vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/479667 / KG ZA 19-266 Vonnis in kort geding van 17 juli 2019 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [eiseres sub 2], wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. R.R.G.M. van Beurden te 's-Gravenhage, tegen de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Utrecht, gedaagde, advocaten mrs. D.J. Kramer en F.T.M. Nooijen te Oosterbeek. Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden genoemd en samen [eiser sub 1] c.s. Gedaagde zal Rabobank worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de akte weergave feiten en omstandigheden van Rabobank de aanvullende producties van [eiser sub 1] c.s. de pleitnota’s van partijen. 1.2. Op de mondelinge behandeling van 22 mei 2019 hebben partijen hun standpunten verder toegelicht. Na een aanhouding van de zaak is bepaald dat er een uitspraak zou komen. 2Waar gaat de zaak over? 2.1. [eiser sub 1] exploiteert een agrarisch bedrijf. Dit bedrijf heeft [eiser sub 1] in de periode 2008-2009 van zijn ouders overgenomen. 2.2. Het bedrijf is gelegen aan de [straatnaam] nummers [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] in [vestigingsplaats] . Aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] bevindt zich daarnaast de woning waar [eiser sub 1] samen met zijn echtgenote [eiseres sub 2] en hun gezin woont. Ook op nummer [nummeraanduiding 2] staat een woonhuis, waar de zus van [eiser sub 1] woont. 2.3. Rabobank heeft van 2006 tot en met 2009 bedrijfsfinanciering aan de onderneming van [eiser sub 1] verstrekt, in de vorm van verschillende geldleningen en een krediet in rekening-courant. Verder hebben [eiser sub 1] en Rabobank op 26 september 2008 en op 20 juni 2009 renteswapovereenkomsten gesloten met een looptijd van tien jaar (met ingang van respectievelijk 1 april 2009 en 1 juli 2009). [eiser sub 1] heeft verschillende zekerheden gevestigd ten behoeve van Rabobank, waaronder hypotheekrechten op de onroerende zaken aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] . 2.4. Op enig moment is Rabobank zich zorgen gaan maken over de continuïteit van het bedrijf van [eiser sub 1] . In de periode 2011 tot begin 2014 hebben partijen daarover overleg gepleegd. Dit overleg heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat Rabobank de lopende financieringen op 12 februari 2014 heeft opgezegd en het op dat moment openstaande bedrag van ruim twee miljoen euro heeft opgeëist. 2.5. Na verdere onderhandelingen heeft Rabobank op 25 maart 2015 aangezegd dat zij op 2 juli 2015 zou overgaan tot het executeren van verschillende onroerende zaken van [eiser sub 1] . Naar aanleiding van een door [eiser sub 1] c.s. gestarte kortgedingprocedure, heeft de voorzieningenrechter in Amsterdam, bij vonnis van 15 september 2015, de executie geschorst tot 1 februari 2016. 2.6. Rabobank heeft daarna niet opnieuw de executie aangezegd. Zij is in die periode bezig geweest met een ‘herstelkader-berekening’ om [eiser sub 1] te compenseren in verband met de renteswaps. Op 13 september 2018 heeft Rabobank een compensatieaanbod gedaan. [eiser sub 1] heeft dit voorstel niet geaccepteerd. 2.7. Volgens [eiser sub 1] c.s. is Rabobank van plan het executietraject te hervatten. Om dat te voorkomen, is [eiser sub 1] , samen met zijn echtgenote [eiseres sub 2] , dit kort geding gestart. [eiser sub 1] c.s. vordert kort gezegd dat de voorzieningenrechter de executie schorst, met veroordeling van Rabobank in de (na)kosten. 3De beoordeling 3.1. Rabobank heeft allereerst aangevoerd dat [eiser sub 1] c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat deze kortgedingprocedure moet worden aangemerkt als een verkapt hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter Amsterdam op 15 september 2015, wat betreft het oordeel in dat vonnis dat Rabobank in beginsel de kredietrelatie mocht opzeggen. Of dat zo is, kan in het midden blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter in deze zaak stemt namelijk op dat punt overeen met het vonnis van 15 september 2015. Van welke van de twee voorzieningenrechters dat oordeel formeel geldt bij de afdoening van dit geding, is daarom niet relevant. 