RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/652974-16 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1993] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [adres] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 november 2018 en 8 mei 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Booij en van hetgeen de raadsvrouw mr. C.E. Hok-A-Hin, advocaat te Utrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 21 november 2018 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair samen met anderen in de periode van 5 februari 2014 tot en met 31 oktober 2015 in Nederland via Instagram en www.marktplaats.nl diverse personen heeft opgelicht; subsidiair behulpzaam is geweest bij het in de periode van 5 februari 2014 tot en met 31 oktober 2015 in Nederland via Instagram en www.marktplaats.nl medeplegen van oplichten van diverse personen door haar bankrekening en bankpas met bijbehorende pincode ter beschikking te stellen; meer subsidiair zich samen met anderen in de periode van 5 februari 2014 tot en met 16 augustus 2016 in Maarssen en/of Breukelen en/of Utrecht heeft schuldig gemaakt aan heling van een geldbedrag van € 1.301,60; meest subsidiair samen met anderen in de periode van 5 februari 2014 tot en met 16 augustus 2016 in Maarssen, Breukelen en Utrecht een geldbedrag van € 1.301,60 heeft verduisterd; 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de medeplichtigheid van verdachte bestaat uit het ter beschikking stellen van haar bankrekening en bankpas met bijbehorende pincode en dat verdachte via de aangifte van [aangever 1] en het rekeningnummer van medeverdachte [medeverdachte] is te koppelen aan medeverdachte [medeverdachte] . De verklaring van verdachte acht de officier van justitie ongeloofwaardig. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft een algehele vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde De raadsvrouw heeft primair betoogd dat enkel de aangiften van [aangever 2] en [aangever 3] gekoppeld kunnen worden aan verdachte en dat daarbij geen sprake is geweest van een strafbare oplichting waarbij verdachte betrokken is geweest. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen sprake is van opzet op de oplichting als ook niet op het opzettelijk gelegenheid verschaffen of behulpzaam zijn bij het plegen van de oplichting. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen bewijs voor handen is dat verdachte wist dat geld dat op haar bankrekening gestort werd afkomstig was van een misdrijf. Ook kan niet verweten worden dat verdachte dit behoorde te weten nu zij in vertrouwen haar bankpas aan een vriendin heeft uitgeleend. Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening, omdat verdachte geen toegang had tot haar bankrekening, nu zij haar bankpas met pincode had uitgeleend. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde Strafbare oplichting De rechtbank is van oordeel dat uit de aangiften van [aangever 2] en [aangever 3] volgt dat er sprake is geweest van een strafbare oplichting. Aangevers [aangever 2] en [aangever 3] hebben verklaard dat zij via het Instagramaccount [naam 1] sneakers besteld hebben en daarvoor geld overgemaakt hebben naar een bankrekening ten name van [naam 1] . Vervolgens zijn de bewuste sneakers niet geleverd. Voordat de aangevers geld over hebben gemaakt, heeft er een vlotte en snelle communicatie via email plaatsgevonden waarbij aangevers onder meer geadviseerd werden over de schoenmaat. Door het professionele profiel op Instagram, de vlotte en snelle communicatie via een vals emailadres en het gebruik van een valse naam is er vertrouwen gewekt bij de aangevers. Daarnaast is er sprake geweest van meerdere leugenachtige mededelingen die het verweer van de raadsvrouw dat de aangevers – kort gezegd – hadden moeten voorzien dat de sneakers niet geleverd zouden worden, teniet doen. Medeplegen dan wel medeplichtigheid De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet vastgesteld kan worden dat verdachte in die zin betrokken is geweest bij de strafbare oplichting van [aangever 2] en [aangever 3] dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte tevens vrijspreken van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid. Uit het enkele door verdachte uitlenen van haar bankpas met bijbehorende pincode aan medeverdachte [medeverdachte] kan de rechtbank niet afleiden dat zij (voorwaardelijk) opzet op de oplichting heeft gehad. Aan het vereiste van dubbel opzet is aldus niet voldaan. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde heling De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het verwerven van het geldbedrag wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was van enig misdrijf. Ten aanzien van de meest subsidiair ten laste gelegde verduistering De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk het geld, gestort door [aangever 2] en [aangever 3] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. 5BENADEELDE PARTIJEN [benadeelde 1] , [benadeelde 2] . [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van respectievelijk € 79,95, € 169,90, € 219,- en € 364,-. Deze bedragen bestaan uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde. 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen moeten worden, nu het gevorderde ziet op geld dat op de bankrekening van de medeverdachte is gestort. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vorderingen 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partijen kunnen hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. 6BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] verklaart [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en N.V.M. van Gehlen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 mei 2019. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: primair zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 februari 2014 tot en met 31 oktober 2015 te Naarden en/of Utrecht en/of Houten en/of Leusden en/of Almere en/of Ermelo en/of Amsterdam en/of Baexem en/of Alkmaar en/of Maarssen en/of Nieuwegein en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) andere(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.