Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Lelystad Zaaknummer/rekestnummer: 490457 / HA RK 19-292 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 15 november 2019 op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van: [verzoeker] , advocaat mr. E.D. van Elst, verder te noemen verzoeker. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2019 met daarin het wrakingsverzoek van verzoeker; - de schriftelijke reactie van de gewraakte rechters; - de reactie van de officier van justitie. 1.
- Het wrakingsverzoek is op 1 november 2019 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). 1.
- Bij de mondelinge behandeling is verzoeker met zijn advocaat verschenen. De gewraakte rechters zijn met bericht niet verschenen. De officier van justitie is niet verschenen. 1.
- De uitspraak is bepaald op heden. 2Het wrakingsverzoek 2.
- Bij de afdeling strafrecht van deze rechtbank, locatie Utrecht, is een strafzaak onder parketnummer 16/125035-19 aanhangig. In die strafzaak is verzoeker verdachte. Op 24 oktober 2019 heeft in de strafzaak een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden met mrs. G. Perrick, C.S. Schoorl en E.J. van Rijssen als rechters. Mr. Perrick trad op als voorzitter. 2.
- Op de zitting van 24 oktober 2019 is het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Het verzoek tot schorsing is ook afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen geen inzicht te hebben in de persoon van verzoeker en dus ook een eventueel recidiverisico niet te kunnen beoordelen. Verzoeker heeft onvoldoende medewerking verleend aan de psychiatrisch rapporteur, en geen medewerking verleend aan het onderzoek van de psychologisch rapporteur, zodat het niet mogelijk is om tot een conclusie te komen over de persoon van verzoeker, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank in haar overweging tot afwijzing van het schorsingsverzoek meegenomen dat verzoeker tweemaal eerder is geschorst en beide keren, binnen korte tijd, het opgelegde contactverbod heeft overtreden. Onder die omstandigheden wegen het algemeen belang, en in het bijzonder het belang van het slachtoffer, dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid zwaarder dan het belang van verzoeker bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarna heeft de rechtbank medegedeeld dat verzoeker heeft aangegeven geen medewerking te verlenen aan een zogenaamd triple-onderzoek indien hij gedetineerd blijft. Om die redenen heeft de rechtbank bevolen dat verzoeker ter observatie in het Pieter Baan Centrum wordt geplaatst. 2.
- Verzoeker heeft de rechters vervolgens gewraakt. Als grond voert hij aan dat uit de beslissing om hem te plaatsen in het Pieter Baan Centrum blijkt dat de rechtbank de aangeefster (slachtoffer) ten onrechte gelooft. Ter zitting heeft hij zijn verzoek toegelicht en aangevoerd dat de stafzaak op 24 oktober 2019 inhoudelijk zou worden behandeld. De zitting begon echter direct met de mededeling dat de rechters onvoldoende voorgelicht waren over de persoon van verzoeker. Verzoeker trekt daaruit de conclusie dat de rechters de verklaringen van aangeefster geloven zonder naar zijn kant van het verhaal te luisteren. Verzoeker meent daarom dat de rechters partijdig zijn. 2.
- De rechters berusten niet in de wraking. Verzoeker wraakt omdat hij het niet eens is met de beslissingen van de rechtbank. Dat is volgens de rechters echter geen grond voor wraking. Zij zijn van mening dat zij niet partijdig zijn en ook niet de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Uit de beslissingen blijkt ook geen vooringenomenheid van de rechters jegens verzoeker. De rechters vragen het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren. 3De beoordeling 3.
- Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- De rechtbank onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade leidt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen. 3.
- De beslissingen die de rechtbank heeft genomen op de zitting van 24 oktober 2019, naar aanleiding waarvan verzoeker de rechtbank heeft gewraakt, zijn procesbeslissingen. Procesbeslissingen zijn in beginsel geen grond voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. De rechtbank heeft de beslissingen immers gemotiveerd en deze motivering geeft geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek dan ook ongegrond verklaren. 4De beslissing De wrakingskamer: 4.
- verklaart het wrakingsverzoek ongegrond; 4.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokkenen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank; 4.
- bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16/125035-19 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, en mr. R.M. Berendsen en mr. J.F. Haeck als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R.H.M. den Ouden griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.