vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/442510 / HA ZA 17-571 Vonnis van 22 mei 2019 in de zaak van MR. PIETER CORNELIS VAN AS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V., kantoorhoudende te Nieuwegein, eiser, advocaat mr. P.C. van As te Nieuwegein, tegen DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST / UTRECHT-GOOI mede kantoorhoudend te Utrecht, gedaagde, advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam. Partijen zullen hierna de curator en de Ontvanger genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de schadestaat de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek de akte houdende overlegging producties A / Z van 19 september 2018 van de curator de akte houdende vermeerdering en wijziging van eis, tevens overlegging producties van de curator de akte overlegging productie ter gelegenheid van het pleidooi van de Ontvanger de akte houdende overlegging productie ter gelegenheid van het pleidooi van de curator de op 9 april 2019 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s. 1.2. Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen. 2Waar gaat het over? 2.1. In deze schadestaatprocedure moet de hoogte van de schade worden vastgesteld die het gevolg is van een onrechtmatige daad van de Ontvanger ten opzichte van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). 2.2. De ondernemingsactiviteit van [bedrijfsnaam 1] bestond uit de verspreiding van regionale kranten, tijdschriften en folders. Eind 2009 had zij een forse belastingschuld. In verband daarmee heeft de Ontvanger dwangbevelen afgegeven en executoriaal beslag gelegd. De openbare executieverkoop heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Daarbij zijn vrijwel alle bedrijfsmiddelen van [bedrijfsnaam 1] verkocht. Op 2 februari 2010 is [bedrijfsnaam 1] op eigen verzoek failliet verklaard. 2.3. Op 26 januari 2010, dus één dag voor de executieverkoop, heeft [bedrijfsnaam 1] een verzetprocedure ingesteld tegen de executie van de dwangbevelen. De curator heeft die procedure op de voet van artikel 27 Faillissementswet (hierna Fw) overgenomen. De hoofdzaak is onderwerp van debat geweest bij de rechtbank Utrecht (thans Midden-Nederland), het hof Arnhem-Leeuwarden, de Hoge Raad en (na verwijzing) het hof Den Bosch. 2.4. In de verzetprocedure is een verklaring voor recht gevorderd dat de Ontvanger ten opzichte van [bedrijfsnaam 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook is een veroordeling van de Ontvanger gevorderd tot vergoeding van de door zijn handelen veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat. Aan deze vorderingen is door [bedrijfsnaam 1] , respectievelijk de curator, ten grondslag gelegd dat het verzet op grond van het toenmalige artikel 17 lid 2, tweede volzin Invorderingswet (hierna: Iw) de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen had geschorst, zodat de Ontvanger niet bevoegd was de executie te vervolgen. 2.5. In een vonnis van 14 september 2011 heeft de rechtbank Utrecht voor recht verklaard dat de Ontvanger onrechtmatig jegens [bedrijfsnaam 1] heeft gehandeld door de schorsende werking van het verzet te negeren. Ook heeft de rechtbank de Ontvanger veroordeeld tot vergoeding van alle hierdoor aan de zijde van [bedrijfsnaam 1] geleden schade, nader op te maken bij staat. In het kader van de beantwoording van de vraag of [bedrijfsnaam 1] schade heeft geleden heeft de rechtbank beoordeeld of de Ontvanger, indien hij de tussenkomst van de rechter had ingeroepen voor het opheffen van de schorsende werking van het ingestelde verzet, later alsnog tot openbare verkoop van de goederen had mogen overgaan. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij geoordeeld dat de rechter (in kort geding of op een incidentele vordering van de Ontvanger) in dat geval zou hebben geconcludeerd dat sprake was van een duidelijk kansloos verzet en misbruik van recht door [bedrijfsnaam 1] . 2.6. In een arrest van 15 oktober 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van de curator alsnog afgewezen en het verzet ongegrond verklaard. Dit arrest is door de Hoge Raad vernietigd op 1 mei 2015. De Hoge Raad oordeelde, kort gezegd, dat ook in geval van misbruik van bevoegdheid alleen door een rechterlijke beslissing de schorsende werking aan het verzet kan worden ontnomen. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen naar het hof Den Bosch ter verdere behandeling en beslissing. 2.7. In een - in kracht van gewijsde gegaan - arrest van 21 juni 2016 heeft het hof Den Bosch het vonnis van de rechtbank van 14 september 2011 bekrachtigd. Het hof heeft in dit arrest bevestigd dat de Ontvanger onrechtmatig ten opzichte van [bedrijfsnaam 1] heeft gehandeld door in weerwil van het verzet de executie voort te zetten. 2.8. Voor de vaststelling van de schade in deze schadestaatprocedure zijn de volgende overwegingen van het hof Den Bosch van belang: ‘3.5.2 Vaststaat dat [bedrijfsnaam 1] misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen en dat de aangezochte rechter de schorsende werking aan het verzet zou hebben ontnomen. Dit betekent dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat voor de vaststelling van de schade als uitgangspunt dient te worden genomen de situatie waarin [bedrijfsnaam 1] verkeerde na de openbare verkoop op 27 januari 2010 en de situatie waarin zij zou hebben verkeerd op het moment dat de rechter de schorsende werking aan het verzet zou hebben ontnomen (en de Ontvanger de tenuitvoerlegging van het dwangbevel had kunnen voortzetten). Grief 2 in het incidenteel hoger beroep faalt. […] 3.5.4 […] Naar het oordeel van het Hof dient de rechter in de schadestaatprocedure in volle omvang over de schade en de periode waarin schade zou zijn geleden, zij het met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen, te kunnen beslissen.’ 2.9. In opdracht van de curator heeft [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna [bedrijfsnaam 2] ) de schade van [bedrijfsnaam 1] berekend. Op basis van die berekeningen vordert de curator na enkele eiswijzigingen samengevat - veroordeling van de Ontvanger tot betaling van primair € 1.431.112,61 + pro memorie (hierna: p.m.), vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten. Subsidiair en meer subsidiair vordert de curator lagere bedragen. Het primair gevorderde bedrag bestaat uit de volgende onderdelen: verdampte goodwill € 967.951,00 verloren gegane waarde bedrijfsinventaris en bedrijfsmiddelen € 95.694,56 verloren gegane waarde software € 26.944,00 schade wegens inhouding en verrekening door debiteuren € 133.387,24 € 256.025,80 faillissementskosten (berekend tot en met 9 oktober 2018 + p.m.) € 185.451,70 + p.m. kosten voor de vaststelling van de hoogte van de schade door [bedrijfsnaam 2] € 21.684,11 Totaal € 1.431.112,61 + p.m. 2.10. De Ontvanger betoogt - samengevat - het volgende. De vorderingen van de curator moeten worden afgewezen. [bedrijfsnaam 1] heeft wel enige schade geleden door het onrechtmatig handelen van de Ontvanger, maar zijn daaruit voortvloeiende schuld aan [bedrijfsnaam 1] is lager dan zijn vordering op [bedrijfsnaam 1] wegens onbetaalde belasting. Die vordering bedraagt (afgerond) € 216.000, vermeerderd met € 6.414 aan kosten en met de invorderingsrente vanaf de vervaldata van de belastingaanslagen. Na verrekening heeft de curator daarom niets te vorderen. 2.11. Volgens de curator mag de Ontvanger niet verrekenen. Gelet op deze stellingen van partijen zal de rechtbank niet alleen de schade van [bedrijfsnaam 1] begroten, maar ook beoordelen of het de Ontvanger is toegestaan om te verrekenen. 