← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:3481

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/105 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en de burgemeester van Utrecht, verweerder (gemachtigden: mr. N. Oosterweghel en mr. H. Kavi). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. P.J.G. Poels. Procesverloop Bij besluit van 13 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (verder: vergunninghouder) een exploitatievergunning verleend voor een horecabedrijf in de vorm van een kleinschalig hotel op het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding] te [vestigingsplaats] . Bij besluit van 10 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is besloten dat de adressering van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding] / [nummer-/letteraanduiding] te [vestigingsplaats] moet zijn. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [A] . De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een brief van eiser ontvangen, gedateerd 20 mei
  2. Overwegingen
  3. De rechtbank heeft de brief van eiser van 20 mei 2019 niet betrokken bij het oordeel. Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 (het Procesreglement) bepaalt dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. Dat laatste is niet het geval. In overeenstemming met artikel 2.16, tweede lid, van het Procesreglement is de brief in het dossier gevoegd. Verder heeft de rechtbank voldaan aan het in die brief vervatte verzoek van eiser om toezending van de zittingsaantekeningen.
  4. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2.1 Bij besluit van 15 mei 2017 heeft verweerder aan [A] een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie, in afwijking van het bestemmingsplan, van een kleinschalig hotel op het perceel. De tegen dat besluit ingediende bezwaarschriften zijn door verweerder niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. De tegen de besluiten op bezwaar ingestelde beroepen heeft de rechtbank bij uitspraken van heden ongegrond verklaard (zaak nrs. UTR 18/1212, UTR 18/1207, UTR 18/1483 en UTR 18/1485). 2.2 Bij besluit van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan [A] ook een omgevingsvergunning verleend voor het brandveilig gebruiken van een hotel op het perceel. De tegen dat besluit ingestelde beroepen heeft de rechtbank bij uitspraken van heden ongegrond verklaard (zaak nrs. UTR 17/3834 en UTR 17/3949). 2.3 Vergunninghouder heeft op 11 mei 2017 een aanvraag voor een horeca-exploitatievergunning bij verweerder ingediend ten behoeve van de vestiging van het hotel op het perceel. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Het door eiser tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verleende exploitatievergunning alleen geldt voor het exploiteren van een hotel met een zestal kamers, gelegen op de eerste en tweede verdieping van het pand op het perceel. Dat in het besluit op bezwaar aan de adressering [straatnaam] nummer [nummer-/letteraanduiding] is toegevoegd, betekent niet dat de exploitatievergunning ook ziet op onder meer de werfkelder. Het primaire besluit laat wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over, nu daarin expliciet wordt vermeld voor welke lokaliteiten/kamers de vergunning geldt.
  6. Eiser heeft aangevoerd dat het verlenen van de exploitatievergunning ook gevolgen heeft voor het brandveilig gebruiken van het hotel. Ook heeft eiser betoogd dat als gevolg van deze vergunningverlening het exploiteren van een restaurant zonder meer zal worden toegestaan, zodra dat door vergunninghouder zal worden aangevraagd. 4.
  7. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij daarmee heeft willen aanvoeren dat het woon- en leefklimaat en de veiligheid in de omgeving van het hotel op ontoelaatbare wijze nadelig zullen worden beïnvloed door de aanwezigheid van het hotel. De rechtbank overweegt als volgt. 4.2 Artikel 9, eerste lid, onder d, van de Horecaverordening Utrecht 2015 bepaalt dat de burgemeester de exploitatievergunning weigert indien naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat, de openbare orde of veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 4.3 De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van deze bepaling beoordelingsruimte toekomt, die de rechter moet respecteren en daarom slechts terughoudend kan toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure de vraag moet beantwoorden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het woon- en leefklimaat en de veiligheid in de omgeving niet ontoelaatbaar nadelig worden beïnvloed. 4.4 Bij de besluitvorming op de aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een horecaonderneming moet door verweerder worden beoordeeld of de situering van het bedrijf op de beoogde plaats inbreuk maakt op de te beschermen woon- en verblijfskwaliteit van die plaats of in het gebied waartoe die plaats behoort. Bij de beoordeling van de vraag of de exploitatie van het hotel zich al dan niet verdraagt met het woon- en leefklimaat ter plaatse is van belang in welke mate er overlast is te duchten van het hotel, maar ook in welke mate de komst van het hotel de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten. 4.5 De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen komen tot het oordeel dat verweerder aan de door hem gevreesde overlast een te gering gewicht heeft toegekend. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hier sprake is van een kleinschalig hotel met logiesverstrekking op de eerste en tweede verdieping van het pand, waarbij alleen ontbijt aan de hotelgasten wordt aangeboden. Gelet op de omvang van het hotel en de afstand van het hotel tot de percelen van de omwonenden, acht verweerder het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van dusdanige overlast dat deze zal leiden tot een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat de vestiging van het hotel slechts leidt tot een geringe toename van het aantal kamers ten opzichte van de op grond van het bestemmingsplan al toegestane uitoefening van een Bed & Breakfast. Verder kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat het hotel wordt gevestigd in een centrum-stedelijke omgeving, waarvoor in het algemeen geldt dat een bepaalde druk voor de omgeving daaraan inherent is. Verder geldt dat voor het brandveilig gebruiken van het hotel een omgevingsvergunning is verleend. Dat vestiging van dit kleinschalige hotel overigens van nadelige invloed zou zijn op de veiligheid in de omgeving is door eiser niet onderbouwd en is de rechtbank niet gebleken. Ook de door eiser nog geuite vrees dat vergunninghouder zich niet zal houden aan de opgelegde voorschriften, geeft de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het hotel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Dit is een kwestie van handhaving.
  8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de exploitatie van een restaurant zonder meer zal worden toegestaan als daarvoor een aanvraag wordt ingediend, overweegt de rechtbank dat verweerder moet beslissen op de aanvraag om een exploitatievergunning, zoals die is ingediend. De aanvraag waarop verweerder in dit geval moest beslissen ziet op het exploiteren van een hotel met 6 kamers, gelegen op de eerste en tweede verdieping van het pand. De aanvraag ziet niet op het exploiteren van een restaurant, zodat verweerder daarover ook geen beslissing heeft genomen en ook niet hoefde te nemen. De rechtbank overweegt daarbij nog dat door vergunninghouder ter zitting expliciet is vermeld dat zij geen plannen heeft voor het in de (nabije) toekomst exploiteren van een restaurant.
  9. Door eiser zijn in het kader van dit beroep nog verschillende andere gronden aangevoerd, die met name zien op door hem ervaren onregelmatigheden met betrekking tot de gang van zaken rond de aanvraag en verlening van de exploitatievergunning. Zo heeft eiser onder meer aangevoerd dat besluiten van verweerder zodanig bekend moeten worden gemaakt dat iedere belanghebbende daartegen bezwaar kan maken. Ook heeft eiser gesteld dat verweerder niet dan wel onvoldoende is ingegaan op door hem ingediende bezwaargronden. 6.1 De rechtbank overweegt dat de door eiser gestelde onregelmatigheden en/of onvolkomenheden geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft zijn bezwaren tegen het verlenen van de exploitatievergunning uitvoerig aan de orde kunnen stellen en dat ook feitelijk gedaan. Dat door verweerder wellicht niet op ieder argument ter ondersteuning van eisers bezwaren afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.
  10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde exploitatievergunning heeft kunnen verlenen.
  11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. M.P. Glerum, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli
  12. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.