beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Familierecht Zittingsplaats: Utrecht Zaakgegevens: C/16/489319 / JE RK 19-2110 (uithuisplaatsing) C/16/489323 / JE RK 19-2111 (wijziging zorgregeling) C/16/489327 / JE RK 19-2112 (gedeeltelijk gezag) datum uitspraak: 18 oktober 2019 Beschikking machtiging uithuisplaatsing, wijziging zorgregeling en gedeeltelijk gezag in de zaak van Samen Veilig Midden Nederland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te Utrecht. Betreffende [minderjarige] , geboren op [2013] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats] , [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] . Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de verzoeken van de GI van 4 oktober
- Op 18 oktober 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de moeder, - de vader,- mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de GI. De feiten Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door beide ouders. [minderjarige] woont bij zijn moeder. Bij beschikking van 30 augustus 2019 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 september
- Het verzoek van de GI De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad: een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij zijn vader voor de duur van de ondertoezichtstelling; een verdeling van zorg- en opvoedtaken vast te stellen tussen [minderjarige] en zijn moeder waarbij wordt gestart met twee keer een door een professional begeleide omgang. Wanneer dit goed verloopt (wanneer de moeder zich stabiel toont en haar eigen problematiek buiten [minderjarige] kan houden) is de GI voornemens om dit uit te breiden naar een middag, daarna een dag en mogelijk daarna naar een nacht logeren; te bepalen dat het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Er zijn al langere tijd zorgen over de thuissituatie van [minderjarige] bij zijn moeder. Volgens de GI zijn deze zorgen de laatste maand sterk toegenomen. Hulpverlening komt moeizaam op gang, de moeder geeft geen gevolg aan logopedie afspraken, [minderjarige] volgt geen zwemles en heeft weinig speelafspraakjes. Hij blijft achter in zijn ontwikkeling en vindt geen aansluiting bij andere kinderen. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Ze is wisselvallig in haar emoties en daardoor onvoorspelbaar en onveilig voor [minderjarige] . De moeder is zwanger, gebruikt cocaïne en uit zich (verbaal) agressief. Het lukt niet om met moeder in gesprek te komen. De moeder hangt op, blokkeert de hulpverleners en komt niet naar afspraken. De GI wil [minderjarige] bij zijn vader plaatsen, daar naar speciaal onderwijs laten gaan en een zorgregeling met de moeder vaststellen. De zorgregeling zal de eerste twee keer begeleid worden door een hulpverlener waarmee de moeder vertrouwd is. De standpunten van de ouders De vader is het eens met de verzoeken. De moeder vindt het heel moeilijk als [minderjarige] bij haar weg zou moeten. Ze zou hem enorm gaan missen. Ze heeft wel vertrouwen in de plaatsing bij de vader. Ze is het ook eens met de wisseling van school als [minderjarige] bij zijn vader geplaatst wordt, maar ze vindt het voor [minderjarige] fijner als hij op zijn huidige school kan blijven. Ze heeft spijt van haar drugsgebruik en haar agressie richting de GI. De beoordeling De kinderrechter zal alle verzoeken van de GI toewijzen. Het gaat namelijk niet goed genoeg met [minderjarige] bij zijn moeder thuis. [minderjarige] heeft een forse ontwikkelingsachterstand. Tevens zijn er zorgen over zijn verzorging, waaronder een gebrek aan passende kleding en hygiëne in de woning. De moeder heeft op de zitting verteld dat zij cocaïne heeft gebruikt in de weekenden dat [minderjarige] bij zijn vader was. Dit was niet goed voor haar en ze heeft spijt van haar (agressieve) gedragingen. De kinderrechter vindt het heel goed van de moeder dat zij al bij de huisarts is geweest om een afspraak met de psycholoog te maken om haar te helpen. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] op dit moment het beste bij zijn vader kan wonen, zodat de moeder tijd heeft om aan zichzelf te werken. Dit is goed voor [minderjarige] , haarzelf en de nieuwe baby. De GI zal eerste twee bezoeken tussen [minderjarige] en zijn moeder laten begeleiden door een hulpverlener die de moeder kent. Als blijkt dat dit goed verloopt, zal de GI de contactmomenten uitbreiden. De kinderrechter zal de GI belasten met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, zodat de GI [minderjarige] kan inschrijven op een passende school in de omgeving van de vader. Het gedeeltelijk gezag wordt toegekend voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 19 september
- De beslissing De kinderrechter: verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, met ingang van 18 oktober 2019 tot 19 september 2020; stelt de volgende zorgregeling vast tussen [minderjarige] en zijn moeder: tussen de moeder en [minderjarige] zullen twee begeleide bezoeken plaatsvinden. Wanneer dit goed verloopt, kan de GI deze regeling uitbreiden naar onbegeleid contact en vervolgens opbouwen naar een middag, dan een dag en daarna met een overnachting. Het is aan de GI om het tempo in de uitbreiding van de zorgregeling te bepalen, waarbij het belang van [minderjarige] leidend is; - belast de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland gevestigd te Utrecht met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, tot 19 september 2020; - verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden