zoals de rechtbank heeft overwogen – het beoogde doelwit was van de in het onderzoek 09Roos bewezenverklaarde moord en de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen voor moord twee dagen later. Bij gebreke aan specifieke onderbouwing acht de rechtbank [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die het door de rechtbank in redelijkheid vastgestelde bedrag overstijgt. [slachtoffer 1] kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank acht de door [slachtoffer 1] gevorderde proceskosten toewijsbaar tot het door hem gevorderde bedrag van € 543. De rechtbank zal ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen, te berekenen over de toe te wijzen vergoeding van immateriële schade vanaf 14 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening. Ten slotte zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij overigens heeft gemaakt of ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. Hoofdelijkheid Aangezien de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededader(
- s)heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel opleggen aan verdachte overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. De rechtbank zal bovendien vervangende hechtenis verbinden aan de op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Toepassing van deze vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting van verdachte niet op. De rechtbank heeft de schade van [slachtoffer 1] gewaardeerd op € 7.500, te vermeerderen met rente en kosten. Indien verdachte niet betaalt, zal vervangende hechtenis kunnen worden toegepast voor 77 dagen. 10VORDERING TENUITVOERLEGGING Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2013 (parketnummer 13/741174-13) is verdachte een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk opgelegd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2013 (parketnummer 13/670233-12) is verdachte een gevangenisstraf van 33 dagen voorwaardelijk opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen tot tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijk opgelegde straffen. Dit nu de tenuitvoerlegging hiervan in een andere procedure reeds is gelast. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd aanleiding overeenkomstig te beslissen en zal aldus het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen tot tenuitvoerlegging. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 36f, 46, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Geldigheid dagvaarding - verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1, subsidiair ten laste gelegde gedeeltelijk nietig; Vrijspraak - verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder 1, primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaren; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering n voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.500; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, over een bedrag van € 7.500 (immateriële schade) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 543; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 7.500 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 77 dagen hechtenis; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
- s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/741174-13 - verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/670233-12 - verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mrs. V. van Dam en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Kruijswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2019. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1. primair hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Hilversum, althans in het arrondissement Noord-Holland en/of Amsterdam en/of Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] , althans een hem/hen onbekende persoon, opzettelijk - een of meerdere vuurwapens, te weten een machinegeweer (merk Zastava, model M70B1, kaliber 7.62x39
- mm)en/of een machinegeweer (merk Arsenal, model Kalashnikov (AK47), kaliber 7.62x39
- mm)en/of een onderdeel machinegeweer (patroonmagazijn kaliber 7.62x39
- mm)en/of - munitie, te weten 19 en/of 11 scherpe patronen (kaliber 7.62x39
- mm)en/of - ( een) gestolen personenauto('
- s)met vals(e)/vervalst(
- e)kenteken(s), te weten een Skoda Fabia en/of een Audi Q5 en/of - een of meerdere flessen met een brandbare vloeistof en/of aanstekers, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; (art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Hilversum, althans in het arrondissement Noord-Holland en/of Amsterdam en/of Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of afpersing en/of brandstichting, althans een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk - een of meerdere vuurwapens, te weten een machinegeweer (merk Zastava, model M70B1, kaliber 7.62x39
- mm)en/of een machinegeweer (merk Arsenal, model Kalashnikov (AK47), kaliber 7.62x39
- mm)en/of een onderdeel machinegeweer (patroonmagazijn kaliber 7.62x39
- mm)en/of - munitie, te weten 19 en/of 11 scherpe patronen (kaliber 7.62x39
- mm)en/of - ( een) gestolen personenauto('
- s)met vals(e)/vervalst(
- e)kenteken(s), te weten een Skoda Fabia en/of een Audi Q5 en/of - een of meerdere flessen met een brandbare vloeistof en/of aanstekers, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; (art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 2. hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Hilversum, althans in het arrondissement Noord-Holland en/of Amsterdam en/of Midden-Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen een of meer vuurwapens en/of munitie van categorie II sub 2 en/of II sub 3 en/of III sub 1, te weten - een machinegeweer (merk Zastava, model M70B1, kaliber 7.62x39
- mm)en/of een machinegeweer (merk Arsenal, model Kalashnikov (AK47), kaliber 7.62x39
- mm)en/of een onderdeel machinegeweer (patroonmagazijn kaliber 7.62x39
- mm)en/of - 19 en/of 11 scherpe patronen (kaliber 7.62x39
- mm)voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; (art 26 lid 1 Wet wapens en munitie; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 3. hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Hilversum, althans in het arrondissement Noord-Holland en/of Amsterdam en/of Midden-Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten (een) personenauto(‘
- s)(merk Skoda, type Fabia en/of Audi Q5) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(
- s)ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 oktober 2017, genummerd 1710131406.EIND.ROOS-DOORN, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 4730 (ordner 1 t/m 15). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3416 tot en met 3439, met de brondocumenten in de bijlage, pagina 3440 tot en met 3495. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3419. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3420. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3421. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3422. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3423. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3424. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3425. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2149. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2154. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2179. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 437. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 147. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 155. Een proces-verbaal van lijkvinding, pagina 230. Een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood van het NFI van 31 januari 2017, pagina 3789, zijnde een geschrift. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3426 tot en met 3439, met de brondocumenten in de bijlage, pagina 3502 tot en met 3570. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3427. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3428. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3429. