← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:3814

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummers: UTR 19/2544 en UTR 19/2573 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen UTR 19/2544 1a. [verzoeker 1a] , te [woonplaats] 1b. [verzoeker 1b] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. H. Martens), UTR 19/2573 2a. [verzoeker 2a.1] en [verzoeker 2a.2], te [woonplaats] 2b. [verzoeker 2b], te [woonplaats] 2c. [verzoeker 2c.1] en [verzoeker 2c.2], te [woonplaats] 2d. [verzoeker 2d.1] en [verzoeker 2d.2], te [woonplaats] 2e. [verzoeker 2e], te [woonplaats] 2f. [verzoeker 2f.1] en [verzoeker 2f.2], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. R. Scholten), hierna samen verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder (gemachtigden: N.E.G.L. Christiaens, M. de Jong en K. de Jong). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., vergunninghouder. Procesverloop Met het besluit van 18 juni 2019 (het besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 6 silo’s en een weegbrug aan [adres] in [woonplaats] (het perceel). Verzoekers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus

  1. Verzoekers [verzoeker 2c.1] en [verzoeker 2f.1] zijn verschenen. Verzoekers hebben zich laten bijstaan en vertegenwoordigen door mr. R. Scholten, ook als waarnemer van mr. H. Martens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder [A] . Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Overwegingen
  2. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. De spoedeisendheid van deze zaak ligt erin dat vergunninghouder met de bouw van de mestsilo’s is gestart. Verzoekers vrezen nadelige gevolgen van de volgens hen onrechtmatige besluitvorming. 3.1 Verzoekers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Het is aan verweerder om deze bezwaren te beoordelen en daarover een besluit te nemen. Verzoekers wonen allemaal in [woonplaats] . Verweerder moet beslissen over de belanghebbendheid van verzoekers in de bezwaarprocedure. Daarbij zijn de afstand tot het perceel en of verzoekers zicht hebben op het perceel van belang, omdat het hier gaat om de activiteit ‘bouwen’. Dit is nog de vraag, gelet op de bomen die tussen het perceel en verzoekers staan die dit zicht al dan niet belemmeren. Verzoekers betwisten vervolgens dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen de voorschriften van het bestemmingsplan past. Daarom moet verweerder bij de vraag of sprake is van belanghebbendheid ook betrekken of de potentiële ruimtelijke uitstraling van het bouwplan zodanig is dat verzoekers daardoor gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarbij zijn aspecten als de ligging van het perceel op een bedrijventerrein en de bestemming die het perceel op grond van het bestemmingsplan heeft van belang. 3.2 Ten aanzien van de inhoud van de bezwaren moet verweerder beoordelen of vergunninghouder wel of geen groothandel in meststoffen heeft. Dat is immers wat het bestemmingsplan toestaat. Daarbij is de vraag of het hier gaat om distributie van kunstmeststoffen voor het eigen bedrijf van vergunninghouder of om distributie aan haar afnemers. Het is van belang om mee te nemen wat het bewerken en mengen van de meststoffen precies inhoudt in relatie tot de melding die vergunninghouder op grond van het Activiteitenbesluit heeft gedaan. Daarvoor heeft verweerder wellicht informatie van vergunninghouder nodig om duidelijkheid te krijgen over de precieze bedrijfsactiviteiten op het perceel. 3.3 De voorzieningenrechter overweegt dat het in de eerste plaats aan verweerder is om op deze beide zaken in te gaan in de bezwaarprocedure. Het is de voorzieningenrechter niet op voorhand duidelijk dat verzoekers evident geen belanghebbenden zijn. Ook is het hem niet op voorhand duidelijk dat de vergunning evident onrechtmatig is verleend. De voorzieningenrechter blijft buiten deze discussie en gaat ten aanzien van deze punten niet op de stoel van verweerder zitten. Deze vragen zullen daarom in de bezwaarfase moeten worden beantwoord. 4.1 De voorzieningenrechter zal daarom zijn oordeel beperken tot het wegen van de belangen van partijen in deze spoedprocedure. Daarbij worden de belangen van verzoekers die pleiten vóór het schorsen van het bouwen van de zes silo’s afgewogen tegen de belangen van vergunninghouder om met de bouw van de silo’s door te kunnen gaan. 4.2 De voorzieningenrechter overweegt in dit kader dat hij moet kijken naar de eindsituatie als de silo’s zijn gebouwd. Het eventuele afbreken van de silo’s moet hij buiten beschouwing laten. Ook de situatie van de bouw van de silo’s telt niet mee. De voorzieningenrechter overweegt dat de eindsituatie niet onomkeerbaar is. De silo’s kunnen immers weer worden afgebroken. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht wat zijn belang is. Zijn bedrijfsbelang is erin gelegen dat de bouw van de silo’s door moet gaan, zodat hij in het voorjaar van 2020 de hierin opgeslagen meststoffen aan zijn afnemers kan leveren. Vergunninghouder is zich ervan bewust dat het voor zijn eigen rekening en risico komt als hij de silo’s weer moet afbreken. Het belang van verzoekers is om niet tijdens de bezwaarprocedure tegen de silo’s aan te kijken en overlast te ervaren die het eventuele weer afbreken van de silo’s met zich meebrengt. 4.3 Alles afwegend weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het (bedrijfs) belang van vergunninghouder om door te kunnen gaan met de bouw van de silo’s op het perceel nu zwaarder dan de belangen van verzoekers om de bouw te schorsen.
  4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Dit betekent dat de bouw van de mestsilo’s door kan gaan tijdens de bezwaarprocedure. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus
  5. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.