beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Familierecht Zittingsplaats: Utrecht zaakgegevens : C/16/469015 / JE RK 18-2036 (verlenging ondertoezichtstelling) C/16/469014 / JE RK 18-2035 (machtiging uithuisplaatsing) C/16/450146 / FO RK 17-1924 (zorgregeling) datum uitspraak: 17 januari 2019 beschikking verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, tevens beschikking vaststellen zorgregeling in de zaak van de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, hierna te noemen de GI, gevestigd te Utrecht, betreffende [minderjarige] , geboren op [2004] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats] , [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] , en in de zaak van [de moeder] , de moeder, advocaat mr. D.I.A. Schröder, tegen [de vader] , de vader, advocaat mr. J.P. den Besten. De Raad voor de Kinderbescherming, hierna de Raad, is in beide zaken betrokken op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 1Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: in de zaken 469015 en 469014, - het verzoek met bijlagen van de GI van 18 oktober 2018, ingekomen bij de griffie op 19 oktober 2018; in de zaak 449716, - de tussenbeschikking van deze rechtbank van 19 november 2018. 1.2. Op 13 december 2018 heeft de meervoudige kamer de zaken ter zitting met gesloten deuren gelijktijdig behandeld. Gehoord zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat;- mevrouw [A] en mevrouw [B] , vertegenwoordigsters van de GI; - de heer [C] , namens de Raad. De minderjarige [minderjarige] is op 11 december 2018 door de voorzitter gehoord. 2De feiten 2.1. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2. [minderjarige] woont bij de vader. 2.3. [minderjarige] is met ingang van 29 januari 2016 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 25 januari 2018 tot 29 januari 2019. 2.4. In de zaak 449716 zijn, bij beschikking van 25 januari 2018, de verzoeken van de moeder ten aanzien van de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het NIFP onderzoek. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is in die beschikking afgewezen. 2.5. In de beschikking van 19 november 2018 heeft de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek over de zorgregeling doorverwezen naar de meervoudige kamer. 3De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Daarnaast verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.2. Daarnaast dient de rechtbank te beslissen op het aangehouden verzoek van de moeder om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] één weekend in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijft, alsmede iedere woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school, dan wel een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4De standpunten 4.1. De GI maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . In de huidige opvoedsituatie wordt de (persoonlijkheids)ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd, ondanks dat hij goed lijkt te functioneren. Er is sprake van psychische en emotionele mishandeling door de vader, zoals ook blijkt uit het rapport van het NIFP van 17 juli 2018. Er is sprake van een ernstige vorm van ouderverstoting richting de moeder, wat een ernstig risico op een verstoorde ontwikkeling meebrengt. De vader en zijn familie zijn niet bereid om mee te werken aan de geboden hulpverlening. Er zijn meerdere gesprekken gevoerd om omgang tussen de moeder en [minderjarige] tot stand te brengen. De vader werkt daar niet aan mee, omdat [minderjarige] volgens hem geen contact met de moeder wil. De vader is niet bereid of in staat om [minderjarige] te stimuleren in het contact met de moeder en daarmee niet in staat of bereid om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. Opties als contact in een omgangshuis of eten bij de moeder thuis zijn niet uitvoerbaar gebleken. Een uithuisplaatsing is het laatste redmiddel dat ingezet kan worden om [minderjarige] niet langer bloot te stellen aan de psychische mishandeling door de vader. De GI wijkt daarmee af van het advies van het NIFP om de plaatsing bij de grootouders te formaliseren omdat inmiddels is gebleken dat contactherstel met de moeder dan onmogelijk is. Een directe plaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet wenselijk. De GI verzoekt om [minderjarige] eerst op een neutrale (behandel)plek te plaatsen, zoals een verbindingsplek met een ouder-kindtraject of een crisisplek. Van daaruit kan een terugplaatsing naar de moeder worden gerealiseerd met een intensieve vorm van ambulante hulpverlening, zoals een systeemtherapeut. De GI wil tijdens het terugplaatsingstraject het contact tussen [minderjarige] en de vader (en de familie van de vader) opschorten, zodat de vader en zijn omgeving geen verstorende invloed kunnen hebben op [minderjarige] en op het contactherstel met en de plaatsing bij de moeder. De GI onderkent dat een uithuisplaatsing een grote impact zal hebben op [minderjarige] , maar is van mening dat dit op de langere termijn beter zal zijn voor zijn (identiteits)ontwikkeling. Het is van belang dat hij de ruimte krijgt om zich een eigen beeld te vormen van zijn beide ouders. 