← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2019:5915

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 492878 / HA RK 19-330 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 11 december 2019 op het verzoek van: Drs. [verzoeker] , verder te noemen: verzoeker. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoek tot wraking van mr. S.H. Bokx-Boom in de zaak met kenmerk C/16/482293/HARK 19-167, ingekomen op 3 december 2019; de brief van de secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker van 4 december 2019; de e-mail met bijlagen van verzoeker van 9 december
  2. 1.
  3. De wrakingskamer heeft, gelet op het volgende, afgezien van een mondelinge behandeling. 2Het wrakingsverzoek 2.
  4. Bij de afdeling civielrecht van deze rechtbank, locatie Utrecht, is een zaak aanhangig met het kenmerk C/16/482293/HARK 19-
  5. In die zaak treedt verzoeker op als gemachtigde van mevrouw [A] . Op 8 oktober 2019 heeft in deze zaak een zitting plaatsgevonden met mr. S.H. Bokx-Boom als behandelend rechter. Bij beschikking van 20 november 2019 heeft de rechter, kort gezegd, overwogen dat uit de door verzoeker overgelegde machtiging niet specifiek blijkt dat verzoeker ook de aanhangige procedure en op de zitting het woord mag voeren namens mevrouw [A] . Op de zitting van 8 oktober 2019 was mevrouw [A] niet aanwezig. De rechtbank heeft een mondelinge behandeling bepaald om mevrouw [A] , in persoon, te horen. Daarna heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend. 2.
  6. De secretaris van de wrakingskamer heeft bij brief van 4 december 2019 aan verzoeker bericht dat uit het wrakingsverzoek niet blijkt dat dit is ingediend namens mevrouw [A] . Verzoeker is gevraagd om een stuk toe te sturen waaruit blijkt dat het ingediende wrakingsverzoek namens mevrouw [A] is gedaan. In die brief staat ook dat de secretaris van de wrakingskamer vaststelt dat in de onderliggende zaak vragen zijn gerezen over (de reikwijdte van) de machtiging van verzoeker. 2.
  7. Verzoeker heeft bij e-mail met bijlagen van 9 december 2019 gereageerd op voormelde brief.
  8. De beoordeling 3.
  9. Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 3.
  10. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de e-mail van verzoeker met bijlagen van 9 december
  11. Hieruit is de wrakingskamer niet gebleken dat verzoeker het verzoek indient namens mevrouw [A] . Dat staat namelijk niet in de e-mail noch in de bijlagen. Verzoeker zelf is niet als partij aan te merken in de zaak met het kenmerk C/16/482293/HARK 19-
  12. Daarom kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking. De wrakingskamer zal verzoeker in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaren. 4De beslissing De wrakingskamer: 4.
  13. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; 4.
  14. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, de betrokken partijen, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling civielrecht en de president van deze rechtbank; 4.
  15. bepaalt dat de procedure met het kenmerk C/16/482293/HARK 19-167 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is ter zitting gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. R.M. Berendsen en mr. G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R.H.M. den Ouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december
  16. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.