RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/700143-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1973] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] . ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juli 2018, 10 december 2018, 6 maart 2019 en 28 maart 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 september 2017 te Nieuwegein, Maarssen en/of in Nederland en/of Europa, samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. WAARDERING VAN HET BEWIJS Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met haar partner/medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan opzettelijk gewoontewitwassen. Zij hebben door middel van een twaalftal omzettingshandelingen in totaal € 267.757,42 aan contant vermogen – uit enig misdrijf afkomstig – omgezet. Uit OVC- en tapgesprekken blijkt dat verdachte en [medeverdachte] op de hoogte waren van de illegale herkomst van het geld. Nu zij dit geld gedurende een substantiële periode hebben witgewassen, kan worden bewezen dat zij een gewoonte van het witwassen hebben gemaakt. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Wanneer een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat sprake is van witwassen, mag van de verdachte een verklaring worden verlangd. In deze zaak ontbreekt dat gerechtvaardigd witwasvermoeden echter, nu de inkomsten die verdachte voor 2012 heeft verworven niet in de eenvoudige kasopstelling zijn meegerekend. Desondanks heeft [medeverdachte] , mede namens verdachte, een verklaring afgelegd en een tegenkasopstelling overgelegd over de herkomst van hun inkomsten. Deze verklaring (inclusief tegenkasopstelling) was min of meer verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk. Het Openbaar Ministerie heeft echter te weinig gedaan om deze verklaring te verifiëren. Bovendien is onduidelijk uit welk misdrijf de inkomsten van verdachte en [medeverdachte] überhaupt afkomstig zouden moeten zijn. De raadsman merkt daarbij op dat het tot januari 2017 in ieder geval niet mogelijk was om geld uit eigen misdrijf wit te wassen. Nu niet kan worden uitgesloten dat de inkomsten van verdachte en [medeverdachte] een legale herkomst hadden, moet verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsman. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. Bewijsmiddelen De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. Gezamenlijke huishouding In januari 2017 is het strafrechtelijk onderzoek “09Piano” gestart naar het witwassen door medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Gedurende het onderzoek naar [medeverdachte] , is [verdachte] (hierna: verdachte) als verdachte van witwassen in beeld gekomen. Verdachte is de partner van [medeverdachte] . Uit onderzoek is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] een economische eenheid vormden. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met verdachte is getrouwd op Curaçao. Uit de basisregistratie personen blijkt dat verdachte en [medeverdachte] sinds 18 augustus 2005 samenwonen op de [adres] te [woonplaats] . Daarnaast is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk het gezag uitvoer(d)en over hun drie kinderen en samen de zorgdroegen voor de opvoeding van hun kinderen. Ook voerden zij samen een huishouding, bezitten zij goederen, hebben zij gezamenlijke aankopen gedaan en uitgaven gedaan voor het huishouden. Legale inkomsten Uit inkomensgegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte in 2012 uit werk inkomsten heeft ontvangen ter hoogte € 1.542,-. Daarnaast heeft verdachte in 2012 een uitkering ontvangen ter hoogte van € 5.199,- en in 2013 ter hoogte van € 7.630,-. Sinds 2014 heeft verdachte geen inkomsten meer ontvangen. In 2015 heeft zij – na het overlijden van haar moeder – € 19.452,- geërfd. Ook heeft zij in de jaren 2012 tot en met 2017 in totaal € 11.198,- aan zorgtoeslag en € 12.060,- aan kindgebonden budget ontvangen. Ten aanzien van [medeverdachte] geldt dat sinds 2012 geen loon of uitkering bij de Belastingdienst bekend is. In de aangiften inkomstenbelasting in de periode 2012 tot en met 2015 is door [medeverdachte] opgegeven dat hij geen enkel inkomen heeft ontvangen en niet over vermogen beschikt. Onderzocht is welke bij- en afschriften in de periode januari 2012 tot en met 11 september 2017 hebben plaatsgevonden van en naar de bankrekeningen op naam van verdachte en [medeverdachte] . Er is een eenvoudige kasopstelling gemaakt waarbij alle contante inkomsten en uitgaven in kaart zijn gebracht. De gegevens zijn geanalyseerd en ten aanzien van de contante ontvangsten en uitgaven is het volgende bevonden. Contante ontvangsten en bankopnames In de periode 2012 tot en met 2017 is een bedrag van € 50.735,01 contant opgenomen van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . In voornoemd bedrag zijn ook de creditcardopnames meegenomen. In dezelfde periode is een bedrag van € 2.200,- contant opgenomen van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte] . Ook is in voornoemde periode van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte] e/o [verdachte] een bedrag van € 2.500,- opgenomen. Daarnaast heeft [medeverdachte] een bedrag van € 3.340,20 aan money transfers ontvangen. Het totaalbedrag dat verdachte en [medeverdachte] aan contant vermogen hadden, komt daarmee uit op € 58.775,21. Tijdens de doorzoeking in het woonhuis van verdachte en [medeverdachte] en in het door [medeverdachte] gehuurde pand is € 675,- aan contant geld aangetroffen. Het eindsaldo contant geld zal daarom op € 675,- worden gesteld. Het totaalbedrag dat contant voor verdachte en [medeverdachte] beschikbaar was voor het doen van uitgaven, komt daardoor uit op € 58.100,21. Contante uitgaven Verdachte en [medeverdachte] hebben in de onderzoeksperiode in totaal € 325.857,63 aan contante uitgaven en contante bankstortingen verricht. Uit onderzoek naar de contante uitgaven blijkt onder meer dat drie personenauto’s zijn aangeschaft door middel van contante betalingen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat op 10 september 2013 een Kia Sorento (kenteken [kenteken] ) voor een eindbedrag van € 27.000,- is verkocht. Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij ten behoeve van [medeverdachte] voornoemde Kia Sorento heeft aangeschaft. [medeverdachte] heeft voornoemd bedrag geheel in contanten aan [getuige 2] terugbetaald. Ook is een factuur op naam van verdachte aangetroffen waarop staat vermeld dat op 8 november 2016 een Kia Picanto (kenteken [kenteken] ) voor € 6.000,- is gekocht. Voornoemd bedrag is geheel contant betaald. Het adres dat op de factuur staat vermeld betreft het woonadres van verdachte en [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats] . Op 6 juni 2017 is een Audi A1 met kenteken [kenteken] op naam van verdachte gezet. Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde Audi op 6 juni 2017 aan verdachte heeft verkocht. Het aankoopbedrag van de Audi betrof € 17.000,-. Bij de verkoop is een Volkswagen Golf (kenteken [kenteken] ) voor € 12.000,- ingeruild. Het resterende bedrag van € 5.000,- is contant betaald. Tapgesprekken Tijdens het onderzoek is het telefoonnummer [telefoonnummer] afgetapt. Voornoemd telefoonnummer is bij [medeverdachte] in gebruik. Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte] onder meer contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat in gebruik is bij verdachte. Op 20 april 2017 vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte] en verdachte. Tijdens het telefoongesprek wordt het volgende gezegd. [medeverdachte] : En hoe zat het met de andere [verdachte] : Dat is 5 (…) plus 1 waar ik mee ben wezen shoppen he dan dus eigenlijk 6 [medeverdachte] : Ja dus je hebt nog 5 [verdachte] : Ja [medeverdachte] : En dan eh je hebt 8 gestort? [verdachte] : Ja [medeverdachte] : Dus als je, hoeveel moet je dus als je er 4 en een half bij doet staat er 12 en een half op [verdachte] : Eh ja maar jij zei stort het af (…) [medeverdachte] : Nee, heb je dat al gedaan nu [verdachte] : ja daar kom ik net vandaan [medeverdachte] : Oke dat maakt niet uit dan heb je 12, dan moet je niet gelijk doorstorten. Dan moet je er 5 bij jezelf houden. [verdachte] : ja dat is goed [medeverdachte] : Weet je ik dacht misschien om nog wat te shoppen of weet ik veel wat [verdachte] : Nee dit is zat maar dan staat er op je spaar op je spaar van mij is nu naar jou teruggegeven 12 en een half (...) [verdachte] : Even kijken, even kijken hoor eh 8...13 [medeverdachte] : Ja maar ik zei hou er 5, oh je zei is genoeg, oke 12 en een half, 13 is goed. Kijk maar wat je doet of je stort het door of je laat 5 op je eigen rekening staan. Tijdens het telefoongesprek dat op 12 juni 2017 tussen [medeverdachte] en verdachte heeft plaatsgevonden, vraagt [medeverdachte] of zij wil kijken op haar ING en de SNS of er al geld is binnengekomen. Verdachte zegt dat ze dit zal doen. Op 13 juni 2017 vraagt [medeverdachte] aan haar of zij wil kijken of er iets op de rekening is gebeurd. verdachte geeft aan dat ze het hem zo via de app laat weten. Op 21 juni 2017 vindt een telefoongesprek plaats tussen verdachte en [medeverdachte] . In het gesprek zegt Verdachte dat ze niet op facebook een berichtje wil zetten dat ze iemand zoeken om op het paard te rijden. Iedereen kijkt mee en dan pakken ze haar paard af, zegt verdachte. Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) Op 19 mei 2017 vindt een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte] en verdachte. De stemmen van [medeverdachte] en verdachte worden herkend aan hun intonatie, manier van spreken en stemgeluid.Tijdens het OVC-gesprek wordt – zakelijk weergegeven – het volgende gezegd: [medeverdachte] : Ik moet zondag naar eh Spanje [verdachte] : Oh [medeverdachte] : Geld halen [verdachte] : Ja (…) [medeverdachte] : Is wel jammer die man zou tweehonderdvijftig brengen maar heeft maar honderd gebracht. [verdachte] : O, zo dat scheelt wel effe. [medeverdachte] : Ja dus eh beetje minder weer, maar geld is geld. Op 20 mei 2017 vindt een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte] , verdachte en zoon [kind] (kind) waarin – zakelijk weergegeven – het volgende gezegd. [verdachte] : He [kind] (fon) Kind: Ja [verdachte] : Morgenochtend, moet mama effetjes papa wegbrengen met de auto [medeverdachte] : Nee maar je gaat neemt hem mee. Hij moet maar leren weet je, hij moet leren om geld te halen. Hij moet leren hoe het werkt. Hij is mijn protégé he. Hij gaat doen wat ik doe, hij wordt gewoon een fucking oplichter. Hij gaat gewoon ook knaken verdienen weet je. Op 11 september 2017 heeft een OVC-gesprek tussen [medeverdachte] en verdachte plaatsgevonden. Tijdens het OVC-gesprek wordt – zakelijk weergegeven – het volgende gezegd: [verdachte] : Ja, dat financieel onderzoek en zo, dat vind ik wel uh [medeverdachte] : [verdachte] , is helemaal niks. (…) Wij hebben niks. (…) [verdachte] : Daarom, maar waar komt dan die Audi vandaan. 4.3.2. Bewijsoverweging Juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen, wettig en overtuigend te worden bewezen dat de voorwerpen/geldbedragen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft afkomstig zijn van enig misdrijf. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, ook indien niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp/geldbedrag uit een bepaald misdrijf (het gronddelict) afkomstig is, bewezen kan worden verklaard dat het voorwerp/geldbedrag een criminele herkomst heeft. Daarbij geldt dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn, dan dat de voorwerpen/geldbedragen uit “enig misdrijf” afkomstig zijn. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voort dat ten aanzien van verdachte niet is vast te stellen uit welk concreet misdrijf de geldbedragen en voorwerpen afkomstig zijn. De vraag die dient te worden beantwoord, is of er op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het onderzoek naar voren zijn gekomen en bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Wanneer het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van verdachte blijkende alternatieve herkomst van de voorwerpen/ geldbedragen. Uit dat onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen/geldbedragen een legale herkomst hebben. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Vermoeden van witwassen Allereerst concludeert de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte] een gemeenschappelijke huishouding voerden en de kosten deelden. De rechtbank zal daarom bij haar beoordeling zowel de legale inkomsten van verdachte als van [medeverdachte] betrekken. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte sinds 2014 geen inkomen heeft genoten. Ten aanzien van [medeverdachte] geldt dat sinds 2012 geen inkomen van hem bij de Belastingdienst bekend is. Uit de bankgegevens van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij in de ten laste gelegde periode in totaal € 58.100,21,- aan contante ontvangsten hadden. De totale contante uitgaven in deze periode zijn vastgesteld op € 325.857,63, hetgeen een verschil oplevert van € 267.757,42. Voornoemd geldbedrag kan niet worden verklaard door de legale inkomsten die verdachte en [medeverdachte] hadden. Nu uit het onderzoek geen legale inkomstenbronnen zijn gebleken die het geldbedrag kunnen verklaren, is een vermoeden van witwassen zonder meer gerechtvaardigd. Naast het doen van grote contante aankopen, is ook sprake van een aantal andere witwastypologieën. Niet alleen staan de transacties niet in verhouding tot de inkomsten van verdachte en [medeverdachte] , maar ook wordt in de tapgesprekken en OVC gesprekken tussen hen gesproken over geld storten, kijken of er geld binnen is gekomen en wordt door [medeverdachte] aan verdachte de opdracht gegeven om geld weg te leggen. Ook blijkt uit de gesprekken dat grote bedragen in contanten van- en naar het buitenland worden vervoerd. Niet blijkt dat er vanwege bedrijf of beroep noodzaak bestond om zoveel contant geld voorhanden te hebben, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat het voorhanden hebben en vervoeren van grote bedragen aan contant geld grote veiligheidsrisico’s meebrengt. Daarnaast is tijdens de gesprekken door [medeverdachte] tegen verdachte gezegd dat hun zoon [kind] zijn protegé is en hem als oplichter zal opvolgen en geld gaat verdienen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat verdachte samen met [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode heeft witgewassen. Nu sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag, waarmee de voorwerpen die tijdens de ten laste gelegde periode zijn aangeschaft/bekostigd. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Verklaringen verdachte Ten aanzien van de herkomst van het geld, heeft verdachte de volgende verklaringen gegeven. Beginsaldo De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de kasopstelling ten onrechte van uit is gegaan dat het beginsaldo in 2012 € 0,- was. De stelling van de verdediging is dat verdachte voorafgaand aan 2012 uit werk inkomsten heeft gegenereerd en daardoor al over enig geld beschikte. De rechtbank stelt vast dat bij de kasopstelling is gekeken naar contante inkomsten. Niet onderbouwd, noch op andere wijze is gebleken dat verdachte voorafgaand aan de onderzoeksperiode contante inkomsten heeft verkregen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat het contante beginsaldo uit legale bronnen op 1 januari 2012 € 0,- bedroeg. Inkomsten uit werk Verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard dat zij meer inkomsten hebben gehad dan waar de politie tijdens het opstellen van de kasopstelling van uit is gegaan. Daarbij hebben zij een eigen kasopstelling overgelegd waarin een overzicht is gegeven van de inkomsten die zij beide hebben genoten. a. [onderneming] Zowel verdachte als [medeverdachte] heeft aangevoerd dat in 2012 inkomsten zijn verkregen uit de onderneming [onderneming] . [medeverdachte] zou € 25.750,- en verdachte € 3.500,- hebben verkregen. De stelling wordt weerlegd door de gegevens van de Belastingdienst. Bij de Belastingdienst zijn sinds 2012 geen inkomstengegevens van [medeverdachte] bekend. Ten aanzien van verdachte geldt dat bij de Belastingdienst niet bekend is dat zij inkomsten heeft gegeneerd uit [onderneming] . Tot slot blijkt uit de bankgegevens van verdachte en [medeverdachte] niet dat voornoemde bedragen contant zijn gestort, dan wel dat een girale overboeking heeft plaatsgevonden. De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze (gestelde) inkomsten. Bemiddeling bij en verkoop van (onderdelen van) machines Verdachte en [medeverdachte] hebben zich op het standpunt gesteld dat [medeverdachte] inkomsten heeft gegenereerd uit het bemiddelen bij de verkoop van machines in Suriname en de verkoop van de machines en onderdelen daarvan zelf. Door [medeverdachte] zijn stukken overgelegd die zijn standpunt zouden moeten onderbouwen. Voornoemde stukken zijn echter op geen enkele wijze aan verdachte te linken en in de stukken zijn geen specifieke geldbedragen opgenomen. Voorts heeft [medeverdachte] geen enkele vorm van correspondentie aangedragen waaruit blijkt dat hij voor partijen heeft bemiddeld, dan wel dat hij goederen aan partijen heeft gekocht, zodat zijn stellingen niet kunnen worden geverifieerd. Tot slot zijn voornoemde inkomsten niet bij de Belastingdienst bekend. Evenmin bevinden zich in het dossier andere gegevens die de stelling van verdachte onderbouwen dat hij van zijn opdrachtgevers contante inkomsten zou hebben genoten. De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze (gestelde) inkomsten. Overige inkomsten verdachte Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte inkomsten uit [bedrijf 1] BV heeft verkregen en een uitkering Werk en Inkomen en verschillende toeslagen heeft ontvangen. Voornoemde inkomsten zijn volgens de verdediging ten onrechte niet in de kasopstelling opgenomen. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze stelling als volgt. De inkomsten waar door de verdediging een beroep op wordt gedaan, betreffen legale inkomsten die verdachte op haar bankrekening gestort heeft gekregen. Met voornoemde inkomsten is ook rekening gehouden in de kasopstelling. Deze inkomsten zijn immers verwerkt onder beschikbare contante gelden. De stelling van de verdediging dat de inkomsten uit [bedrijf 1] BV, de uitkering Werk en Inkomen en de verschillende toeslagen (een deel van) het verschil kunnen verklaren gaat niet op nu deze reeds in de kasopstelling zijn meegenomen. Verkoop auto’s In de kasopstelling die door verdachte en [medeverdachte] is opgesteld, is opgenomen dat verdachte inkomsten heeft gegenereerd uit verkoop van zowel de Kia Sorento als de Kia Picanto. Voornoemde auto’s zouden zijn doorverkocht voor € 16.150,- en € 5.000,-. De rechtbank stelt vast dat op 29 februari 2016 op de rekening van verdachte € 16.150,- van [bedrijf 2] is ontvangen voor verkoop van de Kia Sorento. Voornoemde inkomsten bieden echter geen verklaring voor de grote geldbedragen die contant zijn uitgegeven. Uit de bewijsmiddelen volgt immers ook dat de Kia Sorento op 10 september 2013 voor € 27.000,- is aangeschaft en dat de aankoop in contanten is betaald. Waar voornoemd contant bedrag uit afkomstig is, wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Ten aanzien van de Kia Picanto geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd dat en wanneer de auto is verkocht. Daarnaast zijn tijdens het onderzoek geen contante stortingen op de bankrekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.