4.2. De Raad heeft ter zitting verklaard dat uit de stukken volgt dat er sprake is van een gesplitste loyaliteit bij [minderjarige] . Dat is met name zorgelijk voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. De Raad adviseert om het verzoek van de GI toe te wijzen omdat dit op de lange termijn voor [minderjarige] beter zal zijn. 4.3. De moeder vindt het belangrijk dat er toezicht op de situatie blijft en dat de emotionele veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] wordt gewaarborgd. De moeder had gehoopt dat in het kader van de ondertoezichtstelling al meer stappen waren gemaakt. De GI heeft geprobeerd de vader in beweging te krijgen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen, maar de vader werkt niet mee. Als de huidige situatie in stand blijft, vreest de moeder dat zij de aankomende jaren geen contact met [minderjarige] zal hebben. De moeder is daarom van mening dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] op de langere termijn het beste voor hem is. De moeder kan [minderjarige] een veilige omgeving bieden. Zij heeft voor haar andere kinderen hulpverlening ingeschakeld om de impact van de echtscheiding van de ouders te kunnen verwerken en zij vindt het heel erg dat [minderjarige] dit niet heeft gekregen. Wanneer een opbouw van het contact of begeleide omgang voor [minderjarige] het beste zou zijn, stemt de moeder daar mee in. De moeder wil graag begeleiding bij het herstel en opbouw van het contact met [minderjarige] . 4.4. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader kan niet instemmen met de uithuisplaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek. Dit zal een grote impact hebben op [minderjarige] , terwijl hij al veel heeft meegemaakt. [minderjarige] ervaart rust, structuur en een veilige omgeving bij zijn opa en oma thuis. Een uithuisplaatsing is niet de manier om het contact met de moeder te herstellen. Ook heeft de vader verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder tot de vaststelling van een zorgregeling. Volgens de vader wil [minderjarige] geen contact met de moeder. De vader laat die keuze bewust aan [minderjarige] , omdat hij van mening is dat dat de beste manier is voor contactherstel. De vader heeft een paar keer gezegd dat [minderjarige] naar de moeder moest gaan, maar dat wilde hij niet. Er is al zoveel geprobeerd. De relatie tussen de vader en de GI is niet goed. Alle hulpverlening heeft er juist voor gezorgd dat [minderjarige] geen contact meer wil met de moeder. Als er al omgang moet komen moet dit begeleid zijn, om de reactie van [minderjarige] in de gaten te houden. 5De beoordeling 5.1. In het NIFP-rapport wordt de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] als volgt beschreven: “Bij [minderjarige] is een aanpassingsstoornis vastgesteld met gemengde emoties en gedrag. [minderjarige] functioneert oppervlakkig gezien leeftijdsadequaat waarbij hij weinig gevoelens van inadequatie voelt en over het algemeen adequate strategieën hanteert om met emoties om te gaan behoudens veel rumineren. Echter op het niveau van zijn persoonlijkheidsstructuur en ook in zijn directe uitingen blijkt dat [minderjarige] zich staande houdt door veel te verdringen, heftige gevoelens af te weren, snel te somatiseren en gebruik te maken van splitsing waarbij vader helemaal goed is en moeder helemaal fout. [minderjarige] is geparentificeerd waarbij hij emotioneel voor vader zorgt door zijn gehechtheid en loyaliteit aan moeder volledig te loochenen. Dit is een manier om zich staande te houden die erg kwetsbaar is en een risico in zich draagt op latere leeftijd tot impulsdoorbraken met agressie te leiden. Dan zou de agressie zich tegen vader kunnen gaan keren.” “De splitsing en het hautain afwijzen van moeder terwijl er geen aanwijzingen zijn dat moeder een inadequate opvoeder was die hem een zodanig trauma heeft bezorgd dat een dergelijke afwijzing zou kunnen verklaren wijst op beïnvloeding door vader en het oudervervreemdingssyndroom. [minderjarige] moet een deel van zijn identiteit, hij is immers ook kind van zijn moeder, afwijzen om de liefde van zijn vader te behouden en is hiermee in een loyaliteitsconflict. Het emotioneel moeten zorgen voor zijn vader is een rolomkering en teken van parentificatie. Opa en in mindere mate oma laveren tussen partijen door om contact met al hun kleinkinderen te behouden. Daarbij zij zijn eveneens geneigd om mee te gaan in de afwijzing van moeder en het narratief over haar slechte ouderschap.” “De opvoedingssituatie zou de kans moeten geven om zowel van zijn vader als van zijn moeder te houden en van beide ouders liefde te ontvangen.” 5.2. Over de traumatische ervaringen van [minderjarige] wordt het volgende geschreven: “De aanloop tot de echtscheiding met veel huiselijk geweld waarbij een voortdurende dreiging van escalaties bestond is traumatisch geweest voor [minderjarige] . Het beloop er na waarbij moeder bedreigd werd door vader en moeder door Veilig Thuis geadviseerd werd zich met de kinderen op neutraal terrein terug te trekken was eveneens traumatisch. [minderjarige] heeft dit zodanig heftig beleefd dat hij voortdurend nachtmerries had en visuele hallucinaties en later herinneringen door elkaar zijn gaan lopen zoals het zak over zijn hoofd dragen bij de dropping van een schoolreisje koppelen aan de vlucht met moeder naar zijn tante.” 5.3. Over de situatie van ouderschap bij de vader en opa, oma en de oom vaderszijde wordt het volgende naar voren gebracht: “Hetgeen waar vader tekort schiet; overzicht houden, financiële zelfredzaamheid en organisatie wordt gecompenseerd of aangevuld door grootouders. Bij vader is door Virenze Boba autisme vastgesteld met problemen met agressieregulatie en impulscontrole. Behandeling voor de agressieregulatie en impulscontroleproblemen is nog niet gelukt.” “Het grote probleem en de kern is het gebrek aan erkenning van het belang van de moeder van [minderjarige] . Hierin zijn alle opvoeders (buiten moeder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.