3. De beoordeling De begroting van de schade 3.1. Om de hoogte van de schade te begroten moet de werkelijke situatie worden vergeleken met de hypothetische situatie zonder onrechtmatige daad van de Ontvanger ten opzichte van [bedrijfsnaam 1] . Die hypothetische situatie is naar haar aard onzeker. Daarom moet de rechtbank vaststellen wat het meest waarschijnlijke scenario zou zijn geweest als de Ontvanger de executieverkoop op 27 januari 2010 niet had voortgezet. Het meest waarschijnlijke scenario 3.2. Tot aan de zitting heeft de curator het standpunt ingenomen dat de rechter de schorsende werking van het verzet niet zou hebben opgeheven en dat [bedrijfsnaam 1] niet failliet zou zijn gegaan. Zijn vorderingen zijn op dat uitgangspunt gebaseerd. Tijdens de zitting heeft curator echter erkend dat er, gelet op het arrest van het hof Den Bosch (zie 2.8), in deze schadestaatprocedure vanuit moet worden gegaan dat de schorsende werking van het verzet wel zou zijn opgeheven. Dat zou er volgens de curator toe hebben geleid dat [bedrijfsnaam 1] op eigen verzoek failliet zou zijn verklaard, nog voordat de executieverkoop zou hebben plaatsgevonden. Volgens de Ontvanger zou [bedrijfsnaam 1] binnen enkele weken na 2 februari 2010 (de datum waarop het faillissement is uitgesproken) alsnog failliet zijn verklaard, hetzij op eigen verzoek, hetzij op verzoek van de Ontvanger of van een andere schuldeiser. 3.3. De rechtbank gaat ervan uit dat [bedrijfsnaam 1] in de situatie zonder onrechtmatige daad ook failliet zou zijn gegaan en dat het faillissement zou zijn uitgesproken voordat de rechter de schorsende werking aan het verzet zou hebben ontnomen. Aan dit oordeel liggen de volgende omstandigheden ten grondslag. 3.4. Eind 2008 bedroeg het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] € 184.255 negatief. In 2009 is de omzet van [bedrijfsnaam 1] met ongeveer 25% gedaald en heeft zij een verlies geleden van € 111.939,65. Voor haar liquiditeit was [bedrijfsnaam 1] volledig afhankelijk van factoringmaatschappij IFN. Debiteuren van [bedrijfsnaam 1] moesten de factuurbedragen betalen aan IFN, die vooruitlopend op de ontvangst van die debiteurenbetalingen voorschotten uitkeerde aan [bedrijfsnaam 1] . Aan die bevoorschotting was echter een einde gekomen doordat de Ontvanger in december 2009 ten laste van [bedrijfsnaam 1] derdenbeslag onder IFN had gelegd. Hierdoor verkeerde [bedrijfsnaam 1] eind 2009/begin 2010 in grote geldnood. Illustratief hiervoor is dat [bedrijfsnaam 1] eind 2009 voor € 55.000 aan valse facturen bij IFN heeft ingediend, teneinde voor dat bedrag een voorschot te ontvangen. Op 11 januari 2010 heeft de belastingdienst een voorstel van [bedrijfsnaam 1] voor een betalingsregeling definitief afgewezen. De salarissen van haar bezorgers over januari 2010 heeft [bedrijfsnaam 1] niet betaald. Eind januari 2010 bedroeg haar belastingschuld € 228.873. Op dat moment had [bedrijfsnaam 1] bovendien geen enkel vooruitzicht op de verwerving van financiering uit andere bron. 3.5. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat [bedrijfsnaam 1] kort na 2 februari 2010 failliet zou zijn verklaard als de executieverkoop op 27 januari 2010 niet had plaatsgevonden. Deze termijn kan redelijkerwijs worden gesteld op maximaal vier weken na 2 februari 2010. De schade De faillissementskosten, inclusief de kosten van [bedrijfsnaam 2] 3.6. In de situatie zonder onrechtmatige daad zouden, net als nu, ten laste van de boedel faillissementskosten zijn gemaakt. Die kosten zouden mogelijk lager zijn geweest omdat in dat geval niet zou zijn geprocedeerd over de vraag of de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door de schorsende werking van het verzet te negeren. Het antwoord op de vraag hoeveel lager de faillissementskosten