RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/242446-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 26 juli 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op de zitting van 12 juli
(1)onopvallende camera laten plaatsen in de gang van de berging. Deze camera hangt sinds donderdag 11 oktober 14.30 uur in de hal van de berging en heeft enkel zicht op de deur van de berging, behorende bij nummer [nummeraanduiding 3] . […] Naar aanleiding van de diefstal van het sleutelkastje en oneigenlijk gebruik van de berging behorende bij nummer [nummeraanduiding 3] , heb ik onderzoek ingesteld naar andere woningen van [naam instelling] waar een soortgelijk sleutelkastje hangt.’ Verbalisant [verbalisant 7] verklaart als volgt: ‘Vanaf 9 oktober 2018 werden door de buurtbeheerder van woningbouwvereniging [naam instelling] , geheel vrijwillig, camerabeelden van de berging [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] afgegeven. Op die beelden zag ik dat meerdere personen, in soms dezelfde maar ook in verschillende samenstellingen en op verschillende data en tijdstippen, de berging bezochten. Ook zag ik op de ontvangen camerabeelden dat door die personen in berging [nummeraanduiding 3] goederen werden geplaatst. Uit onderzoek bleek later dat hierbij goederen zaten, die van diefstal afkomstig waren. […] Beelden 18 november 2018 Omstreeks 21.24 uur zag ik dat de door mij herkende [medeverdachte] en door mij herkende [verdachte] in beeld kwamen en de gang van de berging inliepen. Ik zag dat [medeverdachte] , met een sleutel, de berging open maakte. Ik zag dat beiden de berging inliepen en uit beeld verdwenen. Ik zag dat [verdachte] als eerste de berging uitkwam. Ik zag dat [verdachte] een capuchon over zijn hoofd droeg en een skibril op had gezet. Ik zag dat [medeverdachte] de berging afsloot en hierna samen met [verdachte] de gang van de berging verlaat. […] Omstreeks 21.50 uur zag ik dat door mij herkende [medeverdachte] samen met door mij herkende [verdachte] de gang van de berging inliepen en in beeld kwamen. Verder zag ik dat [medeverdachte] een blauwe Piaggio Vespa met een vierkanten koplamp, met windscherm, de gang van de berging in duwde. Ik zag dat [verdachte] , [medeverdachte] hielp de scooter in de gang van de berging te krijgen. Hierna zag ik dat [verdachte] middels een sleutel het slot van de berging opende. Vervolgens zag ik dat zij beiden met de blauwe Vespa de berging in liepen en uit beeld verdwenen. Kort hierna zag ik dat beiden de berging uitliepen. Ik zag dat [medeverdachte] met een sleutel de berging afgesloot. Ik zag dat wederom [voornaam van medeverdachte] de berging met de sleutels opende en beiden weer de berging inliepen. Ik zag dat beiden de berging uitliepen en de gang van de berging verlieten. Omstreeks 22.06, zag ik dat door mij herkende [medeverdachte] samen met door mij herkende [verdachte] de gang van de berging inliep en in beeld kwam. Ik zag dat [medeverdachte] een blauwe tas van [.] in zijn handen vasthield. Ik zag op de beelden dat de tas inhoud had. Ik zag dat [voornaam van medeverdachte] samen met [voornaam van verdachte] de berging inliep en kort hierna weer uit de berging kwam. Ik zag dat [medeverdachte] een oranje voorwerp in zijn handen vasthield. Ik zag dat [voornaam van medeverdachte] bij de deurpost van de deur van de gang met dit voorwerp bezig was. Ik zag vervolgens dat de opname stopte. […] Beelden 19 november 2018 Ik opende twee foto's die ik ontvangen had van de buurtbeheerder. Ik zag dat deze foto's in de binnenzijde van de berging gemaakt waren met de telefoon van de buurtbeheerder. Op de foto's zag ik dat een scooter, Piaggio Vespa, zichtbaar was. Ik zag dat de uiterlijke kenmerken van deze scooter gelijkenissen vertoonde met de Piaggio Vespa scooter die op 18 november 2018, omstreeks 21.50 uur, door [medeverdachte] en [verdachte] in de berging geplaatst waren.’ Verbalisant [verbalisant 8] heeft als volgt verklaard: ‘Beelden 26 november 2018 [voornaam van verdachte] is gekleed in een zwarte jas van het merk The North Face, draagt daar onder een grijze Nike joggingbroek en zwarte sportschoenen. Ook draagt hij een groen kleurige muts met rood en witte rand. Hij opent middels een sleutel de berging, behorende bij het adres [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] te [woonplaats] en gaat deze berging in. Na ongeveer 1 minuut komt [verdachte] deze berging weer uit en zet in de gang van de bergingen een zwarte sporttas op de grond. Te zien is dat in deze zwarte sporttas in ieder geval 2 inbouw navigatiesystemen zitten. Hierop gaat [verdachte] de berging weer in, pakt daaruit een stuk vilt en legt dit vervolgens boven op de tas waardoor deze navigatiesystemen aan het zicht worden onttrokken. Hierop pakt hij de tas op en verdwijnt uit beeld. Die zelfde dag, omstreeks 17:23 uur, is te zien dat [verdachte] weer terug komt in de hal van de bergingen. Hij heeft op dat moment een zwarte tas vast met daarbij ook het stuk vilt wat hij eerder over de tas heen legde. Bij binnenkomst is te zien dat er in ieder geval l inbouw navigatiesysteem in deze tas zit. [verdachte] opent de berging weer middels een sleutel en gaat hier met de tas naar binnen.’ Verbalisant [verbalisant 9] heeft als volgt verklaard: ‘Op 15 november 2018 werden in de genoemde berging (De rechtbank begrijpt: de berging gevestigd aan de [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] te [woonplaats]) de volgende goederen aangetroffen en zijn daarvan foto's genomen: - Een navigatiesysteem voorzien van [..1] […] - Een display voor een radio en navigatiesysteem van Volkswagen, voorzien van het ingegraveerde nummer: [..2] […] Op 22 november 2018 werden in de berging de volgende goederen aangetroffen en zijn daarvan foto’s genomen: […] Voorts werden twee complete navigatiesystemen aangetroffen voorzien van de volgende ingegraveerde serienummers: - [..3] […] Op 15 november 2018 […] werd het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit verzocht de aangetroffen goederen te onderzoeken en te achterhalen bij welke voertuigen de goederen horen. In het eerste resultaat stonden twee Nederlandse kentekens van twee personenauto's vermeld. De twee kentekens van die twee personenauto's betroffen [kenteken 3] en [kenteken 4] In de personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 3] hoorde het navigatiesysteem voorzien van het serienummer [..2] . In de personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 4] hoorde het navigatiesysteem voorzien van het serienummer [..1] . De twee personenauto's voorzien van genoemde personenauto's konden op die wijze gekoppeld worden aan de twee genoemde navigatiesystemen. Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem bleek op 6 oktober 2018 tussen 20.30 uur en 22.30 uur, een personenauto te zijn opengebroken daaruit het navigatiesysteem te zijn weggenomen. Die personenauto was zwart van kleur, van het merk Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 3] en stond geparkeerd op de [straatnaam 8] ter hoogte van [nummeraanduiding 4] te [woonplaats] . […] Verder bleek uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem dat, op 11 oktober 2018 tussen 00.15 en 09.35 uur, een witte personenauto van het merk Volkswagen, type Golf en voorzien van het kenteken [kenteken 4] , was opengebroken. Die auto stond op die dag en vermelde tijdstippen geparkeerd op de [straatnaam 9] ter hoogte van [nummeraanduiding 5] te [woonplaats] . Uit het tweede onderzoek van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit bleek het serienummer van één navigatiesysteem, [..3] geregistreerd te staan voor een personenauto voorzien van het chassisnummer [..4] . Onderzoek in de politiesystemen wees uit dat het genoemde chassisnummer hoort bij een blauwe personenauto van het merk Volkswagen Golf welke voorzien is van het kenteken [kenteken 6] . Uit onderzoek bleek verder dat op tussen 20 september 2018 om 23.00 uur en 21 september 2018 om 04.40 uur genoemd voertuig te zijn opengebroken. Uit dat voertuig was toen een navigatiesysteem weggenomen.’ Verbalisant [verbalisant 10] verklaart als volgt: ‘Op donderdag 22 november 2018, omstreeks 08.20 uur, bevond ik mij, verbalisant [verbalisant 10] , […] in een kelderbox, op de [straatnaam 7] , te [woonplaats] . […] Ik stelde een onderzoek in de kelderbox met het nummer [nummeraanduiding 3] . […] In de kelderbox trof ik een snorfiets aan van het merk Piaggio, type Vespa. Ik zag dat de snorfiets voorzien was van het kenteken [kenteken 5] . Ik heb het politiesysteem bevraagd op het kenteken en zag dat een snorfiets met dat kenteken op 18 november 2018 was weggenomen, vanaf de [straatnaam 10] [nummeraanduiding 6] in [woonplaats] . […] Ik zag dat het contactslot uit de snorfiets was gehaald. Op de grond naast de snorfiets zag ik een contactslot liggen met een spijker daarin gedraaid.’ Op 18 november 2018 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal: ‘Op zondag 18 november 2018 omstreeks 05.00 uur stalde ik mijn scooter van het merk: Piaggio, type Vespa s, kleur mat blauw en met kenteken [kenteken 5] voor mijn woning gelegen aan de [straatnaam 10] [nummeraanduiding 6] te [woonplaats] . Ik had mijn scooter afgesloten door middel van het stuurslot. […] Toen ik op zondag 18 november 2018 omstreeks 22.45 uur mijn scooter wilde gebruiken zag ik dat deze was weggenomen.’ Bewijsoverweging feit 1: brandstichting 27 november 2018 De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het volgende vast. Op 27 november 2018 vindt omstreeks 21:31 uur een autobrand in een Mercedes plaats aan de [straatnaam 1] te [woonplaats] . Getuige [getuige] ziet daarbij twee personen naast de Mercedes staan, waarvan één persoon een zwarte jas draagt en een witte helm. Deze persoon zat op een witte scooter met een grote rode bezorgbak achterop. Enkele minuten daarna ziet verbalisant [verbalisant 2] een witte scooter met rode bezorgbak achterop rijden en deze wordt door verbalisant [verbalisant 1] staande gehouden. De bestuurder, gekleed in een zwarte jas met een witte helm, blijkt verdachte te zijn. Na deze aanhouding ruiken verbalisanten een brandlucht uit de helm en de kleding van verdachte komen. Vervolgens krijgt verdachte rode uitslag rondom zijn ogen. In de bezorgkoffer van de scooter van verdachte wordt een ruitentikker aangetroffen en op de voetplaat van de scooter blijkt glas te liggen. De glasdeeltjes, aangetroffen op de kleding van verdachte en op de voetplaat van de scooter, zijn vergeleken met aangetroffen glas naast het in brand gestoken voertuig. Hieruit is gebleken dat de bevindingen van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn als hypothese I waar is, wat inhoudt dat de onderzochte glassporen afkomstig zijn van de gebroken ruiten van de Mercedes [kenteken 1] . De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan deze brandstichting. Gelet op het tijdstip van de autobrand in relatie tot de aanhouding van verdachte, het signalement gegeven door getuige [getuige] dat overeenkomt met verdachte, de rooklucht rondom verdachte én de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn medeverdachte degenen zijn geweest die de autobrand op 27 november 2018 hebben gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte voor, tijdens en na het plegen van deze autobrand er sprake is van medeplegen. