← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:5628

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/2819 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (gemachtigde: drs. I.S. Metaal). Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer afgewezen. Bij besluit van 15 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. Verweerder moet op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de WVW) en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) een maatregel opleggen wanneer het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een auto. Dit vermoeden wordt volgens artikel 2 van de Regeling gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij de Regeling horende bijlage 1, waarbij geldt (artikel 3 van de Regeling) dat de feiten of omstandigheden kunnen blijken uit eigen waarneming en gegevens van de politie. Indien bij een bestuurder een ademalcoholgehalte is geconstateerd tussen de 435 en 785 µg/l, volgt de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA).
  4. De politie heeft bij eiser op 3 november 2018 een ademalcoholonderzoek afgenomen waaruit een ademalcoholgehalte van 590 µg/l naar voren kwam. Hierop heeft verweerder op 31 januari 2018 een EMA aan eiser opgelegd. Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft gemaakt is ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens, naar aanleiding van een herberekening van het ademalcoholgehalte van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een verzoek tot herziening ingediend.
  5. De vraag die in deze zaak centraal staat is of verweerder al dan niet terecht eisers verzoek om herziening van de oplegging van een EMA aan eiser heeft afgewezen.
  6. Eiser voert aan dat het rapport van het NFI een nieuw feit is dat moet leiden tot herziening van de oplegging van de EMA. De door het NFI herberekende ademalcoholconcentratie komt onder de minimumgrens voor het opleggen van een EMA, zodat deze volgens eiser onterecht is opgelegd en zou moeten worden herroepen. Tevens verzoekt eiser om schadevergoeding.
  7. De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De bestuursrechtelijke vorderingsprocedure die tot een EMA heeft geleid staat geheel los van de strafrechtelijke procedure. Het strafrecht kent een ander beoordelingskader met andere wettelijke bewijsregels. De herberekening door het NFI is verricht in opdracht van de officier van justitie in de strafrechtelijke procedure op grond van het vermoeden van overtreding van artikel 8 van de WVW. De aanleiding voor de herberekening vormde de verklaring van eiser dat hij voor het ademalcoholonderzoek een aantal borrels had gedronken . Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd betekent het gegeven dat de officier van justitie in de strafrechtelijke procedure rekening heeft willen houden met deze verklaring niet dat verweerder daar in de bestuursrechtelijk procedure ook rekening mee moet houden. Verweerder heeft daarom terecht besloten in het rapport van het NFI geen nieuw feit of veranderde omstandigheid te zien. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet evident onredelijk dat verweerder eisers verzoek om herziening heeft afgewezen. In dit kader wijst de rechtbank erop dat de invloed van de inname van de borrels op het ademalcoholgehalte voor eisers eigen risico komt.
  8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:580, onder 3.3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.