daardoor zouden zijn geweest, kan echter in het midden blijven. De Ontvanger is in de hoofdprocedure namelijk veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de curator, en heeft aan die proceskostenveroordelingen voldaan. Aangenomen moet worden dat de Ontvanger ook de proceskostenveroordeling in deze schadestaatprocedure zal voldoen (als hij daartoe wordt veroordeeld). De proceskostenveroordelingen worden geacht zowel de kosten van de door de curator ingeschakelde advocaat als die van de curator zelf te omvatten, voor zover die kosten verband houden met de verzetprocedure. De faillissementskosten ter hoogte van € 185.451,70 + p.m. zijn dus geen schade die aan de Ontvanger kan worden toegerekend. 3.7. Ook de kosten die bestaan uit de vergoeding die de curator heeft betaald aan [bedrijfsnaam 2] vormen geen schade die aan de Ontvanger kan worden toegerekend. In opdracht van de curator heeft [bedrijfsnaam 2] de schade van [bedrijfsnaam 1] berekend op basis van de veronderstelling dat [bedrijfsnaam 1] in de situatie zonder onrechtmatige daad niet failliet zou zijn gegaan en een ‘going concern’ zou zijn geweest. Dat uitgangspunt is echter onjuist en de curator had dat, gelet op de duidelijke bewoordingen in het arrest van het Hof Den Bosch, behoren te begrijpen. De kosten van [bedrijfsnaam 2] betreffen dan ook geen redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Gederfde cashflow 3.8. Voor de situatie zonder onrechtmatige daad heeft de curator subsidiair het standpunt ingenomen dat [bedrijfsnaam 1] schade heeft geleden bestaande uit gederfde cashflow gedurende de periode vanaf 2 februari 2010 tot de datum waarop haar faillissement zou zijn uitgesproken. De rechtbank volgt de curator hierin niet omdat [bedrijfsnaam 1] , net als in de weken vóór 2 februari 2010, gedurende de periode van maximaal vier weken daarná over geen enkele liquiditeit zou hebben beschikt. De rechtbank verwijst hiervoor naar 3.4. De curator heeft daarover geen andere (onderbouwde) stellingen ingenomen. Nadeel wegens inhouding en verrekening door debiteuren 3.9. De curator stelt dat [bedrijfsnaam 1] kort voor haar faillissement schikkingen heeft bereikt met twee van haar debiteuren, namelijk [debiteur 1] en [debiteur 2] . Zelf heeft de curator een schikking getroffen met debiteur [debiteur 3] . Volgens de curator zou [bedrijfsnaam 1] , respectievelijk de boedel, in de situatie dat [bedrijfsnaam 1] na 2 februari 2010 failliet zou zijn gegaan in totaal € 133.387,24 meer van deze drie debiteuren hebben ontvangen, namelijk € 11.305 van [debiteur 1] , € 14.904,88 van [debiteur 2] en € 107.177,36 van [debiteur 3] . Deze stelling slaagt niet. De curator legt namelijk niet uit waarom [bedrijfsnaam 1] respectievelijk de boedel in de hypothetische situatie dat het faillissement uiterlijk vier weken na 2 februari 2010 zou zijn uitgesproken, er per saldo beter zou zijn uitgesprongen. Waarom zouden genoemde debiteuren dan (ook) niet zijn overgegaan tot verrekening en inhouding, met dezelfde schadeposten als gevolg? Op deze vraag geeft de curator geen antwoord. Met andere woorden: dat de gestelde schade van € 133.387,24 niet ook in de hypothetische situatie zou zijn geleden, heeft de curator onvoldoende onderbouwd. Het betoog van de curator slaagt daarom niet. Opbrengst activa 3.10. De opbrengst van de op 27 januari 2010 gehouden executieverkoop bedroeg, na aftrek van kosten, € 7.345. De Ontvanger heeft dit bedrag gehouden. Op 27 januari 2010 heeft de belastingdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op nog een aantal andere roerende zaken van [bedrijfsnaam 1] die eerder nog niet in beslag waren genomen. Met toestemming van de curator heeft de Ontvanger die zaken op 18 maart 2010 laten verkopen. De netto-opbrengst daarvan ter hoogte van € 1.500 is aan de curator betaald. 