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Om dat aan te kunnen nemen, dient dat gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te zijn geweest. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een autobrand veel schade kan aanrichten. Uit de aangifte volgt dat het bedrijfsvoertuig voor de privéauto van aangever geparkeerd stond en dat hij deze uit angst voor brand heeft verplaatst. De rechtbank neemt op basis hiervan aan dat er door de brandstichting sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Om levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Uit het dossier volgt niet onder welke concrete omstandigheden het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zich heeft voorgedaan. De rechtbank zal verdachte dan ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. Bewijsoverweging feit 2: deelname aan een criminele organisatie Aan verdachte is onder feit 2 tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 9 oktober 2018 tot en met 29 december 2018 schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van verschillende soorten misdrijven, zoals opgesomd in de tenlastelegging. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Voor een criminele organisatie moet er tenminste sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van meer misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Voor de deelneming is van belang dat betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt met gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Deelneming impliceert opzet, wat wil zeggen dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, gericht op, kort gezegd, vermogensdelicten waaronder opzetheling en diefstal. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sleutels van een leegstaande berging behorende bij de woning aan de [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] zijn weggenomen van de rechtmatige eigenaar. Uit camerabeelden volgt dat een groep jongeren, waaronder verdachte, vervolgens in een periode van ongeveer tweeëneenhalve maand in wisselende samenstelling intensief gebruik heeft gemaakt van deze berging. Uit de camerabeelden volgt dat de jongeren met goederen de berging inlopen en zonder goederen vervolgens vertrekken. Uit het onderzoek is gebleken dat in deze bergingen gestolen goederen, zoals scooters, navigatiesystemen en andere auto-onderdelen, zijn opgeslagen. De groep heeft, in verschillende samenstellingen, op regelmatige basis vermogensdelicten gepleegd, zoals hierna ook besproken zal worden bij de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd waarbij ieder een eigen aandeel heeft gehad, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht, die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. De berging kan worden gezien als ontmoetings- en opbergplek, waarbij het een komen en gaan is van verdachte en zijn medeverdachten met gestolen navigatiesystemen en gestolen scooters/bromfietsen. Uit de camerabeelden van 18 en 26 november 2018 volgt dat verdachte met een medeverdachte een scooter in de berging plaatst, waarvan later is vastgesteld dat deze gestolen is. Eveneens volgt uit de beelden dat verdachte de berging opent middels een sleutel en de berging verlaat met een tas met twee navigatiesystemen. Hoewel deze omstandigheden schreeuwen om een uitleg, is een plausibele verklaring van verdachte hieromtrent uitgebleven. Verdachte heeft ter terechtzitting geen enkele verklaring kunnen of willen afleggen en hij heeft zich op alle gestelde vragen hieromtrent op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank acht het bestaan van de criminele organisatie en, in samenhang bezien met de hierna bewezen verklaarde feiten, de deelname van verdachte daaraan bewezen voor in ieder geval de periode van 18 november 2018 tot 26 november 2018, nu over deze periode camerabeelden zijn gemaakt van de bergingen, waarop verdachte te zien is. De rechtbank acht bewezen dat de criminele organisatie waaraan verdachte deelnam zich bezig hield met de in de tenlastelegging genoemde vermogensfeiten. Hoewel verdachte één brandstichting samen met iemand anders heeft gepleegd, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor het oordeel dat de criminele organisatie zich bezig hield met het plegen van brandstichtingen. Hiervan zal verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken. Bewijsoverweging feit 3 subsidiair: heling sleutelbos De rechtbank stelt aan de hand van voormelde bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] namens [naam instelling] aangifte heeft gedaan van diefstal van sleutels, waaronder de sleutel van de berging behorende bij een leegstaande woning aan de [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] te [woonplaats] en de sleutel van de portiekdeur, die toegang geeft tot de portiek en gang van deze berging. Uit de camerabeelden van 26 november 2018 volgt dat verdachte deze berging met de sleutel opent. Tegen deze achtergrond en mede gelet op hetgeen hiervoor onder feit 2 is overwogen ten aanzien van verdachtes deelname aan een criminele organisatie, waarbij de berging een belangrijke rol speelde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de sleutels op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze uit misdrijf afkomstig waren, hetgeen ook daadwerkelijk het geval bleek te zijn. De rechtbank acht dan ook, gelet op de feiten en omstandigheden die rondom de berging zijn geconstateerd, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van de sleutels. Bewijsoverweging feit 4: heling navigatiesystemen De rechtbank stelt aan de hand van voormelde bewijsmiddelen vast dat verdachte op 26 november 2018 te [woonplaats] de berging, behorend bij de woning aan de [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] , inloopt met een sporttas met 2 inbouw navigatiesystemen. Later op die dag is verdachte weer bij de berging te zien, waarbij hij bij binnenkomst van de berging eveneens 1 inbouw navigatiesysteem bij zich heeft. Op 9 oktober 2018 werd door de eigenaar van de berging [slachtoffer 1] in de berging al navigatiesystemen aangetroffen. Op 13 november 2018 werden meerdere navigatiesystemen in de berging aangetroffen. Met betrekking tot de in november 2018 aangetroffen navigatiesystemen is vastgesteld dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht voor dit oordeel mede van belang de plek waar de goederen zijn aangetroffen, te weten verstopt in de bergingen die verdachte met anderen gebruikte voor het stallen van gestolen dan wel geheelde goederen. Verdachte heeft geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor het voorhanden hebben van deze goederen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de deelname van verdachte aan een criminele organisatie en het gebruik van de bergingen daarbij. Gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren en dat verdachte dit wist dan wel tenminste de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Bewijsoverweging feit 5 subsidiair: opzetheling scooter De rechtbank stelt aan de hand van voornoemde bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn scooter op 18 november
- De rechtbank stelt vervolgens vast dat verdachte op 18 november 2018 met een ander beschikte over deze scooter. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de hiervoor genoemde omstandigheden, terwijl dat in de gegeven omstandigheden wel van hem verlangd mag worden, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat deze scooter van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht, gelet op uitblijven van een verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tenminste schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling. 6BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1 op 27 november 2018 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier en een vloeibaar brandversnellend middel, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een personenauto merk: Mercedes-Benz, kenteken: [kenteken 1] geheel of gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen geparkeerde auto's te duchten was; Feit 2 in de periode van 18 november 2018 tot en met 26 november 2018 te Utrecht , heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van heling van scooters/bromfietsen en/of onderdelen van scooters/bromfietsen en/of navigatiesystemen en/of displays; Feit 3 subsidiair in de periode van 18 november 2018 tot en met 26 november 2018 te Utrecht , tezamen en in vereniging met anderen, een sleutel voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die sleutel, wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; Feit 4 in de periode van 18 november 2018 tot en met 26 november 2018 te Utrecht , tezamen en in vereniging met anderen, navigatiesystemen voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; Feit 5 subsidiair op 18 november 2018 te Utrecht , tezamen en in vereniging met een ander, een scooter, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die scooter wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 7STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; feit 2: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 subsidiair: telkens medeplegen van opzetheling. 8STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9OPLEGGING VAN STRAF 9.
- De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot: 150 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde: gedurende het eerste jaar van de proeftijd de maatregel Toezicht en Begeleiding vanuit de jeugdreclassering; - een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 150 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis. 9.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, een werkstraf van 180 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk zonder bijzondere voorwaarden, het meest passend zou zijn. 9.
- Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst en omstandigheden van de feiten Verdachte heeft in enkele maanden tijd maar liefst vijf strafbare feiten gepleegd, waaronder het opzettelijk veroorzaken van een autobrand. Brandstichting is een ernstig delict. Dit handelen van verdachte heeft naast schade en overlast voor de direct betrokkenen, ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt, zeker omdat zulke branden kunnen overslaan naar nabijgelegen auto’s. De maatschappelijke angst en onveiligheid was in deze zaak groot omdat vóór 29 december 2018 een groot aantal autobranden in de Utrechtse wijk Kanaleneiland heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft met zijn handelen de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij vergroot en dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte heeft verder deelgenomen aan een criminele organisatie en zich in dat verband schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door braak en heling. Deze criminele organisatie is daarbij zeer geraffineerd te werk gegaan, door gebruik te maken van een leegstaande berging als uitvalsbasis en als opslagplaats voor gestolen goederen. Diefstal en heling zijn misdrijven die voor de benadeelden veel overlast en financiële schade veroorzaken. Verdachte heeft geen blijk gegeven van respect voor de belangen van anderen en het eigendomsrecht van de benadeelden in het bijzonder. Op de schaal waarop deze misdrijven door verdachte samen met anderen zijn gepleegd, is bovendien voor veel overlast en ergernis in de wijk gezorgd. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan. Tijdens de zitting heeft verdachte gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Verdachte heeft zodoende geen inzicht gegeven in zijn beweegredenen of verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Vooral het in de brand steken van een ogenschijnlijk willekeurige auto vraagt om een verklaring, die verdachte niet heeft gegeven. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte over de aard en de ernst van deze feiten in wezen de schouders ophaalt en geen blijk geeft van respect voor de belangen van anderen en het eigendomsrecht van de benadeelden in het bijzonder. De persoon van verdachte Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 29 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dat niet in het voordeel, maar ook niet in het nadeel van verdachte mee bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt verder rekening met het rapport van Samen Veilig Midden-Nederland van 27 juni
- In dat rapport is vermeld dat verdachte een vriendelijke positieve jongen is, die de afspraken met de jeugdreclassering goed is nagekomen. Zorgelijk is echter dat verdachte geen enkele inkijk geeft in (de omstandigheden van) het delict. Ook blijft hij vaag over de vrienden met wie hij omgaat. Door deze gesloten houding blijven zorgen bestaan over de toekomst, omdat verdachte niet leert van mogelijke fouten. Op de zitting is door mevrouw [A] van Samen Veilig toegelicht dat bij een veroordeling wordt geadviseerd om binnen de proeftijd aan de verdachte een jaar lang de algemene maatregel Toezicht en Begeleiding op te leggen. In het uitgebreid Advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) van 3 januari 2019, dat is opgesteld door [B] wordt over verdachte opgemerkt dat verdachte een positieve jongen lijkt te zijn, die ondersteuning krijgt vanuit zijn ouders. De gewetensontwikkeling roept wel vragen op omdat verdachte ontkent iets met de brandstichting te maken te hebben. De Raad adviseert een werkstraf op te leggen. De strafoplegging Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal naast de algemene voorwaarden, de door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarde opleggen met als doel om de positieve lijn in het gedrag van verdachte door middel van begeleiding door de jeugdreclassering te blijven monitoren. Verder acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 160 uur, met aftrek van voorarrest, passend. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank, anders dan de Raad – die tijdens het opstellen van het raadsrapport alleen op de hoogte was van de verdenking voor brandstichting – slechts een onvoorwaardelijke werkstraf een te lichte straf. Nu verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 140, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 3 primair en feit 5 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 (zes) maanden; - bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte; * zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding binnen vijf dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de jeugdreclassering Samen Veilig Midden-Nederland en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal een jaar) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht; - waarbij Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 160 uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen jeugddetentie; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag; - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, kinderrechter en voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.H. Batavier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juli
