vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/385722 / HA ZA 15-151 Vonnis in vrijwaring van 16 oktober 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM RAIL B.V., gevestigd te Bunnik, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRORAIL B.V., gevestigd te Utrecht, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten. Partijen zullen hierna BAM en ProRail genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie het comparitievonnis van deze rechtbank van 7 oktober 2015 de conclusie van repliek (“nadere conclusie in conventie”), tevens conclusie van antwoord in reconventie de conclusie van dupliek (“nadere conclusie na nadere conclusie in conventie”), tevens conclusie van antwoord in reconventie de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. ProRail is de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland. Zij heeft met de vennootschap naar Zwitsers recht Speno International S.A. (hierna: Speno) een Raamovereenkomst Spoorslijpen gesloten voor de periode 2008-2011 (hierna: de Raamovereenkomst). Doel van deze overeenkomst is kort gezegd het slijpen van spoorstaven. 2.2. Ter uitvoering van de Raamovereenkomst heeft Speno een samenwerkingsovereen-komst gesloten met BAM (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst). 2.3. Tussen ProRail en BAM is een Toegangsovereenkomst van kracht (hierna: de Toegangsovereenkomst) die BAM toegang geeft tot de door ProRail beheerde spoorwegen, en haar het recht geeft om gebruik te maken van de spoorweginfrastructuur. De bij deze overeenkomst behorende algemene voorwaarden (hierna AVT 2010) luiden - voor zover relevant - als volgt: Titel III Rechten en verplichtingen van de Beheerder en de Spoorwegonderneming Artikel 7. Toegang tot en gebruik van de Spoorwegen door de Spoorwegonderneming 1. De Spoorwegonderneming heeft toegang tot de Spoorwegen en het recht tot gebruik daarvan (…). (…) 3. Het is de Spoorwegonderneming niet toegestaan de Spoorwegen te wijzigen, te beschadigen, te verontreinigen of op een andere manier te gebruiken dan waarvoor zij bedoeld, ingericht of beschikbar gesteld zijn (…). (…) Titel IV. Aansprakelijkheid Artikel 16. Aansprakelijkheid Beheerder jegens de Spoorwegonderneming 1. Indien de Beheerder ten gevolge van enig handelen of nalaten van hemzelf of van een door hem gebruikte Hulppersoon toerekenbaar schade veroorzaakt aan eigendommen van de Spoorwegonderneming, of aan eigendommen van of aan Hulppersonen of eigendommen van of aan Derden waarvoor de Spoorwegonderneming krachtens enigerlei rechtsverhouding aansprakelijk is, is de Beheerder aansprakelijk voor door de Spoorwegonderneming, Derde of de Hulppersoon geleden schade. Tevens is de Beheerder op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door hem beheerde Spoorwegen. (…) Artikel 17. Aansprakelijkheid Spoorwegonderneming jegens de Beheerder 1. Indien de Spoorwegonderneming ten gevolge van enig handelen of nalaten van haarzelf of van een door haar gebruikte Hulppersoon toerekenbaar schade veroorzaakt aan eigendommen van de Beheerder, of aan eigendommen van of aan Hulppersonen of van of aan Derden waarvoor de Beheerder krachtens enigerlei rechtsverhouding aansprakelijk is, is de Spoorwegonderneming aansprakelijk voor de door de Beheerder, de Derde of Hulppersoon geleden schade. 