RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/659801-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 2 augustus 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 april 2019 en 28 juni
- Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 19 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. C.J. Booij, en van hetgeen verdachte en mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: (gekwalificeerde) diefstal en/of heling, gepleegd in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 oktober 2018 te Baarn, Soest en/of Eemnes. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van een samenwerking tussen verdachte en anderen. Als die samenwerking er naar het oordeel van de rechtbank wel zou zijn, dan nog blijkt niet dat deze duurzaam en gestructureerd is geweest. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte, door het plaatsen van tandenstokers, heeft bijgedragen aan het criminele oogmerk van het samenwerkingsverband, te weten: het plegen van (gekwalificeerde) diefstal en/of heling, omdat onder dit oogmerk niet het treffen van voorbereidingshandelingen en/of faciliterende handelingen valt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden dat verdachte in de tenlastegelegde periode contact heeft gehad met anderen die ervan verdacht worden – en bij vonnis van heden hiervoor ook zijn veroordeeld – aan een crimineel samenwerkingsverband te hebben deelgenomen. Dit samenwerkingsverband heeft zich onder meer beziggehouden met het plegen van woninginbraken in voornamelijk Baarn. De rechtbank is van oordeel dat uit deze contacten echter onvoldoende blijkt of sprake is geweest van een samenwerking tussen verdachte en deze medeverdachten en wat de bijdrage van verdachte in dit samenwerkingsverband zou zijn geweest. Weliswaar blijkt uit het dossier ook dat verdachte zich heeft beziggehouden met het plaatsen van tandenstokers tussen het kozijn en de deur van woningen, wat een veelvoorkomende manier is om voorafgaand aan een inbraak te kunnen controleren of iemand, na dit plaatsen, thuis is geweest, maar bij verdachte gaat het hoofdzakelijk om woningen in Soest (en niet in Baarn), die bovendien geen van alle te linken zijn in dit dossier aan één van de andere verdachten in het samenwerkingsverband. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat zich in het dossier dus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om te kunnen oordelen dat verdachte heeft deelgenomen aan het betreffende criminele samenwerkingsverband. Aldus zal verdachte van het hem ten laste gelegde worden vrijgesproken. 5BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Kruijswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 augustus
- Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 oktober 2018 te Baarn en/of te Soest en/of te Eemnes, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of enige andere leden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (al dan niet in vereniging) plegen van diefstallen (al dan niet met braak en/of verbreking en/of inklimming) en/of heling; (art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht)