← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:4212

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht Locatie Utrecht zaaknummer: C/16/477924 / FA RK 19-1750 (kinderalimentatie) Beschikking van 12 september 2019 in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J. Ran, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. I.M. Redert, 1Verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 22 maart 2019; het verweerschrift van man, van 16 mei 2019; de correspondentie, waaronder met name: o de brief van de vrouw met bijlage, van 25 juni 2019; o de brief van de man met bijlagen, van 9 juli
  2. 1.
  3. De zaak is behandeld op de zitting van 22 juli
  4. Daar waren aanwezig: de advocaat van de vrouw, de man met zijn advocaat en mevrouw L. Pomper, tolk voor de man. De advocaat van de man heeft op de zitting berekeningen overgelegd.
  5. De feiten 2.
  6. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van: - [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [2014] . 2.
  7. Op 24 oktober 2017 hebben partijen een overeenkomst ondertekend. Daarin staat onder andere opgenomen dat de man elke maand € 50,- zal storten op de spaarrekening van [minderjarige] . 3Het verzoek en het verweer 3.
  8. De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 50,- per maand vanaf 24 oktober
  9. 3.
  10. Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 150,- per maand met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, dat is 22 maart
  11. 3.
  12. De man voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. 4Beoordeling 4.
  13. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage van € 50,- per maand vanaf 24 oktober 2017 wijst de rechtbank toe, met dien verstande dat de rechtbank zal bepalen dat de man – zoals partijen destijds zijn overeengekomen – deze bijdrage dient te storten op de spaarrekening van [minderjarige] en niet – zoals namens de vrouw op de zitting is verzocht – dat de man deze bijdrage aan de vrouw moet betalen. 4.
  14. Het staat namelijk vast dat partijen deze afspraak hebben gemaakt op 24 oktober
  15. Dit staat op papier en dit wordt ook door beide partijen bevestigd. Op de zitting heeft de man uitgelegd dat hij het geld dat hij op de spaarrekening had gestort daar van af heeft gehaald en op een apart door hem geopende rekening voor [minderjarige] heeft gestort. De man is vervolgens de bijdrage van € 50,- per maand op deze rekening gaan storten. De man heeft dit gedaan omdat partijen discussie hadden over de omgangsregeling. Dit was niet in overleg met de vrouw. De man mocht niet zelfstandig de afspraak wijzigen, en de rechtbank zal dan ook bepalen dat de man alsnog met ingang van 24 oktober 2017, zoals partijen hebben afgesproken, € 50,- per maand op de spaarrekening van [minderjarige] moet storten. 4.
  16. Dit betekent dat de man over de periode van 24 oktober 2017 tot en met 24 augustus 2019 in totaal een bedrag van (22 maanden x € 50,- =) € 1.100,- op de spaarrekening van [minderjarige] moet storten. Daarnaast moet de man vanaf 24 augustus 2019 elke maand € 50,- op deze spaarrekening storten. 4.
  17. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van € 150,- per maand met ingang van 22 maart 2019 wijst de rechtbank af. De vrouw heeft namelijk helemaal niet gesteld waarom de bijdrage vanaf deze datum met € 100,- per maand verhoogd moet worden. De vrouw heeft niet gesteld dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds 24 oktober
  18. Ook heeft zij niet gesteld wat de behoefte is van [minderjarige] , wat de draagkracht is van de man en wat haar eigen draagkracht is. De vrouw heeft alleen een schatting gemaakt van een bedrag dat de man naar haar mening zou moeten kunnen betalen, en dit wordt door de man onderbouwd tegengesproken. Dit betekent dat er door de vrouw onvoldoende is gesteld om een andere bijdrage vast te stellen dan de bijdrage die partijen samen zijn overeengekomen op 24 oktober
  19. 4.
  20. De rechtbank merkt op dat door de man in zijn verweer naar voren is gebracht dat zijn aandeel in de kosten voor [minderjarige] lager is dan € 50,- per maand, gelet op de vergelijking van de draagkracht van partijen. Maar de man heeft niet zelfstandig een verzoek gedaan tot vaststelling van een lagere bijdrage dan partijen hebben afgesproken. De man heeft alleen gevraagd de verzoeken van de vrouw af te wijzen. De rechtbank kan de bijdrage dus niet lager vaststellen dan partijen zijn overeengekomen. 5Beslissing De rechtbank: 5.
  21. veroordeelt de man om conform de door partijen ondertekende overeenkomst van 24 oktober 2017 over de periode van 24 oktober 2017 tot en met 24 augustus 2019 een bedrag van € 1.100,- op de spaarrekening van [minderjarige] te storten; 5.
  22. veroordeelt de man om conform de door partijen ondertekende overeenkomst van 24 oktober 2017 met ingang van 24 augustus 2019 € 50,- per maand op de spaarrekening van [minderjarige] te storten; 5.
  23. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  24. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Scharrenborg, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Vaart, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september
  25. Hoger beroep Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.