2. Op grond van het eerste lid komt geleden omzet- of winstderving, tenzij in geval van opzet of bewust roekeloos handelen, niet voor vergoeding in aanmerking. De volgende schadecomponenten komen voor vergoeding in aanmerking: a. persoonsschade (letsel en overlijden) b. zaakschade c. kosten voor berging en bereddering d. deskundigenkosten e. Behandelingskosten; f. redelijke kosten voor de vaststelling van de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade. (…) 5. De Spoorwegonderneming is jegens de Beheerder aansprakelijk indien de Spoorwegonderneming de aan het gebruik van de door de Beheerder beheerde Spoorwegen door de overheid verbonden voorschriften in welke vorm dan ook toerekenbaar overtreedt. De Spoorwegonderneming is alsdan gehouden de Beheerder te vrijwaren van alle door de Beheerder te lijden schade in welke vorm dan ook, (…) (…) Artikel 20. Beperking aansprakelijkheid, verjaring en overmacht 1. De aansprakelijkheid van Partijen in welke vorm dan ook is beperkt tot de in titel IV opgenomen bepalingen onverlet het recht van Partijen om nakoming van het bepaalde in Toegangsovereenkomst en/of deze Algemene Voorwaarden te vorderen. (…)” 2.4. BAM heeft een overeenkomst gesloten met Spoorflex Safety First BV (hierna: Spoorflex) tot lening van arbeidskrachten, onder andere voor de functies werktreinbegelei-der en leider werkplekbeveiliging. 2.5. In het kader van de Raamovereenkomst heeft ProRail een opdracht verstrekt aan Speno voor het slijpen van de spoorstaven in het traject Leeuwarden-Stavoren. Hieraan is op 25 juli 2010 uitvoering gegeven door het ter beschikking stellen door Speno van een slijptrein met drie van haar medewerkers. BAM heeft ten behoeve van de uitvoering van deze opdracht aan Speno een pilot-machinist (de heer [B] ) en een leider werkbeveiliging (de heer [D] ) ter beschikking gesteld die zij had ingeleend van Spoorflex (bij wie deze medewerkers in dienst waren). 2.6. Op 25 juli 2010 om circa 23.30 uur is de door Speno ter beschikking gestelde slijptrein met hoge snelheid door het stootjuk gereden aan het einde van het spoor bij Stavoren (hierna: het ongeval). Vervolgens is de slijptrein op een geparkeerde tankwagen gebotst en door een winkelpand gereden. Daarbij zijn twee personen van de bemanning licht gewond geraakt, en werden de slijptrein, de tankwagen en het winkelpand zwaar beschadigd. 2.7. In september 2011 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OVV) haar rapport openbaar gemaakt met betrekking tot het ongeval. Als directe oorzaak voor het ongeval heeft zij aangemerkt het feit dat de slijptrein bij nadering van het stootjuk te laat is afgeremd doordat de machinist een sein (in de vorm van een keperbaken) niet opvolgde en het systeem van automatische treinbeïnvloeding (ATB) niet functioneerde. 2.8. Bij tussenvonnis van 22 maart 2017 heeft deze rechtbank in de hoofdzaak (die speelt tussen Baloise (verzekeraar van Speno) als eiseres en ProRail, BAM en (de curator van) Spoorflex als gedaagden) vonnis gewezen, en daarbij BAM aansprakelijk geacht voor de door Speno geleden schade. 2.9. Bij eindvonnis van 18 april 2018 heeft de rechtbank (voor zover hier van belang) de vorderingen in de hoofdzaak ten aanzien van ProRail afgewezen, en BAM veroordeeld om aan Bâloise te betalen een bedrag van CHF 6.260.500,-- ter zake van schade aan de slijptrein, vermeerderd met wettelijke rente. 3Het geschil in conventie 3.1. BAM vordert - samengevat - dat ProRail wordt veroordeeld om aan BAM te betalen al hetgeen waartoe BAM in de hoofdzaak is veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van ProRail in de kosten van de vrijwaring. 3.2. ProRail voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. in reconventie vordert ProRail dat de rechtbank: - voor recht verklaart dat BAM aansprakelijk is voor de door ProRail als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade, althans voor een deel daarvan, - BAM veroordeelt om aan ProRail te betalen een bedrag van € 344.573,44, althans een deel daarvan, vermeerderd met wettelijke rente, - BAM veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met wettelijke rente. 