vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/475224 / HA ZA 19-8 Vonnis van 3 juli 2019 in de zaak van de coöperatieve vereniging COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. S.K. Tuithof te Haarlem, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. M.A. Hupkes te Amsterdam. Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van 30 januari 2019 waarbij de zaak door de kantonrechter is verwezen naar de handelskamer van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting van 3 juni
- 1.
- Op de zitting van 3 juni 2019 is bepaald dat er een vonnis komt. 2Het geschil en de beoordeling 2.
- Op 21 september 2011 heeft [gedaagde] een lening afgesloten bij Rabobank, waarbij hij een bedrag van € 78.994,00 heeft geleend. Rabobank en [gedaagde] hebben afgesproken dat de lening wordt afgelost in maandelijkse termijnen van € 752,33 en dat de lening loopt tot 30 mei
- 2.
- Op enig moment is [gedaagde] gestopt met betalen en is de nog openstaande schuld van € 77.751,17 opeisbaar geworden. Rabobank vordert betaling van dit bedrag, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten tot een maximum van € 100.000,00 en met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten. 2.
- Het gaat in deze zaak om de vraag of de vordering van Rabobank is verjaard. [gedaagde] beroept zich daarop. Volgens Rabobank heeft zij de verjaring echter (tijdig) gestuit. 2.
- Een rechtsvordering tot betaling van een geldbedrag verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:308 BW). De verjaring van een rechtsvordering kan op verschillende manieren worden gestuit, bijvoorbeeld door een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317 BW). Uit artikel 3:37 lid 3 BW volgt dat een brief alleen werking heeft als deze de beoogde ontvanger heeft bereikt, óf als dat niet is gebeurd, vanwege - kort gezegd - omstandigheden die rechtvaardigen dat de beoogd ontvanger daarvan het nadeel draagt. 2.
- Volgens Rabobank heeft zij [gedaagde] op 24 juli 2012 een aangetekende brief gestuurd waarmee zij de financiering heeft opgezegd en [gedaagde] heeft gesommeerd om het nog openstaande bedrag (op dat moment € 77.751,17) aan haar te betalen. Daarmee is de lening opgezegd en de verjaringstermijn gaan lopen, aldus Rabobank. 2.
- [gedaagde] betwist de ontvangst van de brief van 24 juli
- Op de zitting heeft hij daarover toegelicht dat hij in juli 2012 stond ingeschreven op het adres dat in de brief is vermeld en dat dat het woonadres is van zijn ouders. Hij was toen echter tijdelijk in een zorginstelling opgenomen en het zou heel goed kunnen dat zijn moeder de brief aan de deur heeft geweigerd, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist hiermee weliswaar gemotiveerd dat hij de brief van 24 juli 2012 heeft ontvangen, maar betwist onvoldoende gemotiveerd dat de brief is verstuurd naar en vervolgens is aangeboden aan het adres waar [gedaagde] op dat moment stond ingeschreven (bij zijn ouders). De rechtbank gaat er dus van uit dat dit wel is gebeurd. 2.
- Het zou kunnen dat de brief [gedaagde] vervolgens niet heeft bereikt omdat hij rond 24 juli 2012 in een zorginstelling was opgenomen en/of omdat zijn moeder de brief aan de deur heeft geweigerd. Dit zijn echter omstandigheden die op grond van artikel 3:37 lid 3 BW rechtvaardigen dat [gedaagde] daarvan het nadeel draagt en die dus voor zijn risico komen. De rechtbank stelt daarom vast dat de verjaringstermijn met de brief van 24 juli 2012 is gaan lopen. 2.
- Het staat vast dat Rabobank op 6 februari 2017 een stuitingshandeling heeft verricht door [gedaagde] aan te schrijven per exploot. [gedaagde] had op dat moment geen bekende woon- of verblijfplaats, zodat de Rabobank het exploot heeft betekend aan het openbaar ministerie op grond van artikel 54 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat is gebeurd binnen de verjaringstermijn van vijf jaar na 24 juli
- 2.
- De conclusie is dat de vordering van Rabobank tijdig is gestuit, en dus niet is verjaard. De verschuldigdheid van het gevorderde bedrag van € 77.751,17 is verder niet weersproken en wordt daarom toegewezen. 2.
- Dan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Daarop is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. De geldlening valt vanwege de omvang immers niet onder de Wet op het Consumentenkrediet. De rechtbank stelt verder vast dat het hier niet gaat om een handelsovereenkomst. Rabobank heeft op de zitting erkend dat het om een particuliere geldlening gaat. Rabobank had dus een veertiendagenbrief moeten sturen als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Uit het dossier blijkt niet dat zij dit heeft gedaan. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen. 2.
- Rabobank heeft ook nog rente gevorderd vanaf 20 augustus
- Primair vordert zij contractuele boeterente op grond van haar algemene voorwaarden, maar Rabobank heeft niet toegelicht waarom [gedaagde] op grond daarvan rente verschuldigd is in de loop van 2014, terwijl de overeenkomst toen al was opgezegd. Deze vordering wordt dus afgewezen. Ook de (subsidiair gevorderde) handelsrente zal de rechtbank afwijzen, omdat de leningsovereenkomst geen handelsovereenkomst is. De rechtbank zal in plaats daarvan de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) toewijzen vanaf de gevorderde datum (20 augustus 2014) tot de voldoening. 2.
- [gedaagde] heeft ongelijk gekregen en zal dus in de proceskosten van Rabobank worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op € 3.649,88, waarvan € 103,88 aan dagvaardingskosten, € 1.992,00 aan griffierecht, € 480,00 aan salaris gemachtigde bij de kantonrechter (1 punt x tarief € 480,00) en € 1.074,00 aan salaris advocaat bij de handelsrechter (1 punt x tarief € 1.074,00). De kosten die Rabobank heeft gemaakt voor de akte eiswijziging komen voor rekening van Rabobank. Zij heeft immers ten onrechte de zaak bij de kantonrechter aangebracht. Als zij dat niet had gedaan, had zij deze kosten niet hoeven maken. 2.
- De gevorderde nakosten worden toegewezen op de in de beslissing geformuleerde manier. 3De beslissing De rechtbank 3.
- veroordeelt [gedaagde] om Rabobank € 77.751,17 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (6:119 BW) vanaf 20 augustus 2014 tot de voldoening, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Rabobank, tot op heden begroot op € 3.649,88, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op - € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Rabobank aan dit vonnis is voldaan, - € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli
- type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.