RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 21-004692-16 VI-zaaknummer: 99-000499-50 Beslissing ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van 26 juni 2019 op de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [1972] te [geboorteplaats] thans gedetineerd te PI Dordrecht (hierna te noemen: de veroordeelde). 1De procedure Bij arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2019 is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 11 maanden. De tenuitvoerlegging hiervan is op 6 augustus 2015 gestart. De veroordeelde zou, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 12 juli 2019 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 8 april 2019 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling met een termijn van 180 dagen zal uitstellen, nu veroordeelde op 22 mei 2018 voor meerdere bedreigingen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand. De vordering is behandeld ter zitting van 12 juni
- Daarbij zijn gehoord de officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde mr. H. Sytema, advocaat te Den Haag. De veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van de vordering aanwezig te zijn. 2De standpunten 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn vordering. 2.2 Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Het enkele feit dat veroordeelde gedurende zijn detentie door de rechtbank is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten is onvoldoende om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht betreft immers een zogeheten ‘kan-bepaling’, zodat de officier van justitie niet gehouden was de onderhavige vordering in te dienen. Bovendien is de veroordeling nog niet onherroepelijk. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 30 april 2019 weliswaar beslist op het hoger beroep van veroordeelde, maar hiertegen is cassatie ingesteld. Daarnaast heeft veroordeelde in hoger beroep een gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd gekregen. Wanneer de voorwaardelijke invrijheidsstelling met 180 dagen wordt verkort, wordt deze straf feitelijk met nog eens 6 maanden verhoogd. Veroordeelde heeft een zwaarwegend belang bij zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling, omdat hij buiten de gevangenis verder kan werken aan de band met zijn kinderen. Dit is ook in het belang van zijn kinderen. Tenslotte is een langere voorwaardelijke invrijheidstelling ook in het belang van de maatschappij, omdat veroordeeld dan nog onder toezicht staat. 3De beoordeling Op grond van artikel 15d, eerste lid, onder b, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht - voor zover hier van belang - kan een voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of achterwege blijven, indien is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, welke misdraging kan blijken uit een veroordeling ter zake van een misdrijf. Bij vonnis van 22 mei 2018 is veroordeelde voor bedreiging van twee medewerkers van Samen Veilig Midden-Nederland (Save) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 30 april 2019 veroordeelde voor deze bedreigingen een gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd. In het gegeven dat veroordeelde gedurende zijn detentie een strafbaar feit heeft gepleegd, heeft de officier van justitie aanleiding mogen zien om uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling te vorderen. De rechtbank ziet in de hiervoor genoemde veroordeling voldoende grond om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Dat de veroordeling door het instellen van cassatie nog niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af. Verder wordt, anders dan de raadsman heeft betoogd, met uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling de opgelegde gevangenisstraf niet verhoogd. Het betreft immers twee verschillende procedures en veroordeelde heeft door zijn gedraging niet voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vervroegde invrijheidstelling. Ook acht de rechtbank de door veroordeelde aangevoerde belangen onvoldoende zwaarwegend om uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten. De rechtbank zal de voorwaardelijke invrijheidstelling uitstellen met een periode van 180 dagen, zoals door de officier van justitie gevorderd. 4De beslissing De rechtbank: - wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 180 dagen; - stelt de voorlopige v.i.-datum vast op 8 januari
- Aldus gedaan door mr. M.C. Danel, voorzitter, mrs. G. Perrick en E.J.W. Verhaagh, bijgestaan door mr. L. Antonides als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 26 juni
- 18/02336