3.5. BAM voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en reconventie 4.1. De rechtbank stelt voorop dat wat de rechtbank in de hoofdzaak heeft vastgesteld, daarmee nog niet vaststaat in de vrijwaringszaak, nu hoofdzaak en vrijwaringszaak zelfstandige procedures zijn die niet tussen dezelfde procespartijen spelen (HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6186). 4.2. De rechtsverhouding tussen BAM en ProRail wordt geregeerd door de Toegangsovereenkomst, en niet door de Samenwerkingsovereenkomst, omdat ProRail daarbij geen partij is. BAM kon de door Speno aan haar opgedragen dienst, het laten begeleiden van een slijptrein door een pilot-machinist, alleen uitvoeren, omdat zij op basis van de Toegangsovereenkomst gerechtigd was tot het gebruik van de spoorweginfrastructuur. in conventie Grondslag van de vrijwaringsvordering 4.3. Ter onderbouwing van haar vrijwaringsvordering heeft BAM aangevoerd dat ProRail de veiligheidsrisico’s die de overbrengingsrit met de slijptrein meebracht, niet (voldoende) heeft onderkend en voorkomen. Volgens BAM heeft ProRail hierdoor haar wettelijke zorgplicht geschonden, dan wel is zij als bezitter van een gebrekkige opstal aansprakelijk (op de voet van artikel 8:1661 jo 6:174 BW) voor de door BAM geleden schade, bestaande uit het bedrag waarvoor zij in de hoofdzaak jegens Speno aansprakelijk is geacht. Op die grond moet ProRail BAM voor dat bedrag vrijwaren. 4.4. Op grond van artikel 16 lid 1 Toegangsovereenkomst is de Beheerder (ProRail) aansprakelijk voor door de Spoorwegonderneming (BAM) of Derde (Speno) geleden schade, indien ProRail “ten gevolge van enig handelen of nalaten van hemzelf” toerekenbaar schade veroorzaakt aan eigendommen van de Spoorwegonderneming of Derde. Daaronder valt ook, blijkens datzelfde lid, expliciet de aansprakelijkheid ex artikel 6:174 BW. 4.5. BAM verwijt ProRail dat zij haar wettelijke zorgplicht heeft geschonden alsmede dat zij bezitter is van een gebrekkige opstal (spoorweginfrastructuur). Gelet op de ruime strekking van “enig handelen of nalaten” (zie 4.4) kunnen op zich beide verwijten op basis van de Toegangsovereenkomst tot aansprakelijkheid van ProRail leiden, en daarmee tot een verplichting tot vrijwaring. De rechtbank zal hierna beoordelen of van een dergelijke verplichting sprake is. Zorgplicht 4.6. ProRail heeft een zorgplicht op het gebied van de veiligheid van de door haar beheerde spoorweginfrastructuur. Op grond van artikel 3 sub c van de Beheerconcessie moet ProRail “de risico’s van het gebruik en beheer voor de veiligheid van de hoofdspoorweginfrastructuur” analyseren en “passende maatregelen” nemen, “waaronder het zo nodig buiten dienst stellen van een gedeelte van de hoofdspoorweg, om deze risico’s afdoende te beheersen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van de te verwachten bedrijfsvoering en de stand van de techniek”. Daarbij geldt het zogenaamde ALARP-principe (‘as low as reasonably practicable’; tweede Kadernota Railveiligheid (Tweede Kamer 2004-2005 29893, nr. 2, p. 15): “Maatregelen met een risicoreducerend effect moeten altijd worden genomen als de veiligheidseffecten in relatie tot de investeringen politiek-maatschappelijk aanvaardbaar zijn.”. 