3.11. Over de verkoopopbrengst van de activa van [bedrijfsnaam 1] in de situatie zonder onrechtmatige daad betoogt de curator het volgende. Zonder executieverkoop op 27 januari 2010 zou de curator de beschikking hebben gehad over alle bedrijfsmiddelen van [bedrijfsnaam 1] . De curator zou in dat geval de onderneming van [bedrijfsnaam 1] korte tijd hebben voortgezet en zou vervolgens de activa, inclusief goodwill, hebben verkocht aan een doorstarter. [debiteur 3] werkte samen met 29 partners, waaronder [bedrijfsnaam 1] . Het is aannemelijk dat tenminste één van die 28 partners de activa van [bedrijfsnaam 1] zou hebben gekocht en (een deel van) het personeel zou hebben overgenomen. Voor het geval de rechtbank aanneemt dat geen doorstart zou hebben plaatsgevonden zou de bedrijfsinventaris zijn verkocht voor € 97.389,56 (de nieuwwaarde) en zou verkoop van de software € 26.944 (ook de nieuwwaarde) hebben opgebracht. 3.12. Volgens de Ontvanger is het niet reëel om te veronderstellen dat de activa zouden zijn verkocht aan een doorstarter en ook niet om aan te nemen dat de verkoop van de activa de door de curator genoemde bedragen zou hebben opgeleverd. De Ontvanger vindt het wel aannemelijk dat de curator een iets hogere verkoopopbrengst voor de bedrijfsmiddelen zou hebben geïncasseerd. 3.13. De rechtbank kan nog niet vaststellen of de curator in de situatie zonder onrechtmatige daad de onderneming korte tijd zou hebben voortgezet en vervolgens zou hebben verkocht aan een doorstarter. De curator zal in een akte nader moeten onderbouwen: dat hij de onderneming enige tijd zou hebben kunnen voortzetten, dat hij die ook daadwerkelijk zou hebben voortgezet, dat hij de onderneming dan wel onderdelen daarvan zou hebben verkocht aan een doorstarter, welke opbrengst die verkoop zou hebben opgeleverd welk bedrag de boedel in dit scenario per saldo meer zou hebben ontvangen dan nu. Bij de beantwoording van deze vragen moet de curator in ieder geval ingaan op: de aard en inhoud van de contracten met belangrijke klanten de vraag of die klanten de bevoegdheid hadden om hun overeenkomsten met [bedrijfsnaam 1] in verband met het faillissement met onmiddellijke ingang te beëindigen de vraag bij wie en op welke termijn die klanten de voorheen door [bedrijfsnaam 1] uitgevoerde werkzaamheden hebben ondergebracht hoe de curator voortzetting van de onderneming zou hebben gefinancierd welke kosten door deze gang van zaken ten laste van de boedel zouden zijn gekomen, waaronder de kosten van voortzetting van de onderneming en van de overdracht van de activa. De Ontvanger zal in een antwoordakte mogen reageren. Verrekening 3.14. Volgens de curator mag de Ontvanger zijn schuld, bestaande uit de verplichting tot vergoeding van de schade van [bedrijfsnaam 1] , niet verrekenen met zijn belastingvordering. Subsidiair, voor het geval verrekening wel is toegestaan, mag de Ontvanger zijn vordering slechts verrekenen met een deel van zijn schuld aan [bedrijfsnaam 1] . De curator voert daarvoor de volgende argumenten aan: De Ontvanger heeft de schade opzettelijk toegebracht. Artikel 6:135 aanhef en onder b BW staat daarom in de weg aan verrekening. Dat [bedrijfsnaam 1] door de executieverkoop failliet zou gaan was voorzienbaar. Bovendien wilde de Ontvanger de oorspronkelijke directeur-eigenaar van [bedrijfsnaam 1] , de heer [A] (hierna: [A] ), persoonlijk een hak zetten. De belastingdienst was [A] zat. Dit blijkt uit een door de curator als productie 21 overgelegde brief van 2 augustus 2010 van de controller van [bedrijfsnaam 1] , de heer [B] (hierna: de brief van [B] ). De executie is doorgezet om [A] opzettelijk te beschadigen, ten koste van [bedrijfsnaam 1] . De vordering van de curator tot vergoeding van schade is mede een