- De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 27 november 2018 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een prop papier en/ of een of meerdere autostoelen, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een auto (merk: Mercedes-Benz, kenteken: [kenteken 1] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was; ( art 157 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2018 tot en met 29 december 2018 te Utrecht , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum] 2001) en/ of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van (auto)brandstichtingen en/ of het plegen van diefstallen al dan niet met braak/verbreking van scooters/ bromfietsen en/ of navigatiesystemen en/ of display's en/ of het plegen van heling van scooters/bromfietsen en/ of onderdelen van scooters/bromfietsen en/ of navigatiesystemen en/ of display's, in ieder geval het plegen van vermogensdelicten; ( art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 3 hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 8 oktober 2018 te Utrecht , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/ uit een woning (gelegen aan de [straatnaam 7] [nummeraanduiding 3] ) een sleutelbos, althans een of meerdere sleutel(s), althans een goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededader(s), heeft weggenomen en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/ of die/ dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/ hun bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening weggenomen huissleutel van die woning; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/ sub 5 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 29 december 2018 te Utrecht , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een sleutelbos, althans een of meerdere sleutel(s), in elk geval een of meerdere goed(eren), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/ of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die sleutelbos, althans die sleutel(s), althans dat/ die goed(eren), wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; ( art 416 lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art. 417bis lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) Feit 4 hij op een of meerdere momenten in of omstreeks 8 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Utrecht , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een of meerdere navigatiesystemen heeft verworven, voorhanden gehad en/ of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; ( art 416 lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 5 hij op of omstreeks 18 november 2018 te Utrecht , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een scooter/ bromfiets, althans een goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededader(s), heeft/hebben weggenomen en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/ of die/ dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/ hebben gebracht door middel van braak en/ of verbreking; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/ sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/ sub 5 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 18 november 2018 te Utrecht , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter/ bromfiets, in elk geval een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/ of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die scooter/ bromfiets, althans dat goed, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; ( art 416 lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art. 417bis lid 1 ahf/ ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 november 2018, genummerd PL0900-2018341770, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 99 en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 februari 2019, genummerd PL0900-2019004575 Z, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 361 en een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2019, PL0900-2018321715-57, doorgenummerd vanaf 362 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 27 november 2018, p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige van 27 november 2018, p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige van 27 november 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2018, p.
- Proces-verbaal van sporenonderzoek van 29 november 2018, p.
- Proces-verbaal van sporenonderzoek van 29 november 2018, p.
- Een geschrift te weten het vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van brandstichting te Utrecht op 27 november 2018 van het NFI van 7 februari 2019, p. 2 van
- Een geschrift te weten het vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van brandstichting te Utrecht op 27 november 2018 van het NFI van 7 februari 2019, p. 4 van
- Een geschrift te weten het vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van brandstichting te Utrecht op 27 november 2018 van het NFI van 7 februari 2019, p. 8 van
- Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 6 december 2018, p.
- Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 6 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 25 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 25 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 25 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2019, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2018, p.
- Proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2018, p.
- Proces-verbaal van aangifte van 18 november 2018, p.
- HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/
- HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW
- HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.