4.7. Deze zorgplicht strekt ter bescherming van een grote groep personen, waaronder ook Speno en BAM. Zie de toelichting op artikel 3 van de Beheerconcessie (in Bijlage “Beheerconcessie hoofdspoorweginfrastructuur d.d. 1 januari 2005” bij Tweede Kamer 2004-2005, 29984, nr. 1, p. 19): “De zorgplicht op het gebied van veiligheid strekt zich uit tot zowel veiligheid van het eigen personeel en gecontracteerde derden als veiligheid van de gebruikers van het spoor (de gerechtigden als bedoeld in artikel 57 van de Spoorwegwet).” De vaststaande feiten 4.8. De rechtbank constateert dat partijen in de vrijwaringsprocedure uitgaan van dezelfde vaststaande feiten als in de hoofdzaak: het ongeval op 25 juli 2010 vond plaats tijdens een zogenaamde overbrengingsrit van een slijptrein van Speno van Zwolle via Leeuwarden naar de werkplek, die was gelegen tussen het station Koudum-Molkwerum en het (eind-)station: Stavoren, de slijptrein werd bediend door een Italiaanse machinist (de heer [A] ), bijgestaan door een Nederlandse machinist die als pilot fungeerde (de heer [B] ); deze pilot-machinist was door BAM ingeleend van Spoorflex; daarnaast was er nog een technische medewerker van Speno in de cabine aanwezig (de heer [C] ), alsmede een medewerker van Speno in de cabine aan de achterzijde van de trein (de heer [E] ). tijdens het traject Zwolle-Leeuwarden (21.00-22.10 uur) informeert de LWB (de heer [D] ) de pilot-machinist (de heer [B] ) over het voornemen om het werkplan te wijzigen in die zin dat het slijpen van het spoor niet in de richting van station Stavoren plaatsvindt maar in omgekeerde richting, tijdens de stop op station Leeuwarden (22.10 uur) heeft de pilot-machinist zich gemeld bij de treindienstleider met vragen over het traject Leeuwarden-Stavoren, om 22.18 uur vertrekt de slijptrein uit Leeuwarden in de richting Stavoren, op dit traject is het ATB-systeem uitgeschakeld, doordat het ATB-systeem in de betreffende slijptrein (ATB-E) niet compatibel is met het ATB-systeem op het baanvak (ATB-NG), en aan het begin van het baanvak gereden wordt over een uitschakelsectie, waardoor de apparatuur automatisch buiten dienst wordt gesteld; de machinist ziet dit door middel van een blauw lampje in de cabine, na het station Koudum-Molkwerum staat ter hoogte van kilometerpaal 49.0 een onverlicht keperbaken, dat bestaat uit 3 borden, dat aangeeft dat de snelheid verminderd dient te worden tot 40 km/u of zoveel minder als nodig is om bij het volgende sein tot stilstand te komen; een lichtsein ontbreekt, de pilot-machinist heeft het keperbaken niet opgevolgd, bij overweg Koeweg/Kooijweg (km 49.343) staan baanwerkers die wuiven naar de trein, de trein rijdt op dat moment ongeveer 95 km/u, hetgeen hoger is dan de maximale snelheid van 80 km/u die ter plaatse geldt voor een volledig beladen slijptrein (p. 15 van het rapport van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, productie 7 van BAM, en bijlage 14 bij de Netverklaring 2010, voorafgaande aan de comparitie overgelegd door ProRail), ter hoogte van kilometerpaal 50.0 zet de Italiaanse machinist de noodremming in, omdat deze het eindstation Stavoren en het op het stootjuk aangebrachte stopsein waarneemt (km 50.224); desondanks rijdt de trein met een snelheid van ongeveer 80 km/u door het stootjuk heen, tegen een geparkeerde tankwagen en door een winkel en komt daarna tot stilstand. 4.9. Uit hun processtukken blijkt dat zij het ook eens zijn over de directe oorzaak van de schade waarvoor BAM in de hoofdzaak aansprakelijk is geacht, namelijk het rijden van de slijptrein door het stootjuk en daarachter gelegen tankauto en winkelpand. Oorzaak van het ongeval 4.10. Ter zitting heeft BAM in wezen erkend dat indien de door haar ingeschakelde pilot-machinist niet was afgeleid op het moment van het passeren van het keperbaken, het ongeval niet zou zijn ontstaan. 