vordering van de gezamenlijkheid van crediteuren van [bedrijfsnaam 1] . Als zodanig is sprake van een Peeters/Gatzen-vordering die niet aan de boedel toebehoort. De belastingschuld van [bedrijfsnaam 1] is wel een schuld van de boedel. Verrekening is niet mogelijk omdat de schuld van de Ontvanger niet in hetzelfde vermogen valt als zijn vordering. Artikel 24 Iw verklaart weliswaar artikel 53 Fw van overeenkomstige toepassing, maar artikel 53 Fw moet worden toegepast met inachtneming van wat op grond van artikel 24 Iw kan worden verrekend. De Ontvanger is niet bevoegd tot verrekening op grond van artikel 24 Iw omdat de op een onrechtmatige daad van de Ontvanger gebaseerde schadevordering van [bedrijfsnaam 1] niet kwalificeert als een vordering die verband houdt met de invordering van belastingen en heffingen door de Ontvanger. Verrekening is in strijd met het systeem van de Faillissementswet, althans verrekening zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare uitkomst leiden (artikel 6:2 BW), op twee gronden: 1) Na de faillissementsdatum had de curator de onderneming kunnen voortzetten door te blijven leveren op basis van de reeds voor het faillissement met opdrachtgevers gesloten duurovereenkomsten. Daarmee had hij periodiek inkomsten kunnen realiseren. In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1989, Tiethoff q.q./NMB, brengt een redelijke uitleg van artikel 53 Fw mee dat zij geen betrekking heeft op een na de faillietverklaring ontstane schuld die voortvloeit uit een daarvoor met de gefailleerde gesloten en na de faillietverklaring doorlopende overeenkomst, krachtens welke die schuld de tegenprestatie vormt van een ten laste van de boedel te verrichten prestatie. Anders zou dit een onaanvaardbare doorbreking opleveren van de paritas creditorum (gelijkheid van schuldeisers, met inachtneming van hun wettelijke rangorde) en een ernstige bemoeilijking van een goed beheer van de betrokken boedelgoederen. Wanneer een onrechtmatige gedraging een einde maakt aan de mogelijkheid om - niet voor verrekening vatbare - inkomsten te genereren, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting wanneer voor deze inkomsten in de plaats tredende schadevergoeding rechtens voor verrekening vatbaar zou zijn. 2) Het faillissement van [bedrijfsnaam 1] is het rechtstreekse gevolg van de door de Ontvanger doorgedrukte onrechtmatige executoriale verkoop. Zou tussen de vordering van de Ontvanger uit hoofde van belastingheffing enerzijds en de schadevordering van [bedrijfsnaam 1] anderzijds verrekening worden toegelaten, dan zou de Ontvanger door het plegen van eigenrichting worden beloond en zou het beginsel van paritas creditorum worden doorbroken. De Ontvanger zou dan namelijk ter voldoening van zijn preferente vordering voorrang krijgen boven de boedelcrediteuren en boven de overige preferente crediteuren. Subsidiair: Op grond van artikel 53 Fw is verrekening mogelijk voor zover beide vorderingen zijn ontstaan voor de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen die voor de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht. De vordering van de Ontvanger is een pre-faillissementsvordering. Het grootste deel van de door de curator gevorderde schadevergoeding is een post-faillissementsvordering. Dat geldt in ieder geval voor de gederfde cashflow, de faillissementskosten en de kosten van de deskundige. 3.15. De rechtbank is van oordeel dat de Ontvanger weliswaar in beginsel bevoegd is tot verrekening, maar dat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij een beroep op verrekening doet. Omdat partijen duidelijkheid willen over alle door de curator aangevoerde verweren tegen verrekening, bespreekt de rechtbank die gronden hierna allemaal. Bij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.