3.2. De vordering van [eiser sub 1] c.s. strekt tot het schorsen van de executie door Rabobank. Daarbij geldt het volgende juridische kader. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een recht om te executeren alleen maar schorsen, als hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid. Dat kan het geval zijn als de te executeren titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging aan de kant van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 3.3. De executiebevoegdheid van Rabobank is gebaseerd op de opzegging van de financieringsovereenkomst op 12 februari 2014. Door die opzegging zijn de geldleningen volgens Rabobank opeisbaar geworden en heeft zij op grond van het aan haar verleende hypotheekrecht, het recht van parate executie verkregen. Volgens [eiser sub 1] c.s. mocht Rabobank de overeenkomst echter niet opzeggen, althans mag Rabobank in dit geval geen gebruik maken van haar executiebevoegdheid vanwege een tegenvordering van [eiser sub 1] c.s. op Rabobank. Deze stellingen licht [eiser sub 1] c.s. als volgt toe. 3.4. Rabobank baseert de opzegging op de financiële moeilijkheden die op enig moment bij het bedrijf van [eiser sub 1] zijn ontstaan. Rabobank had daardoor geen vertrouwen meer in de continuïteit van het bedrijf van [eiser sub 1] . Volgens [eiser sub 1] c.s. zijn de financiële moeilijkheden echter niet ontstaan door zijn bedrijfsvoering, maar doordat Rabobank een financieringstoezegging niet is nagekomen en doordat zij hem in een dalende rentemarkt renteswapovereenkomsten heeft opgedrongen. [eiser sub 1] c.s. voert aan dat bij het aangaan van de financieringen (onder meer) was afgesproken dat Rabobank hem € 193.000,00 zou verlenen en dat zij in 2012 ook nog heeft toegezegd dat te zullen doen. Volgens [eiser sub 1] heeft Rabobank uiteindelijk geweigerd de financiering te verlenen, omdat zij bij het bepalen van de vermogenspositie van [eiser sub 1] rekening heeft gehouden met de negatieve waarde van de renteswaps. Dat had Rabobank niet mogen doen omdat zij deze overeenkomsten aan [eiser sub 1] heeft opgedrongen, aldus [eiser sub 1] c.s. Doordat Rabobank heeft geweigerd de aanvullende financiering te verlenen, kon [eiser sub 1] minder vee aankopen dan oorspronkelijk de bedoeling was en heeft hij fosfaatrechten misgelopen. [eiser sub 1] c.s. stelt dat hij daardoor is gefrustreerd in zijn bedrijfsvoering en dat hij hierdoor ongeveer twee miljoen euro schade heeft geleden. 3.5. Rabobank betwist de door [eiser sub 1] c.s. gestelde gang van zaken en [eiser sub 1] c.s. heeft haar stellingen vervolgens onvoldoende onderbouwd, gelet op het volgende. 3.6. Het overeengekomen financieringsplan hield in dat Rabobank financiering zou verlenen voor de bouw van een stal (€ 910.000,00) en het aankopen van melkquotum 240.000 kg (€ 211.000,00). Daarnaast zou Rabobank, als aan de voorwaarden van de bank was voldaan, een aanvullende financiering verlenen van € 193.000,00, voor de aankoop van extra melkquotum. Een van die voorwaarden was dat het plan (de bouw van de stal en vervolgens de aankoop van melkquota) werd nageleefd. 3.7. Op 10 mei 2012 heeft Rabobank een brief aan [eiser sub 1] gestuurd, die [eiser sub 1] volgens Rabobank voor akkoord heeft ondertekend. [eiser sub 1] heeft dat niet betwist, zodat er vanuit wordt gegaan dat de inhoud daarvan klopt. In de brief van 10 mei 2012 staat: “In 2008 is aan u een financiering verstrekt ten behoeve van de bouw van een ligboxenstal. Vanwege een zeer lange vergunningperiode heeft de bouw van deze stal vertraging opgelopen hetgeen ook geresulteerd heeft in extra (bouw)kosten. In de jaren hierna zijn de geprognotiseerde resultaten niet behaald. Hierdoor bent u niet in staat geweest om de geplande investeringen in melkquotum (900.000
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.