4.11. Daarnaast stelt zij echter dat het ongeval ook niet zou zijn ontstaan als ProRail het risico op een menselijke fout had onderkend en adequate maatregelen had getroffen die eenvoudig en niet kostbaar zijn, althans dat een substantieel deel van de schade te wijten is aan het handelen en/of nalaten van ProRail. Concreet verwijt zij ProRail het volgende: ProRail heeft onjuiste baanvakinformatie (BVS-tekeningen) verstrekt die niet overeenkwam met de werkelijke situatie. In werkelijkheid ontbrak seingeving die wel op verstrekte spoordocumentatie stond vermeld: een snelheidsverminderings-bord op km 49.375 (hierna: het snelheidsverminderingsbord) en een snelheidsbord op km 50.000 (hierna: het snelheidsbord). Hierdoor heeft ProRail een verkeerd verwachtingspatroon gewekt bij de pilot-machinist. Hij keek uit naar deze twee borden, die al in 2005 waren verwijderd. Het keperbaken is een ondeugdelijk sein: het is een aanvullend sein dat door ProRail is gebruikt als zelfstandig sein, dat bovendien incourant en slecht zichtbaar was. Daarom had ProRail het snelheidsverminderingsbord en het snelheidsbord niet moeten verwijderen, óf had zij het keperbaken moeten vervangen door een beter zichtbaar sein, zoals een geel lichtsein (wat ProRail na het ongeval ook heeft gedaan). Daarnaast ontbraken op het betreffende traject plaatsaanduidingsborden, of waren deze slecht zichtbaar, waardoor de plaatsbepaling werd bemoeilijkt. ProRail heeft niet zorggedragen voor een adequaat veiligheidsmanagementsysteem, zoals een werkend ATB-systeem, en heeft nagelaten om compenserende veiligheidsmaatregelen te treffen. Na het ongeval heeft ProRail besloten de ATB- uitschakelsecties aan het begin van baanvakken met ATB-NG buiten bedrijf te stellen. In afwachting van deze technische maatregel heeft ProRail de spooraannemers verboden om de ATB-apparatuur in hun onderhoudsmachines op ATB-NG uit te schakelen. Die maatregelen had ProRail ook voor het ongeval moeten nemen. ProRail heeft omstandigheden gecreëerd waardoor afwijking van het werkplan noodzakelijk en mogelijk was (tijdsdruk). Bij 1) ondeugdelijke documentatie/onjuiste tekening 4.12. ProRail heeft erkend dat zij in het kader van de voorbereiding van de onderhavige slijpwerkzaamheden, een tekening heeft verstrekt (BedieningsVoorschrift voor Seinwezeninstallaties; BVS), die ten onrechte vermeldde dat er na het keperbaken nog twee borden zouden volgen: het snelheidsverminderingsbord en het snelheidsbord. Zij stelt echter dat volgens de richtlijnen van de stichting Railalert deze onjuiste tekening nooit gebruikt had mogen worden voor het opstellen van de Werktreininstructie (WTI) die aan de pilot-machinist is verstrekt. Daarvoor moesten de meest actuele OBE-bladen (Overzichtstekening Baan en Emplacementen) gebruikt worden, en die waren wel juist. 4.13. BAM stelt dat uit de Procedure BVS van ProRail zelf (PRC 00029) blijkt dat de wegwijzer die machinisten voor het vervoer van een trein gebruikten, wel op de BVS-tekening werd gebaseerd, en niet op het OBE-blad. Die bestaande praktijk is in 2011 (dus na het ongeval) door stichting Railalert geformaliseerd. ProRail heeft BAM/Spoorflex in het onderhavige geval ook een verkeerde versie van het OBE-blad verstrekt, maar dat heeft geen gevolgen gehad, aldus BAM; een OBE-blad is namelijk slechts een globale tekening, waarop geen borden vermeld worden. Het onderstreept volgens BAM wel dat ProRail werkte met niet-actuele tekeningen. 4.14. De rechtbank laat in het midden of ProRail een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de pilot-machinist uiteindelijk heeft gewerkt met een deels achterhaalde, en dus onjuiste, tekening. Ook indien dat het geval is, is dat alleen relevant als dat (mede) een oorzaak was van het ongeval. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. 