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3431. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3433. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1675. Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina 1677. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1680. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1683. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1684. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1681. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1685. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1688. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1685. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1681. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1692. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1686. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1686. Een proces-verbaal van relaas, pagina 4265. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1686. Een proces-verbaal van relaas, pagina 4274. Een proces-verbaal van relaas, pagina 4265. Een proces-verbaal sporenonderzoek Skoda Fabia. pagina 4333. Een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 20 juli 2017, pagina 4718, zijnde een geschrift. Een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 20 juli 2017, pagina 4719, zijnde een geschrift. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1720. Een proces-verbaal van aangifte, pagina 1715. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1722. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1694. Een proces-verbaal sporenonderzoek A1, pagina 4310. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4446. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2052. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1701. Een proces-verbaal sporenonderzoek A1, pagina 4310. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4445. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1713. Een proces-verbaal sporenonderzoek A27, pagina 4403. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4447. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4448. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4460. Een proces-verbaal van bevindingen,. pagina 1737. Een proces-verbaal sporenonderzoek Audi Q5, pagina 4405. Een proces-verbaal van aangifte, pagina 1747. Een proces-verbaal van buurtonderzoek, pagina 1745. Een proces-verbaal van bevindingen,. pagina 1737. Een proces-verbaal van relaas, pagina 4268. Een proces-verbaal sporenonderzoek Audi Q5, pagina 4409. Een proces-verbaal sporenonderzoek Skoda Fabia, pagina 4330. Een rapport vergelijkend motorbenzine onderzoek van het NFI van 3 mei 2017, pagina 4617, zijnde een geschrift. Ordegrootte bewijskracht: 10.000-1.000.000. Een rapport vergelijkend motorbenzine onderzoek van het NFI van 3 mei 2017, pagina 4618, zijnde een geschrift. Een proces-verbaal van relaas, pagina 17. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 312. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1822. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1826. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1826. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1827. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2470. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2487. In het vervolg van dit vonnis, als [verdachte] het in zijn verklaringen heeft over ‘ [medeverdachte 3] ’ of ‘ [medeverdachte 3] ’, geeft de rechtbank dit weer als: [medeverdachte 3] . Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2500. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2471. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2270. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2271. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2272. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2195. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1908. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1841. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1842. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1908. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1909. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2490. Een proces-verbaal van bevindingen. pagina 1764. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2478. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1766. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2271. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2276. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1909. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1910. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1911. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1848. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1849. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1851. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1848. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2504. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2505. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van bevindingen. pagina 1769. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van bevindingen. pagina 1773. Een proces-verbaal van bevindingen. pagina 1774. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2508. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2508. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2508. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2562. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2557. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2479. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1773. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2481. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2484. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2483. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2481. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1774. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2496. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2512. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 4 februari 2019. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2513. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2484. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2485. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2514. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1911. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1778. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2203. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2204. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 2207. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1688. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1809. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1818. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1822. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1824. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 371. Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina 1165, met de betreffende foto op pagina 1174. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2525. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2527 en 2528. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2580, met de betreffende foto op pagina 2612. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 1507. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 707, met de betreffende foto op pagina 709. Een proces-verbaal van relaas, pagina 56. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 619. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1809. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1814. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1818. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1822. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1825. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 2501. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 4 februari 2019.