4.15. De pilotmachinist heeft op 26 juli 2010 en 4 oktober 2010 verklaringen afgelegd. Uit deze verklaringen blijkt niet dat hij door die tekening een bepaald verwachtingspatroon had, en ook niet dat hij uitkeek naar de twee ontbrekende snelheids-(verminderings) borden. 4.16. In zijn verklaring van 26 juli 2010 (productie 5 van ProRail) staat: “Vlak voordat we, even voor 23.30 uur, bij Stavoren aankwamen en vlak voor het moment dat we bij de overweg Kooijweg/Koeweg bij hectometer 49.343 waren, stelde de Italiaanse bedienaar mij een vraag die ik beantwoordde. Direct na de overweg staat het bord dat aangeeft dat de snelheid teruggebracht moet worden naar 40 kilometer per uur. Door de vragen van de bedienaar en de antwoorden die ik hem gaf, heb ik dat bord niet gezien”. 4.17. Deze verklaring lijkt erop te duiden dat hij wel uitkeek naar het ontbrekende snelheidsverminderingsbord (dat tot 2005 stond bij km 49.375) en op dat moment werd afgeleid. Maar uit het rapport naar aanleiding van het veiligheidsonderzoek van Spoorflex (productie 7 van ProRail) blijkt dat de pilot-machinist die verklaring meteen na het ongeval heeft afgelegd terwijl hij erg aangedaan was, en toen heeft gekeken op de tekening, waardoor hij “op het verkeerde been was gezet”. Tegenover Spoorflex heeft hij verklaard dat hij wist dat hij bij het keperbaken vlak voor de overweg (km 49.343) zijn snelheid diende te verminderen naar 40 km/u, en dat hij hier ook op gewezen was door de machinist van Arriva, met wie hij was meegereden om wegbekendheid te krijgen. 4.18. Ter zitting heeft BAM gesteld dat zij het niet aannemelijk vindt dat een Arriva-machinist de pilot-machinist expliciet zou hebben gewezen op het keperbaken, omdat het keperbaken voor zo’n machinist niet relevant is, want “de trein remt automatisch als de machinist niet ingrijpt”. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van (dit onderdeel van) het rapport van Spoorflex. Ook uit de verklaring van de pilotmachinist van 4 oktober 2010 blijkt namelijk dat hij het traject waarop het ongeval heeft plaatsgevonden goed kende en dat hij wist dat op het laatste deel van dit traject het - zeldzame - keperbaken stond. In die verklaring, waaruit blijkt dat de pilot-machinist ruim een jaar daarvoor is gaan rijden op de slijptreinen van Speno en dat hij daarvoor stage heeft gelopen bij die slijptreinen, gevolgd door een examen, staat namelijk: “Er werd bij dat examen veel doorgevraagd, ook over het baanvak naar Stavoren. Ik had het baanvak naar Stavoren ook al eenmaal verkend. Op het moment dat ik ermee bekend werd dat ik op het traject naar Stavoren zou gaan rijden heb ik dat traject nogmaals verkend. Die verkenning vond plaats in het donker, het was in de avond. Het traject naar Stavoren is niet goed te vergelijken met andere trajecten. Op het traject naar Stavoren is namelijk sprake van een hele specifieke seingeving. De daar gehanteerde beveiliging komt haast niet meer voor. Ook is er geen sprake van verlichting.” 4.19. Kortom, de pilot-machinist keek tijdens de rit niet uit naar het snelheidsverminderingsbord en het snelheidsbord. Het ongeval staat dus niet in causaal verband met het ontbreken van deze borden op welke tekening dan ook. Bij 2) en 3) deugdelijke spoorweginfrastructuur? 4.20. Tussen partijen is niet in geschil: - dat het onder bepaalde voorwaarden was toegestaan om met een trein met incompatibele (en dus uitgeschakelde) ATB-installatie over het spoor te rijden, - dat het gebruik van een automatische uitschakelsectie niet wettelijk verboden was, en - dat de pilot-machinist wist dat op het betreffende traject de ATB-installatie was uitgeschakeld (te zien aan een blauw lampje in de cockpit). 4.21. BAM stelt zich echter op het standpunt dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.